Hoofdstuk 20 in Werken in gedwongen kader. 20.1 Inleiding 20.2 Consistentie: door de cliënt ervaren samenhang 20.3 Continuïteit: samenhang in tijd 20.4 Commitment: betrokkenheid van de professional 20.5 Consolidatie
DOCUMENT
Met de toepassing van sensoren in de zorg zal het aantal data explosief toenemen. Maar kunnen we die data ook op een goede manier verwerken? Hoe vindt de integratie plaats? En hoe staat het met de gebruiksvriendelijkheid? Eén van de struikelblokken, zegt Ben Kröse, is de consistentie van data. In theorie misschien eenvoudig op te lossen, maar niet in de praktijk.
LINK
In bepaalde single-core configuraties met één processor, b.v. embedded control systems zoals robotic applications die uit vele korte processen bestaan, kunnen de context switches van een proces een aanzienlijke hoeveelheid van de beschikbare processing power verbruiken. Het verminderen van het aantal context switches vermindert de executietijd en verhoogt daardoor de prestaties van de toepassing. Bovendien is de end-to-end executietijd van de processen langer dan strict noodzakelijk, b.v. omdat de processen moeten wachten op controllers die een taak uitvoeren. Door de regels voor synchrone communicatie via kanalen in de procesalgebraïsche specificatietaal Communicating Sequential Processes te versoepelen, kunnen we de end-to-end executietijd verkorten. In ons onderzoek definiëren we verschillende graafproducten, bewijzen we dat deze producten een prestatiewinst opleveren (onder bepaalde voorwaarden) en we werken de numerieke en combinatorische aspecten van deze graafproducten uit.
DOCUMENT
Mijn stelling is dat normatieve professionalisering, in ons geval de professionalisering van leraren, een vorm is van levensbeschouwelijke vorming. Dat geldt zowel voor de professionalisering in de initiële opleidingen als voor de voortgaande ontwikkeling als professional in het onderwijs. Ik ga daarbij uit van een brede opvatting van levensbeschouwelijke vorming, waarbij het bij levensbeschouwing in een variant op de definitie van Brümmer, gaat om: ‘het totale complex van normen, idealen en eschatologische verwachtingen in het licht waarvan iemand zijn levenshouding richt en beoordeelt; een complex dat in zekere mate innerlijke consistentie vertoont en dat in zekere mate wordt geïntegreerd door eengrondovertuiging die eraan ten grondslag ligt’ (variant op Brümmer, 1975, 131-132) Bij een levensbeschouwing hoeft het in deze opvatting niet per se en primair te gaan om een gearticuleerde levensvisie, geworteld in een seculiere of religieuze traditie. Dat kan wel, maar hoeft niet en moet al helemaal niet als vanzelfsprekend worden voorondersteld. In het verlengde daarvan gaat het bij vorming dan ook om meer dan socialisatie en enculturatie. Het is de relatie tussen de begrippen Levensbeschouwelijke vorming, en hun relatie tot normatieve professionalisering, waar het in deze rede over gaat. Het verbinden van Levensbeschouwelijke vorming en Normatieve professionalisering, waarbij de laatste een concretisering van de eerste is, ervaar ik als een spannende onderneming en voor het opleiden van leraren staat er daarmee ook veel op het spel. Ik wil in deze openbare les deze verbinding graag nader verkennen.
DOCUMENT
Het meeste vlees dat Nederlanders eten wordt niet duurzaam geproduceerd. Veel productie leidt tot overbemesting, kost veel water en gaat ten koste van de biodiversiteit en het landschap, terwijl dierenwelzijn niet per se is geborgd. Hogeschool Van Hall Larenstein participeerde binnen het onderzoek ‘Dierzaam’ van de Hogeschool Utrecht. Het project zocht naar marketingstrategieën die consumenten verleiden om over te stappen naar meer duurzaam geproduceerd vlees. In dit whitepaper beschouwt Van Hall Larenstein (VHL) de kansen in de keten vanuit het perspectief van de boer. Hiervoor bestudeerden onderzoekers literatuur en inspirerende voorbeelden. Meer aandacht voor dierenwelzijn zal leiden tot extensivering van de veehouderij. De milieubelasting van vlees wordt bepaald op veel criteria, de uitkomsten verschillen per diersoort en voor traditioneel of organische houderijsystemen. Over het algemeen zijn kip- en varkensvlees minder milieu belastend dan rundvlees. Echter, varkens en kippen eten weer meer granen die wereldwijd voor mensen belangrijk zijn en rundvee kan daarentegen op grasland leven. Voor de omschakeling naar duurzame vleesvee houderij is een systeemverandering nodig waar álle partijen een rol in hebben. De boer moet voldoen aan de vele normen en heeft deskundigheid nodig. Sociale media kunnen een transparante communicatie tussen boer en consument ondersteunen. De supermarkt en de slager kunnen het eigen assortiment kiezen en meer communiceren en informeren en de consument maakt uiteindelijk de keuze in de winkel. De overheid moet zich actiever opstellen in markt- en prijsbeleid. Boeren staan onder druk door enerzijds maatschappelijke eisen en aan de andere kant de kostprijs van duurzame productie. Een eerlijk en duurzaam verdienmodel voor de boer vereist een hogere vleesprijs, gecombineerd met betalingen van de boer voor maatschappelijke (ecosysteem)diensten.
DOCUMENT
Het op een adequate wijze begeleiden van startende docenten is van belang omdat het uitval van docenten in deze kwetsbare periode kan reduceren. Hoewel er toenemende (beleids) aandacht is voor de begeleiding van startende docenten, zijn toereikende inductiearrangementen in het mbo nog geen staande praktijk. Door middel van een vergelijkende casestudy wordt inzicht verkregen in de vraag of het werken in een professionele leergemeenschap bijdraagt aan de kwaliteit van het (her)ontwerp van inductiearrangementen en welke factoren de kwaliteit van de inductiearrangementen beïnvloeden. Uit de resultaten blijkt dat de PLG-werkwijze volgens de betrokkenen bijdraagt aan de kwaliteit van het (her)ontwerp van het inductiearrangement, o.a. in termen van het organiseren van multiperspectiviteit in het ontwerptraject, het stimuleren van onderzoekend werken en het in gezamenlijkheid ontwerpen van inductiearrangementen. Factoren die de kwaliteit van het inductiearrangement beïnvloeden betreffen o.a. de borging in (inductie)beleid, professionaliteit van begeleiders, facilitering van tijd, rolhelderheid en commitment van betrokkenen.
DOCUMENT
In feite moeten alle opleidingen altijd ‘ín control’ zijn en de toetskwaliteit altijd aan de maat. Om opleidingen te ondersteunen in het continu verbeteren van de toetskwaliteit zijn in opdracht van het College van Bestuur kwaliteitsstandaarden ontwikkeld die onafhankelijk van een didactisch concept en de visie op leren en opleiden, de basiskwaliteit aangeven.
DOCUMENT
Doel. Vaststellen van de psychometrische eigenschappen van de Impact of Weight on Quality of Life-Kids (IWQOL-Kids), een meetinstrument om met lichaamsgewicht samenhangende kwaliteit van leven te meten bij adolescenten van 11 tot 19 jaar. Methode. De IWQOL-Kids werd door 104 adolescenten ingevuld en van hen werden de lengte en het gewicht gemeten. De Pediatric Quality of Life Inventory (PedsQL), een vragenlijst om algemene kwaliteit van leven te meten, werd afgenomen om de convergente validiteit te bepalen. De gevoeligheid voor verandering na een interventie werd vastgesteld. Resultaten. Op drie van de vier schalen was de interne consistentie goed (Cronbach's alpha .81 - .82) en voor één schaal redelijk (Cronbach's alpha .66). Het patroon van correlaties met schalen van de PedsQL ondersteunde de validiteit. De IWQOL-Kids was in staat te discrimineren tussen gewichtsklassen en bleek gevoelig voor verandering na een interventie. Conclusie. De IWQOL-Kids lijkt een valide meetinstrument voor het meten van met lichaamsgewicht samenhangende kwaliteit van leven van adolescenten.
DOCUMENT
Reducing recidivism of individual offenders usually is a multifaceted task. Behavioural interventions, based on the ‘what works principles’ go along with interventions in the domains of education, work, housing and social networks. An integrative approach seems to improve the effectiveness of rehabilitation. In most accreditation panels for offender interventions, continuity in the planning and realization of the various services is one of the criteria. In the Dutch panel a distinction is made between synchronous continuity, that is integration of services at a given point in time, and diachronic, that is integration of the sequence of interventions in the course of the probation process. This contribution focuses on synchronous continuity.
DOCUMENT
Geschreven door Joyce Ramlal, studente bij Petra Biemans aan Hogeschool Inholland.
DOCUMENT