Under what conditions is end-user training (EUT) as part of the implementation of a business process management (BPM) system successful? This question is addressed in this paper. Based on the literature on EUT and implementation success, we first argue that user involvement with, and attitude towards, a BPM system, both have a conditional effect on the relationship between EUT and the implementation success of the system. Secondly, we investigated this expectation empirically, by measuring the practice of EUT as perceived by end-users. Using a mixed method approach, survey data was collected from 143 end-users of a BPM system in a large Dutch social insurance organisation, and by 49 additional semi-structured interviews. Regression analysis of the survey data shows that attitude variables indeed have a significant moderating influence on implementation success. In addition, the interviews revealed that specific attention must be paid to the arrangements for EUT when deploying BPM systems in this type of organisations. Arguments are given for a more comprehensive way of measuring and optimising EUT during the implementation of information systems/information technology in organisations.
We propose a novel deception detection system based on Rapid Serial Visual Presentation (RSVP). One motivation for the new method is to present stimuli on the fringe of awareness, such that it is more difficult for deceivers to confound the deception test using countermeasures. The proposed system is able to detect identity deception (by using the first names of participants) with a 100% hit rate (at an alpha level of 0.05). To achieve this, we extended the classic Event-Related Potential (ERP) techniques (such as peak-to-peak) by applying Randomisation, a form of Monte Carlo resampling, which we used to detect deception at an individual level. In order to make the deployment of the system simple and rapid, we utilised data from three electrodes only: Fz, Cz and Pz. We then combined data from the three electrodes using Fisher's method so that each participant was assigned a single p-value, which represents the combined probability that a specific participant was being deceptive. We also present subliminal salience search as a general method to determine what participants find salient by detecting breakthrough into conscious awareness using EEG.
We examined the neural correlates of facial attractiveness by presenting pictures of male or female faces (neutral expression) with low/intermediate/high attractiveness to 48 male or female participants while recording their electroencephalogram (EEG). Subjective attractiveness ratings were used to determine the 10% highest, 10% middlemost, and 10% lowest rated faces for each individual participant to allow for high contrast comparisons. These were then split into preferred and dispreferred gender categories. ERP components P1, N1, P2, N2, early posterior negativity (EPN), P300 and late positive potential (LPP) (up until 3000 ms post-stimulus), and the face specific N170 were analysed. A salience effect (attractive/unattractive > intermediate) in an early LPP interval (450–850 ms) and a long-lasting valence related effect (attractive > unattractive) in a late LPP interval (1000–3000 ms) were elicited by the preferred gender faces but not by the dispreferred gender faces. Multi-variate pattern analysis (MVPA)-classifications on whole-brain single-trial EEG patterns further confirmed these salience and valence effects. It is concluded that, facial attractiveness elicits neural responses that are indicative of valenced experiences, but only if these faces are considered relevant. These experiences take time to develop and last well beyond the interval that is commonly explored.
MULTIFILE
Leraren van de Montessori Scholengemeenschap Amsterdam (MSA) hebben binnen de grootstedelijke context te maken met grote uitdagingen ten aanzien van diversiteit en kansengelijkheid. Die uitdagingen vragen om duurzame veranderingen van praktijken en routines in een school en daarmee een gezamenlijke inzet van alle betrokkenen op team- en organisatieniveau. Het gezamenlijk vinden van antwoorden op die uitdagingen vraagt immers om het ontwikkelen en bundelen van kennis en expertise, met andere woorden om het met en van elkaar leren over grootstedelijke onderwijsvraagstukken. Dit vraagt om wezenlijke veranderingen in de wijze waarop leraren van en met elkaar leren. Om die veranderingen te initiëren is een integrale en systemische aanpak nodig waarin interventies worden doorgevoerd om leren op team- en organisatieniveau te stimuleren. De aanpak van dit praktijkprobleem vraagt om een herijking van het beroepsbeeld en –structuur door de leraar als teamspeler te profileren, om wezenlijke transities in de wijze waarop professionalisering van de leraar binnen MSA georganiseerd en uitgedragen wordt en om fundamentele veranderingen in de inrichting van de schoolorganisatie. Dat leidt tot de volgende hoofdvraag: Hoe kan ik interveniëren in een conventioneel schoolsysteem om het leren op team- en organisatieniveau te versterken teneinde bij te dragen aan duurzame school- en onderwijsontwikkeling? Hierbij is de verwachting dat door veranderprocessen en weloverwogen interventies in gang te zetten die zowel de leraar als andere betrokkenen in een schoolsysteem ertoe aanzetten om in georganiseerde vorm met en van elkaar gericht te leren er een duidelijke leercontext gerealiseerd wordt waardoor de leeropbrengsten duurzame school- en onderwijsontwikkeling versterken. Doel van dit PD-traject is derhalve om een verschuiving te realiseren van individueel leren naar team- en organisatieleren binnen MSA waardoor leraren en andere betrokkenen binnen de school gezamenlijk effectiever vorm geven aan duurzame school- en onderwijsontwikkeling.
Eerder onderzoek toont aan dat de leerkrachtinterventies, wanneer leerlingen werken met ICT-roboticaomgevingen, bijdragen aan de beslissingsvaardigheid van leerlingen bij het oplossen van programmeerproblemen. Ook is aangetoond dat het de leerkracht moeite kost om terughoudend te zijn wanneer leerlingen m.b.v. ICT een probleem moeten oplossen. Deze terughoudendheid van de leerkracht is een belangrijke voorwaarde om onderzoekend leren en probleemoplossend handelen op basis van ICT-omgevingen bij leerlingen mogelijk te maken. In plaats van een zekere terughoudendheid te betrachten interveniëren leerkrachten vaak vanuit zichzelf om informatie te verstrekken of wanneer moeilijke problemen opgelost moeten worden waarbij misconcepties dreigen te ontstaan. Het doel van het project is om vast te stellen welke leerkrachtinterventies werken en wat daar de opbrengst van is binnen een ICT-programmeeromgeving. De beoogde resultaten bestaan enerzijds eruit dat leerlingen van zowel onderbouw, middenbouw als bovenbouw in staat zijn om: - te programmeren met behulp van LEGO materiaal; - zodanig te programmeren dat ze systematisch een probleem aanpakken; - zodanig te programmeren dat ze binnen een statische of dynamische programmeeromgeving en programmeerprobleem kunnen oplossen; en bestaan anderzijds eruit dat in kaart wordt gebracht welke leerkrachtinterventies werken en wat daarvan de opbrengst is.
Het RAAK-MKB project "(G)een Moer Aan" heeft zich gericht op het ontwerpen van een veilige en effectieve ondersteuning van een cobot in een productieomgeving. De focus is hierbij gelegd op productiehandelingen die in veel sectoren voorkomen en die relatief veel arbeidstijd kosten, zoals het indraaien van moeren en bouten in een object. Binnen het project is veel kennis opgedaan dit heeft geresulteerd in gripperontwerpen die in staat zijn een bout in een flens te draaien. Daarnaast is kennis gegeneerd van vision technieken om gaten e.d. te detecteren, en het meenemen van (beleefde) veiligheid in het ontwerp van een cobot systeem. Deze nieuw opgedane kennis is erg bruikbaar voor zowel de beroepspraktijk als voor de studenten in het onderwijs. Dat maakt het relevant voor (her)gebruik middels het nieuwe open-acces e-learning platform van Fontys: Open Learning Labs. Door trainingsmateriaal te ontwikkelen dat betrekking heeft op onder andere het aspect veilig ontwerpen, worden toekomstige engineers (de studenten) en zittend personeel bij bedrijven bekend met nieuwe technieken die toepasbaar zijn in diverse sectoren waar met robots gewerkt wordt. Het doel van deze Top-up aanvraag is tweeledig: 1) Het vergroten van de zichtbaarheid van de resultaten uit het initiële RAAK-project, zowel richting onderwijs, onderzoek en beroepspraktijk. 2) Het realiseren van trainingsmateriaal t.b.v. het rekening houden met en veilig ontwerpen van cobotsystemen. Door o.a. kennis aan te dragen omtrent het doen van een correcte risico analyse van het proces. Dit zal bij toekenning stapsgewijs uitgevoerd worden: 1. Definiëren inhoud lesmodules en bijbehorende didactische werkvormen 2. Realisatie PR- & instructievideo's en onderwijsopdrachten 3. Realisatie E-learning lesmodule Dit alles gekoppeld aan het open-acces e-learning platform Open Learning Labs van Fontys.