Introduction: The optimal pre-participation screening strategy to identify athletes at risk for exercise-induced cardiovascular events is unknown. We therefore aimed to compare the American College of Sports Medicine (ACSM) and European Society of Cardiology (ESC) pre-participation screening strategies against extensive cardiovascular evaluations in identifying high-risk individuals among 35.50- year-old apparently healthy men. Methods: We applied ACSM and ESC pre-participation screenings to 25 men participating in a study on first-time marathon running. We compared screening outcomes against medical history, physical examination, electrocardiography, blood tests, echocardiography, cardiopulmonary exercise testing, and magnetic resonance imaging. Results: ACSM screening classified all participants as "medical clearance not necessary."ESC screening classified two participants as "high-risk."Extensive cardiovascular evaluations revealed ≥1 minor abnormality and/or cardiovascular condition in 17 participants, including three subjects with mitral regurgitation and one with a small atrial septal defect. Eleven participants had dyslipidaemia, six had hypertension, and two had premature atherosclerosis. Ultimately, three (12%) subjects had a serious cardiovascular condition warranting sports restrictions: aortic aneurysm, hypertrophic cardiomyopathy (HCM), and myocardial fibrosis post-myocarditis. Of these three participants, only one had been identified as "high-risk"by the ESC screening (for dyslipidaemia, not HCM) and none by the ACSM screening. Conclusion: Numerous occult cardiovascular conditions are missed when applying current ACSM/ ESC screening strategies to apparently healthy middle-aged men engaging in their first high-intensity endurance sports event.
Objective: In myocardial perfusion single-photon emission computed tomography (SPECT), abdominal activity often interferes with the evaluation of perfusion in the inferior wall, especially after pharmacological stress. In this randomized study, we examined the effect of carbonated water intake versus still water intake on the quality of images obtained during myocardial perfusion images (MPI) studies. Methods: A total of 467 MIBI studies were randomized into a carbonated water group and a water group. The presence of intestinal activity adjacent to the inferior wall was evaluated by two observers. Furthermore, a semiquantitative analysis was performed in the adenosine subgroup,using a count ratio of the inferior myocardial wall and adjacent abdominal activity. Results: The need for repeated SPECT in the adenosine studies was 5.3 % in the carbonated water group versus 19.4 % in the still water group (p = 0.019). The inferior wall-to-abdomen count ratio was significantly higher in the carbonated water group compared to the still water group (2.11 ± 1.00 vs. 1.72 ± 0.73, p\0.001). The effect of carbonated water during rest and after exercise was not significant. Conclusions: This randomized study showed that carbonated water significantly reduced the interference of extra-cardiac activity in adenosine SPECT MPI. Keywords: Extra-cardiac radioactivity, Myocardial SPECT, Image quality enhancement, Carbonated water
The problem addressed in this report is to verify the possibility of using an optical sensor in the SaxShirt in order to extract the heart rate. There are specifically three questions that we try to address. 1) How is it possible to extract heart rate (BPM) from the optical sensor? 2) Is it possible to use the sensor for extracting BPM during movement? 3) Is the heart rate measured in this way useful for measuring other higher-level parameters such as heart rate coherence and heart rate variability? For this purpose, we have performed tests with the sensor placed on different spots and the data was analyzed to see if heart rate can be extracted from the sensor measurements.
MULTIFILE
Om een nieuwe economie te realiseren die zowel aardse grenzen respecteert als voorziet in menselijke behoeftes, is nieuw ondernemerschap nodig. Huidige vormen van eigenaarschap belemmeren pionierende ondernemers. Nieuwe vormen van eigenaarschap kunnen deze ondernemers helpen. Steward-Ownership (SO) lijkt hiervoor geschikt en wint bovendien aan populariteit in Nederland. Uit onderzoek blijkt dat SOpositieve effecten heeft voor eigenaren en werknemers, het is echter nog niet bekend of SO ook daadwerkelijk helpt in het realiseren van de transitie naar een duurzame economie en wat de effecten zijn op andere stakeholders. Het doel van dit onderzoek is om uit te zoeken in welke mate en op welke manier bedrijven met SO een bedrage leveren aan de transitie naar de nieuwe economie. De onderzoeksvraag luidt: Welke inzichten levert het beschrijven en evalueren van de Common Good-thema’s bij een aantal SO-bedrijven op over de waarde van SO voor deze en andere MKB-bedrijven die overwegen om SO in te zetten als eigendomsvorm voor hun onderneming? We gebruiken daarvoor de Common Good Matrix (CGM),een gevalideerde methode om brede impact vast te stellen. In het onderzoek wordt samengewerkt met 3 MKB-praktijkpartners, te weten We are Stewards, Bord & Stift en NCR. Dit onderzoek is een verkennend onderzoek. Op basis van de uitkomsten zal een meerjarig onderzoeksproject worden opgesteld, om de betekenis van nieuwe vormen van eigenaarschap voor de nieuwe economie te onderzoeken.
De basis voor een goede hechting tussen ouder en kind vindt zijn oorsprong al in de vroege babytijd, en levert de bouwstenen voor de ontwikkeling tot een gezonde en autonome volwassene. Wanneer ouders in staat zijn om een juiste interpretatie te geven aan het gedrag van een baby, zullen zij beter in staat zijn om sensitief te reageren op de behoeftes van de baby. Wanneer een juiste interpretatie door de ouders niet voldoende lukt, zorgt dit vaak voor nog meer stress bij de baby, leidend tot een vicieuze cirkel. Te meer omdat deze groep zichzelf niet kan verduidelijken, is een goede diagnostiek in de thuissituatie nodig om tot de juiste holistische theorie en passende interventie te komen en gezonde ontwikkeling te bevorderen. Systemen voor fysiologische stress beoordeling bij baby’s worden momenteel in klinisch wetenschappelijk onderzoek toegepast. Deze methodologie geeft inzicht in de aanwezigheid van stress over de afgelopen maanden, maar levert geen inzichten in de acute mate van stress. Dit kan nu enkel in ziekenhuizen worden gedaan d.m.v. opplakbare ECG sensoren, welke niet geschikt zijn voor de thuissituatie. Beide methoden leggen geen relatie met de patronen en oorzaken van stress, zoals omgevingsfactoren uit de thuissituatie. Hier worden op dit moment alleen subjectieve indicatiemethoden gebruikt, zoals observatie, ouders moeten vragenlijsten invullen en/of een dagboek bijhouden. In dit KIEM-project werken Saxion lectoraat Sustainable & Functional Textiles, Universiteit Twente vakgroep Human Media Interaction, IMH Nederland en Mentech Innovation samen aan de verkennende ontwikkeling van een meetsysteem. Een non-invasief, textiel meetsysteem dat de baby's over langere tijd kan monitoren in de thuissituatie en direct kan aangeven wanneer er stress ontstaat. Door direct te kunnen constateren wordt het mogelijk, in combinatie met de observaties/vragenlijsten, stress te verbinden aan omgevingsfactoren en kan de oorzaak van stress worden achterhaald.