PURPOSE OF REVIEW: Sarcopenic obese in older ICU patients may have a higher risk of poor recovery during and after ICU stay, which may lead to longer hospital stay and poor quality of life. In this review, causes, consequences, and nutrition strategies to combat sarcopenic obesity in the ICU are discussed.RECENT FINDINGS: Physical inactivity, inflammation, anabolic resistance, as well as disturbances in hormone levels are, important causes for the strongly accelerated decline in muscle mass and muscle strength in ICU patients. These causes may lead to changes in amino acid metabolism and anabolic resistance. Obese individuals show specific muscle characteristics (e.g. adipose infiltration, lower capillary density) which are associated with impaired functionality. Specific energy and protein intake recommendations are needed to attenuate sarcopenic obesity in ICU patients.SUMMARY: Nutrient utilization in sarcopenic obese ICU patients is a complex challenge as many metabolic factors and clinical situations may impact the efficacy of nutritional interventions. Nutritional strategies should consist of high-protein and hypocaloric feeding along with nonprotein sources such as vitamin D, omega-3 fatty acids, or physical activity. There is a great need, however, for randomized controlled trials (RCTs) combining various nutritional strategies with physical activity in sarcopenic obese ICU patients.
LINK
BACKGROUNDLung protective ventilation is considered standard of care in the intensive care unit. However, modifying the ventilator settings can be challenging and is time consuming. Closed loop modes of ventilation are increasingly attractive for use in critically ill patients. With closed loop ventilation, settings that are typically managed by the ICU professionals are under control of the ventilator's algorithms.OBJECTIVESTo describe the effectiveness, safety, efficacy and workload with currently available closed loop ventilation modes.DESIGNSystematic review of randomised clinical trials.DATA SOURCESA comprehensive systematic search in PubMed, Embase and the Cochrane Central register of Controlled Trials search was performed in January 2023.ELIGIBILITY CRITERIARandomised clinical trials that compared closed loop ventilation with conventional ventilation modes and reported on effectiveness, safety, efficacy or workload.RESULTSThe search identified 51 studies that met the inclusion criteria. Closed loop ventilation, when compared with conventional ventilation, demonstrates enhanced management of crucial ventilator variables and parameters essential for lung protection across diverse patient cohorts. Adverse events were seldom reported. Several studies indicate potential improvements in patient outcomes with closed loop ventilation; however, it is worth noting that these studies might have been underpowered to conclusively demonstrate such benefits. Closed loop ventilation resulted in a reduction of various aspects associated with the workload of ICU professionals but there have been no studies that studied workload in sufficient detail.CONCLUSIONSClosed loop ventilation modes are at least as effective in choosing correct ventilator settings as ventilation performed by ICU professionals and have the potential to reduce the workload related to ventilation. Nevertheless, there is a lack of sufficient research to comprehensively assess the overall impact of these modes on patient outcomes, and on the workload of ICU staff.
MULTIFILE
BACKGROUND: Findings on the association between early high protein provision and mortality in ICU patients are inconsistent. The relation between early high protein provision and mortality in patients receiving CRRT remains unclear. The aim was to study the association between early high protein provision and hospital and ICU mortality and consistency in subgroups.METHODS: A retrospective cohort study was conducted in 2618 ICU patients with a feeding tube and mechanically ventilated ≥48 h (2003-2016). The association between early high protein provision (≥1.2 g/kg/day at day 4 vs. <1.2 g/kg/day) and hospital and ICU mortality was assessed for the total group, for patients receiving CRRT, and for non-septic and septic patients, by Cox proportional hazards analysis. Adjustments were made for APACHE II score, energy provision, BMI, and age.RESULTS: Mean protein provision at day 4 was 0.96 ± 0.48 g/kg/day. A significant association between early high protein provision and lower hospital mortality was found in the total group (HR 0.48, 95% CI 0.39-0.60, p = <0.001), CRRT-receiving patients (HR 0.62, 95% CI 0.39-0.99, p = 0.045) and non-septic patients (HR 0.56, 95% CI 0.44-0.71, p = <0.001). However, no association was found in septic patients (HR 0.71, 95% CI 0.39-1.29, p = 0.264). These associations were very similar for ICU mortality. In a sensitivity analysis for patients receiving a relative energy provision >50%, results remained robust in all groups except for patients receiving CRRT.CONCLUSIONS: Early high protein provision is associated with lower hospital and ICU mortality in ICU patients, including CRRT-receiving patients. There was no association for septic patients.
Bedrijfsovername is een grote uitdaging voor agrarische familiebedrijven, waarbij het sociaal-emotioneel welzijn van de familie is geïdentificeerd als een belangrijk knelpunt. Vanuit het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK) en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) is in 2019 het beleidsprogramma Duurzame Bedrijfsopvolging gestart om het aantal succesvolle bedrijfsoverdrachten te verhogen. Een belangrijk onderdeel hiervan is een op te richten Kenniscentrum. Dit project wil het Kenniscentrum voeden met onderzoek naar de familiale dimensie van bedrijfsopvolging. Het praktijkonderzoek wordt uitgevoerd door een consortium bestaande uit het Lectoraat Familiebedrijven van Hogeschool Windesheim, Aeres Hogeschool Dronten, Van Hall Larenstein Leeuwarden, het Fries Sociaal Planbureau, het NAJK en LTO Noord. Doel van dit project is het inventariseren en evalueren van de ondersteunende advies- en kennisinfrastructuur op de familiale dimensie bij het opvolgingstraject van agrarische familiebedrijven. Dit doen we door inzichten op te halen bij zestien agrarische bedrijfsfamilies, in verschillende stadia van het opvolgingsproces. In het project vergelijken we hoe de families en de ondersteunende advies- en kennispartijen omgaan met de belangen en behoeften van verschillende familieleden (opvolgers, overdragers, partners en niet-opvolgers) tijdens het opvolgingsproces. Daarnaast wordt kwantitatief onderzoek gedaan onder studenten op de twee deelnemende agrarische hogescholen, om de behoeften en verwachtingen van potentiële opvolgers en niet-opvolgers ten aanzien van bedrijfsoverdracht in kaart te brengen. Het project moet resulteren in gevalideerde verbetervoorstellen (stappenplannen) voor zowel agrarische bedrijfsfamilies als adviseurs gericht op de verschillende stadia van bedrijfsopvolging. Ook worden spelvormen ontwikkeld om moeilijke en relationeel ingewikkelde onderwerpen beter bespreekbaar te maken in het agrarisch onderwijs. Tot slot worden de resultaten van het onderzoek geschikt gemaakt voor gebruik binnen agrarische scholen om het curriculum over de zachte kant van bedrijfsopvolging te versterken.
Vanwege veranderende onderwijskundige inzichten - 21st century learning - worden schoolgebouwen verbouwd of vervangen door nieuwbouw. Deze 21st century leeromgevingen blijken in de praktijk niet te voldoen aan de verwachting van de gebruikers. Het ontwikkelen en gebruiken van een 21st century leeromgeving stelt blijkbaar specifieke eisen aan de 21st century competenties van alle betrokkenen. Dit roept vragen op ten aanzien van product en proces. De beantwoording van deze vragen vereist kennis van wisselwerking tussen psycho-sociale leeromgeving en fysieke leeromgeving. Het betreft onder andere de benodigde “ruimtelijke competenties” van de betrokkenen om de fysieke leeromgevingen te ontwikkelen en te gebruiken en - andersom - hoe de fysieke leeromgeving de ontwikkeling van 21st century competenties beïnvloedt. De kiem voor dit onderzoeksproject is gelegd toen scholen en vormgevers deze vragen voorlegden aan experts van de NHL Hogeschool en TU Eindhoven. Dit KIEM project wil de probleemstelling in één of meerdere praktijkvragen articuleren door het uitvoeren van een reeks workshops met een focusgroep van stakeholders. De uitkomsten hiervan zullen worden vertaald naar een voorstel voor een langduriger onderzoeksproject. In dit beoogde vervolgproject zullen de gearticuleerde vragen worden vertaald naar één of meer praktijkonderzoeken waarin wetenschappelijke kennis en methodes worden doorontwikkeld en beproefd op het effectief stimuleren van 21st century vaardigheden van docenten en vormgevers in praktijksituaties. Dit project maakt deel uit van de opbouw van een regionaal kennisnetwerk Onderwijs & Ruimte, wat op een duurzame wijze wil bijdragen aan de kennisontwikkeling en -deling betreffende de 21st century leeromgeving. De kern van dit netwerk wordt gevormd door de initiatiefnemers van deze aanvraag; Adema Architecten (MKB), lectoraat Open Innovation van de NHL Hogeschool (Onderzoeksinstelling) en Next Level (Onderwijs).
The focus of this project is on improving the resilience of hospitality Small and Medium Enterprises (SMEs) by enabling them to take advantage of digitalization tools and data analytics in particular. Hospitality SMEs play an important role in their local community but are vulnerable to shifts in demand. Due to a lack of resources (time, finance, and sometimes knowledge), they do not have sufficient access to data analytics tools that are typically available to larger organizations. The purpose of this project is therefore to develop a prototype infrastructure or ecosystem showcasing how Dutch hospitality SMEs can develop their data analytic capability in such a way that they increase their resilience to shifts in demand. The one year exploration period will be used to assess the feasibility of such an infrastructure and will address technological aspects (e.g. kind of technological platform), process aspects (e.g. prerequisites for collaboration such as confidentiality and safety of data), knowledge aspects (e.g. what knowledge of data analytics do SMEs need and through what medium), and organizational aspects (what kind of cooperation form is necessary and how should it be financed).