CLIL Skills is a practical resource book for subject teachers working in bilingual schools. It supports them in their everyday practice and informs them about key CLIL issues. Good CLIL teaching interweaves content and language. This book covers six important CLIL Skills: activating, providing lesson input, guiding and understanding, encouraging speaking and writing, assessing and giving feedback, and using projects. This book is essential reading for CLIL teachers everywhere.CLIL Skills includes:• Over 70 practical lesson ideas• Case studies from schools• Examples and illustrations from teachers• Useful, clearly explained theory• A glossary of handy terms• Activities for teacher development.
MULTIFILE
Uit voorwoord Anton Franken, lid CvB `Smart Sustainable Cities is een platform voor het bedrijfsleven, kennisinstellingen en Hogeschool Utrecht waar gezamenlijk vernieuwende producten en diensten worden ontwikkeld die de realisatie van slimme, duurzame en gezonde steden dichterbij brengt. Startende en ervaren professionals hebben hiermee de mogelijkheid om via het onderwijs of via bij- en nascholing de nieuwste toepasbare kennis en inzichten op dit gebied op te doen. Tevens verricht het platform onderzoek. In projecten werken studenten, bedrijven, docenten en onderzoekers samen om nieuwe kennis en inzichten tot toepassing te brengen. Drie inhoudelijke thema’s staan centraal: ‘Stedelijke gebieden energieneutraal’, ‘Gezonde gebieden gezond gebouwd’ en ‘Duurzaam gedrag: mens en organisatie’ .`
In 2016 startte de Hogeschool van Amsterdam met het project Dashboardmethode. Een dashboard is een visuele weergave van de meest belangrijke informatie die nodig is in het bereiken van één of meerdere doelstellingen: geordend op een enkel scherm zodat de informatie in één oogopslag te lezen is. Meerdere steden gebruiken dergelijke dashboards, soms met een bepaald thema maar veelal om te laten zien hoe het met een stad gaat. Het is maar een voorbeeld van hoe alles in onze steden, onze ‘smart cities’, steeds meer beheerst wordt door dataprocessen en technologie. Betere toegang tot data en meer data lijken hierin het adagium: met meer informatie over problemen kunnen we ook beter beleid vormen omtrent die problemen. Hoewel dit niet evident is – want over wat voor data hebben we het dan eigenlijk? - is er wel een groeiende behoefte aan betere toegang tot data en informatie. Zeker op buurtniveau lijkt er een groeiende behoefte omdat de grote variatie van partijen, bewoners en problemen in een buurt om een effectievere aanpak van grootstedelijke problematiek vraagt. En juist op buurtniveau zien we vaak nog dat informatie niet up-to-date is en/of slecht toegankelijk is. Deze behoefte was aanleiding voor het project Dashboardmethode, waarbij het doel was het ontwikkelen van een methodiek waarbij de informatie over de problemen en ook effecten van interventies op buurtniveau gevolgd kunnen worden, begrepen en weergegeven in een ‘dashboard’. In het project staat de aanvliegroute centraal en willen we inzichtelijk maken (1) hoe de grote variatie van partijen die acteren in buurten hun informatie beter kunnen gaan delen, (2) hoe dit het startpunt wordt van een productieve dialoog waardoor (3) de samenwerking tussen lokale partijen verbetert. De eerste pilot in de Lodewijk van Deysselbuurt is inmiddels in volle gang. In deze pilot zijn we gestart met een netwerk van jongerenorganisaties die zelf een behoefte ervaren om meer kennis te delen met elkaar. In de pilot is een geleide netwerkdialoog gevoerd: in verschillende sessies is een duidelijker beeld ontstaan van de informatiebehoefte van deze professionals en het type en soort informatie dat zij met elkaar willen delen. Door een dergelijke onderhandeling over kennis te voeren wordt er gebruik gemaakt van de lokale kennis aanwezig in een wijk en wordt een informatie ‘overload’ voorkomen. Deze dialogen leidden weer tot verdere inrichting en ontwerp van het platform: zo ontstond er een iteratief proces tussen dialoog en ontwerp. Gebleken in de pilot is dat, in de ontwikkeling van een online platform, dit alleen een ‘tool’ is in het stimuleren van een offline platform, het kan nooit een vervanging zijn. De ‘tool’ op zich is niet de oplossing, maar de aanjager van een oplossing. Daarbij is het essentieel dat de netwerkleden zelf gemotiveerd zijn om een dergelijk platform vorm te geven. Deze motivatie kan alleen ontstaan als zij zelf inzien waarom het platform een mogelijke oplossing kan bieden voor de problemen die zij in hun werk tegenkomen. De nut en noodzaak moet dus duidelijk zijn, zeker met het oog op de verduurzaming van een dergelijk platform. In het vormgeven van het online platform, wordt dus tegelijkertijd ook het offline platform vormgegeven. Om dit mogelijk te maken is het belangrijk om aan te sluiten bij een bestaand netwerk in de wijk, te beginnen bij lokale sleutelpersonen. Deze personen verschaffen toegang tot het netwerk en bieden de mogelijkheid om het netwerk uit te breiden. Dit biedt kansen voor opschaling van het platform.
Met behulp van de aangevraagde KIEM-subsidie willen het lectoraat Netwerkcultuur (Hogeschool van Amsterdam), Domein voor Kunstkritiek, Archined en Kritiklabbet (Zweden) het onderzoek naar (innovatieve vormen van) kunstkritiek internationaal bevorderen door binnen verschillende disciplines en landen een gezamenlijk Europees projectvoorstel vorm te geven. Dit voorstel zal gericht zijn op de ontwikkeling van een platform ten behoeve van kritische reflectie op kunst en cultuur: een cruciaal onderdeel van democratische samenlevingen gericht op de toekomst. Door uitwisseling van ervaringen, tools, netwerk en best practices, zullen kunst- en cultuurredacties, instituties en platforms de krachten bundelen op een manier waarbij lokale identiteit en taal gewaarborgd is. Door twee bijeenkomsten te organiseren beoogt het lectoraat een internationaal consortium op te stellen en een onderzoeksvoorstel op te stellen en indienen, binnen de regeling Creative Europe of vergelijkbaar.
Het aantal winkelbezoekers loopt in Europa al jaren terug, vooral in economisch zwakkere regio’s. Dit geldt in het bijzonder voor ouderen, waarvan de verwachting is dat ze in de toekomst fysieke winkels nog meer de rug zullen toekeren. Om de winkelervaring te verbeteren, investeren winkeliers steeds meer in opkomende digitale technologieën zoals apps, interactieve en digitale schermen, sociale robots en zelfscankassa’s. Deze instore technologieën slaan vooral bij jongere klanten aan, oudere klanten blijken door hun beperkingen (o.a. zien, horen, mobiliteit, informatieverwerking en digitale vaardigheden) nog steeds veel barrières te ervaren bij het bezoek aan winkels en het gebruik van instore technologieën. Dit is niet alleen nadelig voor winkeliers omdat ouderen een substantieel, stijgend, en koopkrachtig deel van de bevolking vertegenwoordigen dat relatief trouw is aan regionale winkelgebieden, maar het zet ook de inclusie van ouderen in Europa onder druk omdat winkelbezoek bijdraagt aan hun sociale welbevinden. Met dit onderzoeksproject onderzoekt het nieuwe consortium van twee hogescholen en drie buitenlandse universiteiten hoe instore technologieën ouderen in Europa kunnen helpen bij het wegnemen van barrières om tot een goede winkelervaring te komen. Het project brengt de onderzoeksprogramma’s van het lectorenplatform Retail Innovation Platform (Hogeschool van Amsterdam, Hogeschool Saxion), de Retail en Marketingtechnologie groep (University of Bristol), de human-computer interaction groep (University of Calabria), en de engaging co-design research group (Aalto University) samen. Het project sluit aan bij nationale en Europese initiatieven zoals de Kennis- en Innovatieagenda Sleuteltechnologieën 2024-2027, The DIGITAL Europe Programme en de Strategy for the rights of persons with disabilities 2021-2030. Door de relaties tussen ouderen, opkomende digitale technologie, en winkelgedrag over verschillende Europese regio’s te onderzoeken, sluit het project tevens aan bij Interreg Europa en het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling.
Binnen dit Europees project zal met samenwerkingspartners uit Nederland, België en Slowakije samengewerkt worden aan een systeem voor het detecteren van online hate speech in de verschillende Europese talen. Het project richt zich op het ontwikkelen en opzetten van een monitor van online hatespeech en desinformatie: de European Observatory of Online Hate . De inzichten worden verwerkt in informatie dashboards, rapportages en bijeenkomsten voor relevante stakeholders op het gebied van beleidzaken, veiligheid en sociaal werk.Doel Met dit project wordt een Europees onderzoekscentrum naar onlinehaatspraak en desinformatie opgezet: European Observatory of Online Hate (EOOH). De opgedane inzichten moeten experts helpen om onder andere online radicalisering vroegtijdig te detecteren in de 24 landstalen van de Europese Unie. Bij dit project wordt een netwerk aan experts opgebouwd om de observaties om te zette naar inzichten en concreet beleid. Resultaten Dit project richt zich op de volgende doelen: Inzicht in online verspreiding hate speech en desinformatie Versterken samenwerking en kennisuitwisseling met stakeholders in de praktijk in de publieke en private sector. Bewustwordingscampagnes i.h.b. gericht op jongeren ResultatenHet project heeft al geleid tot verschillende resultaten waaronder de volgende blogs: Facebook revelations and the fundamental problems of platform monopolies Moderation after the deed always comes too late Meer resultaten waaronder andere blogs en nieuwsbrieven zijn te vinden op: eooh.eu Looptijd 01 januari 2021 - 01 juli 2023 Aanpak Ontwikkelen van Explainabale AI technologie voor online hate speech detectie en monitoring en een lexicon in 24 EU talen. Bij de European Observatory of Online Hate (EOOH) worden meer dan 50 experts en organisaties betrokken, van AI onderzoekers, sociaal werk deskundigen, Europese politiediensten, mensenrechtenorganisaties tot beleidsmakers. Doorwerking van het onderzoek Inzichten in verspreiding en adequate counter narratieven en interventies voor online social werk onderwijs. Inzichten voor de beroepspraktijk voor AI onderzoek, sociaal werk deskundigen, Europese politiediensten, mensenrechtenorganisaties en beleidsmakers.