Hoofdstuk in The history of youth work in Europe and its relevance for youth policy today. Youth work in the Netherlands goes back a long way and since the 1970s has taken on a rather strong professional image. During the last decades, it went through some hard times, but recently it has undergone a revival and revaluation. (Griensven & Smeets, 2003). The first section of this paper is about how the characteristics of the Dutch affect social work and youth work concepts. The second part discusses the Dutch framework for youth work: definition, fields of activities, core tasks and the ambiguous relationship between youth work and social work. The third section deals with the history of youth work. The paper concludes with a reflection on the future directions that youth work could take. The article is based on Dutch historical research, some by the author, and the author’s involvement in youth work, both as a youth worker and editor- in- chief of the semi-scientific journal Jeugd en samenleving.
Sinds enige jaren gaan veel van de discussies en gesprekken in de sociale sector over de nieuwe wet op maatschappelijke ondersteuning, de Wmo. Die vervangt onder meer de Welzijnswet en de Wet Voorzieningen Gehandicapten. Het is goed dat substantiële delen van beleid af en toe groot onderhoud krijgen, gelet op het gecombineerde effect van een zich steeds ontwikkelende maatschappij, voortschrijdend inzicht in welk beleid effectief is en verschuivende voorkeuren in de samenleving. Nieuw beleid brengt ook onzekerheid en onwennigheid met zich mee. Het vraagt verandering en aanpassing. Niet altijd is bij de goedkeuring van nieuw beleid meteen duidelijk hoe de uitvoering gaat verlopen, hoe één en ander er bij de implementatie van het beleid uit gaat zien. Over de invoering van de Wmo is al veel gezegd en geschreven. In deze publicatie trachten we de consequenties van de Wmo in beeld te brengen vanuit het perspectief van de professionals uit de sociale sector. Welke sociale interventies moeten ze uit hun gereedschapsbak verwijderen, welke nieuwe instrumenten komen erbij, welke nieuwe kwaliteiten moet de professional in huis hebben?
Dit document is opgesteld door onderzoekers van het lectoraat Armoede Interventies op basis van uitgebreid onderzoek naar dit onderwerp en bestemd als naslagwerk voor docenten van de opleiding Social Work. Volgens ons verdient het onderwerp jeugd in armoede specifieke aandacht in het onderwijs. Armoede raakt immers aan alle problemen waar studenten Social Work mee te maken krijgen. Armoede wordt vaak van generatie op generatie doorgegeven en daarmee is ‘jeugd in armoede’ een onderwerp dat van belang is voor alle sociaal werkers. Ook voor de (toekomstige) professionals die zich niet specialiseren op het onderwerp ‘jeugd’. Met dit document willen we docenten handvatten bieden om dit belangrijke thema op een actuele en omvattende wijze aan te bieden aan studenten. We hopen dat dit document inspireert om studenten kennis te laten nemen van de problematiek rond jeugd in armoede en met elkaar tijdens de lessen hierover in gesprek te gaan. Zo dragen we er samen zorg voor dat de professional van morgen goed onderlegd is in het signaleren van financiële problematiek, in het begeleiden van kwetsbare gezinnen met financiële problemen, en in het doorverwijzen naar en het integrale samenwerken met onder andere de schulddienstverlening.
Leerkrachten van basisscholen ervaren handelingsverlegenheid bij het lesgeven aan leerlingen met autisme spectrum stoornis (ASS). Dit is een urgent probleem, want sinds de invoering van de Wet Passend onderwijs in 2014 zijn leerkrachten in het regulier onderwijs zelf verantwoordelijk voor het aanbieden van een passend onderwijsaanbod voor alle kinderen en worden leerkrachten in het speciaal (basis-)onderwijs geconfronteerd met zwaardere problematiek. Bovenstaande sluit aan bij de thema?s ?adaptief onderwijzen? en ?talentontwikkeling?, die hoog op de agenda staan van landelijke en regionale onderwijsinstellingen. De vraag die leerkrachten stellen is: Hoe zorg ik ervoor dat kinderen met ASS zelfstandig werken in de klas, zodat zij het optimale halen uit zichzelf en mee kunnen komen met de rest van de klas? Een voorbeeld van deze vraag is te vinden op zien op deze video: https://vimeo.com/138308381 (Wachtwoord: Raak040915). Om deze vraag te beantwoorden, wordt in dit project de TalentenKracht werkwijze uitgewerkt. Hiermee leert de leerkracht de verborgen talenten boven te halen bij de leerling met ASS en tegelijkertijd het talent bij zichzelf om de leerling met ASS adequaat te kunnen coachen. Hierdoor ontstaat een positieve talentspiraal. Het project wordt uitgevoerd door een consortium bestaande uit de schoolbesturen van RENN4 Noord-Nederland, SCSOG Groningen en COG Assen, het lectoraat Leren en Gedrag ingebed in het Lectoraat Integraal Jeugdbeleid (IJB), de Pedagogische Academie en Toegepaste Psychologie van de Hanzehogeschool Groningen, Orthopedagogiek van de Rijksuniversiteit Groningen en de onderzoeksafdeling van RENN4. Na afloop van dit project kunnen leerkrachten een positieve talentspiraal op gang brengen in de dagelijkse klassenpraktijk. Ook hebben zij de beschikking over een methode netwerkleren, waarmee op een duurzame manier gewerkt kan worden aan professionalisering wat betreft het werken met kinderen met ASS. Via diverse kanalen wordt de kennis beschikbaar gesteld voor een bredere groep scholen en het onderwijs- en onderzoeksveld.
Sinds de invoering van de Jeugdwet op 1 januari 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor zowel het preventief jeugdbeleid (waaronder de jeugdgezondheidszorg) als de (gespecialiseerde) jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering. In veel gemeenten is gekozen voor het werken met wijkteams om deze verantwoordelijjkheid vorm te geven. In Amsterdam zijn dit de zgn. Ouder- en Kindteams (OKT’s). In deze teams werken jeugdgezondheidszorg en jeugdhulp samen. Als onderdeel van de preventieve taak kent de gemeente Amsterdam de Amsterdamse Aanpak Gezond Gewicht (AAGG). Deze aanpak kent verschillende onderdelen. Eén daarvan is de begeleiding van gezinnen met kinderen met morbide obesitas door de jeugdverpleegkundige vanuit de OKT’s. De jeugdverpleegkundige is daarbij de centrale zorgverlener (CZV) en coördineert de hulp rond het gezin en aan het kind. Dit is een nieuwe rol die nieuwe competenties van hen vergt. Niet langer draait de jeugdverpleegkundige een spreekuur voor ouders om de ontwikkeling van jonge kinderen te volgen. Als CZV werkt de jeugdverpleegkundige samen met andere disciplines rond het gezin, heeft een blijvende lerende attitute, heeft een flexibele houding en stelt het zelfmanagement van gezinnen centraal. Dit vergt nieuwe, 21st century competenties (Noorda, 2012). In de project werken de Gemeente Amsterdam (AAGG), de GGD Amsterdam, het Lectoraat Kwaliteit & Effectiviteit in de Zorg voor Jeugd, de opleiding Verpleegkunde en het uistroomprofiel jeugdzorgwerker (allen Hogeschool van Amsterdam) samen om de kerncompetenties voor de CZV in kaart te brengen en na te gaan hoe (toekomstige) jeugdverpleegkundigen het beste voorbereid kunnen worden op hun rol als CZV. Dit gebeurt aan de hand van focusgroepen met jeugdverpleegkundigen en interviews met 5 gezinnen en de bij hen betrokken hulpverleners. Producten zijn: lijst met kerncompetenties voor de CZV, factsheet met do’s en don’ts voor de CZV, een verslag, een artikel in een vakblad en lessen/een training voor de minor Kind (Verpleegkunde) en de uitstroomprofiel jeugdzorgwerker.