Er zullen de komende jaren nog veel stappen moeten worden gezet om de transformatiedoelen te realiseren. Ik duid deze doelen aan als wonderwoorden. Ze zweven door het publieke debat, maar lijken door de verschillende perspectieven enigszins ongrijpbaar. We krijgen er in gezamenlijkheid onvoldoende grip op, waardoor we in de praktijk verschillende kanten op werken. We verwachten wonderen van op de werkvloer ambigue begrippen. Ik presenteer u mijn centrale stelling voor vandaag, voor morgen en de jaren die komen gaan: Aan de wonderwoorden van de transformatie kunnen we in de praktijk slechts betekenis en gevolg geven als we op de werkvloer van het opvoeden en opgroeien de interprofessionele dialoog over die wonderwoorden tot het nieuwe normaal maken. Deze opgave tot dialoog als het ‘normale doen’ geldt niet exclusief de jeugdhulp − ik kan dat niet genoeg benadrukken. Deze opgave geldt veel meer partijen die met opgroeien en opvoeden te maken hebben. Het is daarmee ook een opgave voor ‘de jeugdhulp’ om de blik nog meer naar buiten te richten. En een opgave voor gemeenten en organisaties om de dialoog mogelijk te maken. Een opgave om met al die partijen daadwerkelijk betekenis te geven aan de wonderwoorden van de transformatie. Een opgave om het, in de kern, op de werkvloer eens te worden over hoe om te gaan met de wonderwoorden. Om ten minste elkaars perspectieven te kennen, die te respecteren en ervan te leren. Kortom, een opgave om over de grenzen van de eigen professie heen te kijken en open te staan voor wat zich buiten die grenzen afspeelt. In deze rede zal ik mijn stelling toelichten. Ik loop de eerste vier wonderwoorden achtereenvolgens met u langs. Waar staan we in de realisatie van deze transformatiedoelen? Wat zijn de dilemma’s en knelpunten bij de realisatie ervan? Ik realiseer me dat elk wonderwoord afzonderlijk een verhandeling van 45 minuten verdient. Dat zal ik u niet aandoen. Bij elk van de wonderwoorden schets ik een aantal van mijn observaties, mede geïnspireerd door onderzoek dat ik samen met oud-collega’s van het Verwey-Jonker Instituut de afgelopen jaren op verschillende plekken in het land heb mogen doen. Afsluitend ga ik daarbij in op de implicaties voor het wonderwoord ‘professionele ruimte’, het vijfde transformatiedoel. Vervolgens schets ik mijn/onze plannen met het lectoraat voor de komende jaren, nadrukkelijk in verbinding met het Kennisnetwerk Jeugd Haaglanden. Dan ga ik natuurlijk ook in op de wijze waarop we met het lectoraat een stevige bijdrage willen leveren aan de opleidingen aan deze hogeschool, in het bijzonder de opleidingen van de Faculteit Sociaal werk & Educatie: Social work, Pedagogiek en de Pabo.
De gemiddelde lengte van de uitingen van een kind is een veelgebruikte meting en een goede indicatie voor zijn/ haar vroege taalverwerving. In deze studie werden normen voor het Nederlands opgesteld van de gemiddelde ‘Mean Length of Utterance’ in morfemen (MLU-m) en woorden (MLU-w) tijdens de spontane taal van normaal ontwikkelende eentalige kinderen tussen 2 en 7 jaar. Daarnaast werd gepoogd ook normen op te stellen voor het Nederlands van de gemiddelde MLU-m en MLU-w tijdens de spontane taal van normaal ontwikkelende meertalige kinderen tussen 4 en 6 jaar. Hiervoor werden spontane taalstalen van 47 eentalige en 19 meertalige normaal ontwikkelende kinderen tussen 2;3 en 7;11 jaar opgenomen en getranscribeerd met ‘Praat’ software. Voor elk taalstaal werden de MLU-m en MLU-w berekend. Het gemiddelde en de standaarddeviatie van de MLU-m en MLU-w werden gerapporteerd per leeftijdsinterval van 1 jaar voor zowel de een- als meertaligen. De resultaten toonden een leeftijdsgebonden stijging van de MLU-m en MLU-w bij de eentalige kinderen. De opgestelde normtabel kan als richtlijn dienen bij het beoordelen van de taalverwerving van een normaal ontwikkelend eentalig kind met Nederlands als moedertaal. Verder werd een leeftijdsgebonden stagnatie van de MLU-m en MLU-w vastgesteld bij de meertalige kinderen. De meertalige proefgroep in deze studie was echter te beperkt in aantal en te heterogeen om een representatieve normtabel op te stellen die kan worden gebruikt in de klinische praktijk.
In het RAAK-MKB project MKB@Work ontwikkelde het lectoraat Juridische Aspecten van de Arbeidsmarkt (JAA) van het Marian van Os Centrum voor Ondernemerschap van de Hanzehogeschool Groningen, samen met o.a. mkb-bedrijven, grote bedrijven, MKB-Nederland Noord en vijf arbeidsmarktregio's, aandachtspunten voor een creatievere omgang met wet- en regelgeving bij de samenwerking van mkb met gemeenten, vanuit het gezamenlijke doel meer mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt te plaatsen op de werkplekken die het mkb creëert. De resultaten van het project zijn breed verspreid onder zowel ondernemers als overheid als kandidaten. Onder andere bij de landelijke praktijktafel van De Normaalste Zaak, die was georganiseerd op 26 maart 2018, waar meer dan tachtig werkgevers en vijf Tweede Kamerleden aanwezig waren, en op het eindcongres op 7 juni 2018 waar 100 deelnemers aanwezig waren, zowel mkb-bedrijven als gemeenten als kandidaten. Een belangrijk thema dat een nadere uitwerking verdiend is de aansluiting tussen opleidingen die zowel mkb'ers aanbieden als gemeenten als mbo-instellingen. Ondernemers starten bedrijfsscholen waar ze mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt opleiden op de werkplek naast de opleidingen die gemeenten aanbieden voor uitkeringsgerechtigden om ze klaar te stomen voor werk en naast de volwasseneducatie en inburgeringscursussen van het mbo. De drie partijen zien het belang van samenwerking, maar deze komt niet van de grond. “We kennen elkaar, maar doen niets samen, het is los zand. Hoe kunnen we elkaar ondersteunen?” Uit MKB@Work blijkt dat een verschil in belangen en concurrentie hierbij een rol spelen. Met de Top-up subsidie kan de Hanzehogeschool vanuit een overstijgende rol inzicht bieden in de behoeften van de verschillende partijen en een werkproces ontwikkelen waardoor partijen helder krijgen waar hun rol eindigt en die van de ander begint bij het aanbieden van opleidingsplekken voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.
MKB-bedrijven zien tegenwoordig een trend waarin vaker wordt geproduceerd in lage volumes en hoge variëteit. Om deze verschillende producten met een constante kwaliteit te produceren, zijn actuele werkinstructies noodzakelijk. In MKB-bedrijven is het een uitdaging om deze werkinstructies snel te kunnen generen, normaal gesproken is dit een tijdrovende klus, die niet gestandaardiseerd is. De volgende uitdaging is snel en correct kunnen presenteren van werkinstructies aan de werknemer, vooral met oude papieren versies verspreid over de werkvloer. Het is lastig deze up-to-date te houden wanneer veel kleine variaties zijn tussen de verschillende producten en werknemers hebben moeite om de nieuwste versie te identificeren. Dit project maakt gebruik van de nieuwste trends op het gebied van automatisering en digitalisering. Momenteel hebben wij een proof-of-concept ontwikkeld die demonstreert hoe automatisch werkinstructies gegenereerd kunnen worden uit een productontwerp. Vervolgens worden deze gevisualiseerd op het juiste moment aan de werknemer op een smart glass. Het huidige product kan van eenvoudige lego producten werkinstructies maken. Maar wij willen dit graag verder ontwikkelen om een minimum viable product te krijgen, waarbij wij de relevantie in de industrie kunnen aantonen. Tijdens ons onderzoek is contact geweest met verschillende bedrijven (Amfors/Scalabor) die interesse hebben in deze toepassing. Het doel is om dit product verder te ontwikkelen zodat snel werkinstructies gegenereerd en gevisualiseerd wordt aan de werknemer.
Veel mensen overleden aan COVID-19 met ernstige symptomen en zonder nabijheid van geliefden. Naasten konden patiënten niet bijstaan aan het einde van het leven. Ook zorgverleners in verpleeghuizen en ziekenhuizen ervaren het verlenen van zorg in deze tijd als zwaar. Daarnaast hebben vele tienduizenden mensen in Nederland ernstige verlieservaringen door COVID-19 rond hun baan, dagbesteding, onderneming, sociale contacten of hun zorg. Het lectoraat Zorg rond het Levenseinde (ZRL) van Avans Hogeschool wil samen met het Koning Willem 1 College in Den Bosch een studentenchallenge aansturen om de verhalen rondom het leed geleden door COVID-19 in de stad op te halen en zichtbaar te maken. Maatschappelijke verbinding, herstel en erkenning zijn namelijk onmisbaar, zeker in tijden van groot verlies. In Nederland is er relatief weinig maatschappelijke aandacht, ondersteuning en verbinding geweest voor het verlies geleden door corona. Burgers moeten en kunnen deze verbondenheid zelf creëren, maar dat gaat niet vanzelf. Daar wil deze Challenge bij helpen en wel via het concept 'Compassionate communities' (CCs)Deze bieden een kader voor verbondenheid rond verlies. CCs zijn steden, wijken of buurten waarbinnen de bewoners elkaar steunen bij verlies en kwetsbaarheid. CCs worden gestart door (onderdelen van) het handvest van de CCs te implementeren dat bestaat uit 13 aandachtspunten, waarin o.a. gespecificeerd is dat scholen, werkplekken, gebedshuizen, musea en zorgcentra structureel aandacht hebben voor dood, verlies en zorg. Het doel is om een cultuur te creëren waarin het normaal is om positief met elkaar in contact te komen rond alle vormen van verlies. We vragen studenten om het gedachtengoed van CCs in een ‘Challenge’ te introduceren in Den Bosch rondom het stille leed als gevolg van corona. Het doel van de Challenge is om beeldvorming, communicatie en maatschappelijke samenwerking rond verlies (in brede zin) en andere knelpunten gerelateerd aan COVID-19 te verbeteren.