Our current smart society, where problems and frictions are smoothed out with smart, often invisible technology like AI and smart sensors, calls for designers who unravel and open the smart fabric. Societies are not malleable, and moreover, a smooth society without rough edges is neither desirable nor livable. In this paper we argue for designing friction to enhance a more nuanced debate of smart cities in which conflicting values are better expressed. Based on our experiences with the Moral Design Game, an adversarial design activity, we came to understand the value of creating tangible vessels to highlight conflict and dipartite feelings surrounding smart cities.
LINK
De zogenoemde “21th century skills” worden, aldus het Ministerie van Onderwijs, steeds belangrijker. Het zijn eigenschappen die we terugvinden in de eindtermen van vrijwel alle hbo-opleidingen en die – in de woorden van Donald Schön – de kern zijn van een “reflective practitioner” : een vakvrouw of –man, die zichzelf in complexe situaties kan sturen en daardoor productief blijft. Eerder onderzoek van het lectoraat Pedagogiek van de Beroepsvorming heeft aangetoond dat een leeromgeving gericht op zelfsturing aan drie condities moet voldoen: er moet sprake zijn van praktijkgestuurd onderwijs, studenten moeten de kans krijgen een dialoog aan te gaan over de zin en betekenis van hun ervaringen in het praktijkgestuurde onderwijs en studenten moeten medezeggenschap hebben over hun eigen leerproces. Met name het realiseren van een dialoog blijkt echter heel moeilijk te zijn. Zowel docenten als studenten (en ook de onderwijsmanagers) zijn gewend aan onderwijs waarin zin en betekenis nauwelijks ter discussie staat. Het gevolg is dat ze vooral gericht zijn op reproductief en niet op betekenis-gericht leren. Zelfsturing vereist evenwel deze laatste vorm van leren. Zelfsturing vereist een dialoog over de zin en betekenis van ervaringen die de student “raken”. Dergelijke ervaringen roepen veelal emoties op die in eerste instantie niet begrepen worden. Zin en betekenis zijn “geen dingen in een doosje”; ze worden gaandeweg duidelijk in een gesprek waarin de docent verklaart noch verheldert, maar samen met de student op zoek gaat naar de juiste woorden. Dat zijn woorden waarvan de student voelt dat ze haar in staat stellen iets uit te drukken dat voorheen nog niet onder woorden gebracht kon worden. In dit boek wordt vanuit verschillende perspectieven en op basis van empirisch onderzoek ingegaan op de vraag in hoeverre het hbo er in slaagt een dergelijke dialoog met haar studenten te realiseren. Tevens wordt stilgestaan bij methoden om zo’n dialoog te realiseren.
Glastonbury, het theaterfestival in Avignon, North Sea Jazz, Sensation White, deDuitse oktoberfeesten, het carnaval in Rio en Venetië of de Mardi Gras in NewOrleans, de lancering van de nieuwste smartphone of gameconsole, de Fiesta inPamplona, plaatselijke talentenjachten, de May Day Cooper’s Hill Cheese Rollingand Wake, waarbij het de bedoeling is om van een steile heuvel achter eenrollende Gloucester kaas aan te rennen… Het kost tegenwoordig aanzienlijkemoeite om op een vrije dag niet ondergedompeld te worden in allerlei festiviteiten en evenementen. Festivals zijn hierin prominent aanwezig. Maar wat is een festival eigenlijk? Deze studie formuleert hier een antwoord op door het rijke landschap van festivals te schetsen en hoe dit te ontleden is in motivaties voor bezoek, de specifieke bouwstenen van een festival, het festivalDNA, en de plek waar het allemaal gebeurt: de festivalscape. Ondanks dat de laatste decennia het onderzoek naar festivals aanzienlijk is toegenomen is de bezoekersbeleving van festivals een onderwerp waar relatief weinig onderzoekers zich diepgaand mee bezig hebben gehouden. In het tweede gedeelte van dit boek staat beleving centraal, waarbij emotietheorieën worden besproken en allerhande belevingsmodellen en meetmethoden de revue zullen passeren om de weg vrij te maken voor een gerichte en onderbouwde analyse van de bezoekersbeleving, zoals de beleving van sfeer.