The viability of novel network-level circular business models (CBMs) is debated heavily. Many companies are hesitant to implement CBMs in their daily practice, because of the various roles, stakes and opinions and the resulting uncertainties. Testing novel CBMs prior to implementation is needed. Some scholars have used digital simulation models to test elements of business models, but this this has not yet been done systematically for CBMs. To address this knowledge gap, this paper presents a systematic iterative method to explore and improve CBMs prior to actual implementation by means of agent-based modelling and simulation. An agent-based model (ABM) was co-created with case study participants in three Industrial Symbiosis networks. The ABM was used to simulate and explore the viability effects of two CBMs in different scenarios. The simulation results show which CBM in combination with which scenario led to the highest network survival rate and highest value captured. In addition, we were able to explore the influence of design options and establish a design that is correlated to the highest CBM viability. Based on these findings, concrete proposals were made to further improve the CBM design, from company level to network level. This study thus contributes to the development of systematic CBM experimentation methods. The novel approach provided in this work shows that agent-based modelling and simulation is a powerful method to study and improve circular business models prior to implementation.
Educational innovations often tend to fail, mainly because teachers and school principals do not feel involved or are not allowed to have a say. Angela de Jong's dissertation shows the importance of school principals and teachers leading 'collaborative innovation' together. Collaborative innovation requires a collaborative, distributed approach involving both horizontal and vertical working relationships in a school. Her research shows that teams with more distributed leadership have a more collaborative 'spirit' to improve education. Team members move beyond formal (leadership) roles, and work more collectively on school-wide educational improvement from intrinsic motivation. De Jong further shows that school principals seek a balance in steering and providing space. She distinguished three leadership patterns: Team Player, Key Player, Facilitator. Team players in particular are important for more collaborative innovation in a school. They balance between providing professional space to teachers (who look beyond their own classroom) and steering for strategy, frameworks, boundaries, and vision. This research took place in schools working with the program of Foundation leerKRACHT, a program implemented by more than a thousand schools (primary, secondary, and vocational education). The study recommends, towards school principals and teachers, and also towards trainers, policymakers, and school board members, to reflect more explicitly on their roles in collaborative innovation and talk about those roles.
The European Commission aims for a full circular economy (CE), an economy that aims to reuse all resources in 2050. CE is a promising way to increase welfare and wellbeing while decreasing environmental footprints. Industrial symbiosis, in which companies exchange residuals for resource efficiency, is essential to the circular transition. However, many companies are hesitant to implement business models for industrial symbiosis because of the various roles, stakes, opinions, and resulting uncertainties for business continuity.This dissertation supports researchers, professionals, and students in understanding and shaping circular business models for industrial symbiosis networks through collaborative modelling and simulation methods. Three theoretical perspectives, design science research, complex adaptive socio-technical systems, and circular business model innovation, shed light on designing business models for industrial symbiosis. A serious game and agent-based models were developed in multiple case studies with researchers, practitioners, and students. These were then used to design circular business models and explore their efficacy under uncertain conditions, such as various behavioural intentions of potential partners in diverse natural and societal contexts.This thesis advances business model design and experimentation by integrated simulation of social and technical aspects of industrial symbiosis. Furthermore, the research shows how simulations facilitate learning processes in designing circular business models. Ultimately, the thesis equips researchers, practitioners, and students with knowledge, tools, and methods to shape a circular economy.
In het project wordt een nieuw door de HvA ontwikkelde methodiek (Open Collaborative Business Modelling methodiek, verder: ‘OCBM-methodiek’), toegepast om waardeproposities voor circulaire en biobased verpakkingen te ontwikkelen, samen met partijen uit de waardeketen. De inzet van biobased materialen is essentieel voor het terugdringen van het gebruik van fossiele plastics en – uiteindelijk – voor het bereiken van een volledig circulaire economie. De specifieke waardeketen waar het project zich op richt is die van verpakkingen op basis van Olifantsgras / Miscanthus. Projectpartner Vibers is een bedrijf dat dit gewas als grondstof gebruikt voor het produceren van o.a. verpakkingsmaterialen. Tijdens het project zal een viertal OCBM-sessies worden georganiseerd waarin Vibers in nauwe samenwerking met een wisselende groep ketenpartners en andere stakeholders een nieuwe waardepropositie formuleert. Projectpartner Kennisinstituut Duurzaam Verpakken (verder: KIDV) bewaakt in de OCBM-sessies de duurzaamheid van de ontwikkelde propositie en speelt een rol bij evaluatie van de OCBM-methodiek voor de verpakkingsindustrie. Het project levert daarmee twee belangrijke resultaten op: 1. Een met behulp van de OCBM-methodiek ontwikkelde waardepropositie voor een circulair business model waarin een biobased verpakking centraal staat; 2. Aanbevelingen voor het verfijnen van de OCBM-methodiek: specifieke aandachtspunten voor het ontwikkelen van innovatieve, circulaire business modellen met behulp van deze methodiek.
Dit voorstel presenteert een onderzoek naar gezamenlijke businessmodellen voor buurtlogistiek met hubs. In het project werken vier lectoraten van twee hogescholen, acht mkb-ondernemers, drie gebiedsgerichte organisaties en een gemeente samen met als doel bij te dragen aan de economische vitaliteit en klimaatbestendigheid van de autoluwe, compacte stad. De verdichting van steden en groei van online bestellingen leidt tot meer vraag naar logistiek van goederen en diensten. Hubs worden gezien als duurzame, ruimte-efficiënte oplossing om de schaarse ruimte in de compacte stad beter te benutten en uitstootvrij vervoer te faciliteren. De mkb-ondernemers in deze aanvraag zien bedrijfskansen in het realiseren van hubs, maar ervaren uitdagingen om de economische en maatschappelijke doelen van hubs rendabel te bereiken. Zij vragen zich af of zij hun waardepropositie kunnen versterken en hun kosten kunnen verlagen door hun diensten gezamenlijk aan te bieden. Hiertoe wordt een ontwerpend praktijkgericht onderzoek uitgevoerd i) volgens de aanpak van open collaborative business modelling en ii) met aandacht voor de complexiteit van veranderen om de duurzaamheid van de businessmodellen te vergroten. Het onderzoek concentreert zich rond drie gebieden: * De 9 Straatjes, middenin de grachtengordel van Amsterdam: een horeca-winkelgebied met werelderfgoedstatus en kwetsbare bruggen en kades. * De Knowledge Mile, aan een ontsluitingsweg in Amsterdam Centrum en Oost: een innovatie-district waar meer ruimte komt voor groen, vermaak en langzaam vervoer. * Campus Heijendaal in Nijmegen: een groen, levendig gebied met een grote stroom van studenten, medewerkers en bezoekers. Samen met stadslogistieke aanbieders (mkb), adviesorganisaties (mkb) en stakeholders uit de gebieden ontwerpen de hogescholen diensten en gedragsinterventies waarmee de mkb-ondernemers duurzaam waarde kunnen leveren. Het onderzoek combineert kennis van stadslogistiek, ondernemerschap en gedragspsychologie tijdens: 1) het ontwerpen van concept businessmodellen; 2) het toetsen van prototypen businessmodellen met potentiële gebruikers; 3) het herontwerpen van de businessmodellen en opstellen van voorwaarden voor schaalbare implementatie.
Om maatschappelijke verandering zoals duurzaamheid en circulariteit te realiseren is vaak samenwerking en innovatie tussen ketenpartijen nodig. Om dat te bewerkstelligen wordt Collaborative Sustainable Business modelling (CSBMing) ingezet. De deelnemers aan deze participatieve processen, “grenswerkers”, vertegenwoordigen in het proces de belangen en waarden van hun moederorganisatie (of specifieke business unit), en in hun moederorganisaties staan zij model voor het keteninitiatief. Het succes van het initiatief hangt van hen af. Maar deze rol brengt ook spanningen met zich mee die te maken hebben met tegenstrijdige belangen, macht, snelheden en prioriteiten. We weten nog erg weinig van de spanningen die rond collaboratieve business modellen voorkomen en hoe je daar adequaat mee om kunt gaan. Sommige spanningen worden veroorzaakt door moeilijke keuzes (bijvoorbeeld het opzetten van een joint venture) en andere door paradoxen (bijvoorbeeld belang van de deelnemende organisaties versus belang van de samenwerking). Bij paradoxen werkt kiezen juist averechts. Een changemaker die verschillende complexe ketensamenwerkingen in de high-tech sector ondersteunt in het realiseren van transitie naar meer duurzaamheid, is ImpactX. ImpactX ziet dat gebrek aan ondersteuning in het herkennen, erkennen en omgaan met spanningen het realiseren van de benodigde ketenverandering bedreigt. In dit project richten we ons op de diagnose van het praktijkprobleem: het in kaart brengen van spanningen in de context van Collaborative Sustainable Business Modelling. Dit doen we door expertconsultatie en semi-gestructureerde interviews met verschillende grenswerkers en andere belanghebbenden rond drie concrete ketenprojecten. Vervolgonderzoek is gericht op het ontwikkelen van methodieken die actoren helpen om de spanningen te herkennen en er effectief mee om te gaan.