DOEL. Dit artikel beoogt een kritische analyse te geven van de manier waarop het begrip Evidence Based Practice in de literatuur doorgaans wordt ingevuld, waarna mogelijkheden worden geschetst de in het artikel geconstateerde bezwaren te ondervangen. METHODE. Er is literatuuronderzoek gedaan naar de manier waarop EBP in de literatuur wordt ingevuld. RESULTAAT. Hoewel in de literatuur met betrekking tot EBP wordt aangegeven dat het handelen van professionals gebaseerd zou moeten zijn op een integratie van wetenschappelijk onderzoek, klinische expertise en cliëntenvoorkeuren, krijgt de bron van het wetenschappelijk onderzoek de meeste nadruk. Binnen dit wetenschappelijk onderzoek wordt kwantitatief onderzoek bovendien doorgaans hoger gewaardeerd dan kwalitatief onderzoek. De andere kennisbronnen (deskundigheid van de cliënt en expertise van de verpleegkundige) die bij EBP worden onderscheiden, blijven veelal onderbelicht. DISCUSSIE EN CONCLUSIE. De manier waarop EBP meestal wordt ingevuld en geïmplementeerd brengt een aantal beperkingen met zich mee. Voorbeelden hiervan zijn de beperkte aandacht voor: de kern van het verplegen, de interactie tussen de cliënt en de verpleegkundige, de context of de cultuur waarin de zorgverlening plaatsvindt, het benutten van de ervaringsdeskundigheid van de cliënt en de expertise van de verpleegkundige zelf. In het artikel worden suggesties gegeven om deze beperkingen te ondervangen, zodat EBP inderdaad de integratie wordt van de verschillende kennisbronnen die in de literatuur worden onderscheiden en EBP met mogelijk meer succes kan worden geïmplementeerd.
Inmiddels weten we dat veel patiënten geen op onderzoeksresultaten gebaseerde zorg krijgen of zorg krijgen die overbodig of zelfs potentieel schadelijk is. Ondanks deze kennis is minder bekend hoe deze internationaal bestaande kloof tussen onderzoek en de verpleegkundige praktijk te overbruggen is. Gebruikelijke implementatiestrategieën die deze kloof proberen te dichten, zijn vaak gericht op de individuele professional en minder vaak op de sociale omgeving of de context waarin de verpleegkundige werkzaam is. In het proefschrift van Gerda Holleman probeert zij meer inzicht te krijgen in de rol die de context heeft bij het implementeren van evidence-based practice (EBP) in de verpleegkundige praktijk. Ze maakt een onderscheid tussen drie elementen in de sociale context: de professionele verpleegkundige beroepsorganisaties, de verpleegkundige opinieleider (een gerespecteerd persoon in een gezondheidszorgorganisatie die innovatiekennis heeft en gemotiveerd is implementatie tot een succes te maken) en de verpleegkundige teams.
LINK
Als hulpverlener en als docent is het belangrijk dat je op de hoogte bent van de laatste ontwikkelingen in je vakgebied. Het laatste decennium wordt veel aandacht besteed aan de wetenschappelijke onderbouwing van diverse beroepen in de gezondheidszorg, de zorg dient 'evidence based' te zijn. In dit artikel wordt geschetst wat de uitgangspunten van de opleidingen zijn en volgens welke methodiek de implementatie wordt aangepakt.
In the Netherlands, 125 people suffer a stroke every day, which annually results in 46.000 new stroke patients Stroke patients are confronted with combinations of physical, psychological and social consequences impacting their long term functioning and quality of live. Fortunately many patients recover to their pre-stroke level of functioning, however, almost half of them never will. Consequently, rehabilitation often means that patients need to adapt to a new reality in their lives, requiring not only physical but also psychosocial adjustments. Nurses play a key role during rehabilitation of stroke patients. However, when confronted with psychosocial problems, they often feel insecure about identifying the specific psycho-social needs of the individual patient and providing adequate care. In our project ‘Early Detection of Post-Stroke Depression’, (SIA RAAK; 2010-12-36P), we developed a toolkit focusing on early identification of depression after stroke continued with interventions nurses can use during hospitalisation. During this project it became clear that evidence regarding possible interventions is scarce and inclusive. Moreover feasibility of interventions is often not confirmed. Our project showed that during the period of hospital admission patients and health care providers strongly focus on surviving the stroke and on the physical rehabilitation. Therefore, we concluded that to make one step beyond we first have to go one step back. To strengthen psychosocial care for patients after stroke we have to add, reconsider and shape knowledge in context of health care practices in a systematic way, resulting in evidence based and practice informed stepping stones. With this project we aim to collect these stepping stones and develop a nursing care programme that improves psychosocial well-being of patients after stroke, is tailored to the particular concerns and needs of patients, and is considered feasible for use in the usual care process of nurses in the stroke rehabilitation pathway.
Aanleiding Mede door de vergrijzing groeit de zorgvraag in Nederland. Tegelijkertijd vallen veel verpleegkundigen uit door fysieke en mentale arbeidsbelasting. Dit begint al tijdens de opleiding/aan de start van de loopbaan. Dreigende arbeidstekorten en decentralisatie in de zorg vragen om verpleegkundigen die regie kunnen voeren over hun eigen werkgerelateerde gezondheid. Er is nog weinig wetenschappelijke kennis over het vroegtijdig signaleren en aanpakken van uitval onder verpleegkundigen. Bovendien hapert de invoer van effectieve interventies. Daarom willen zorginstellingen, verpleegkunde-opleidingen en wetenschappelijke organisaties onderzoek doen naar de oorzaken van uitval en een instrument ontwikkelen om problemen vroegtijdig te herkennen en te ondervangen. Doelstelling Het consortium wil een wetenschappelijk en praktisch onderbouwd instrumentarium ontwikkelen voor het signaleren van risicofactoren, gezondheidsproblemen, productiviteitsverlies en uitval bij stagiairs en beginnende verpleegkundigen, met daaraan gekoppeld effectieve preventieve interventies voor in de onderwijs- en stagepraktijk. Het programma kent twee fases. 1) literatuuronderzoek, kwalitatief onderzoek naar nog onbekende risicofactoren en longitudinaal cohortonderzoek vormen de basis voor een signaleringsinstrument/predictiemodel. In het cohortonderzoek worden van 750 (aankomend) verpleegkundigen 2,5 jaar de determinanten voor uitval gemonitord. In expertmeetings selecteert men vervolgens 6 evidencebased interventies. 2) het onderzoeksteam pre-test deze interventies op eerste haalbaarheid bij studenten verpleegkunde met risico. De 2 kansrijkste interventies, één voor mentale en één voor fysieke werkbelasting, worden in pilots op effectiviteit getoetst. In het onderzoek zet men de psychometrisch beproefde meetinstrumenten in van de European Nurses Early Exit Study (online enquêtes), aangevuld met inzichten uit interviews, fysieke metingen en praktijkobservaties. Beoogde resultaten De beoogde resultaten van het project zijn: " inzicht in de fysieke en mentale problemen van verpleegkundigen; " een gevalideerd predictiemodel voor geïndiceerde preventie in de zorg; " good practices en een kant-en-klare webapplicatie voor vroegsignalering met interventies in het stageonderwijs en het werkveld om uitval te voorkomen; " valorisatie van kennis in co-creatie met studenten, zorginstellingen en zorgprofessionals in de regio; " kennisinput voor de opleidingen Nurse practitioner, Verpleegkunde, Arbeid en Gezondheid, HRM. Een grote groep studenten is respondent in het onderzoek. In de uitvoering participeren ook studenten en daarnaast onder meer lectoren, onderzoekers en docenten van Hogeschool Rotterdam en twee promovendi. Voor de wetenschappelijke disseminatie worden refereerbijeenkomsten en presentaties gehouden op internationale congressen, en proefschriften en artikelen geschreven gepubliceerd. De verspreiding onder maatschappelijke partners gebeurt via vakpublicaties, expertmeetings en een slotsymposium. Met internationale partners uit het netwerk worden mogelijkheden verkend voor internationale parallelstudies.