Gelaste constructies kunnen, vergeleken met geklonken constructies, eenvoudiger en lichter zijn en in kortere tijd worden vervaardigd, vooral als automatische of halfautomatische lasprocessen worden toegepast.
DOCUMENT
Voor u ligt de voorlichtingspublicatie "Gereedschapsstalen". Deze voorlichtingspublicatie is bedoeld voor allen die te maken hebben of te maken krijgen met toepassing van gereedschapsstalen. Daarbij moet worden gedacht aan bijvoorbeeld constructeurs, lastechnici, werkvoorbereiders, enzovoorts. Deze publicatie is in 1975 samengesteld door een commissie van de FSMG, de Vereniging van Fabrikanten van Stempels, Matrijzen en andere speciale Gereedschappen. In 2008 is de publicatie herzien door TNO Industrie en Techniek. De publicatie VM 48 is er één uit de reeks publicaties over Stempels en Matrijzen voor spaanloze vormgeving van metalen producten. De updating was noodzakelijk daar zich in de afgelopen jaren een groot aantal belangrijke ontwikkelingen heeft voorgedaan op het gebied van gereedschapsstalen.
DOCUMENT
Deze publicatie is tot stand gekomen in het kader van een updateproject, waarbij een groot aantal technische voorlichtingspublicaties wordt aangepast aan de huidige stand der techniek. Hierbij heeft een nauwe samenwerking plaatsgevonden tussen de op de laatste pagina van deze publicatie vermelde partijen. Deze publicatie is een update van de publicatie "Construeren voor booglassen met robots" (VM 105, FME, 1997) en vormt samen met de publicaties "TI.07.39 - Eenvoudige mechanisatie bij het booglassen" en "TI.07.41 - Geavanceerde lasmechanisatie en sensoren", een overzicht met betrekking tot de automatisering van het lasproces. Al deze geupdate publicaties zijn, evenals de andere in dit updateproject vervaardigde en uitgegeven publicaties, als pdf-file vrij te downloaden vanaf de websites "www.verbinden-online.nl", "www.dunneplaat-online.nl" en via de websites van de deelnemende organisaties.
DOCUMENT
Uit het rapport: "De opgave voor sociale woningbouwrenovatie in Nederland is enorm. De woningen moeten na renovatie veel energiezuiniger zijn. Maar corporaties en bewoners willen de renovatie snel, van hoge kwaliteit, duurzaam, goedkoop en met weinig overlast. De bouwsector heeft grote moeite om aan deze verwachtingen te voldoen, zeker nu een tekort aan gekwalificeerde arbeid dreigt. De bouwbedrijven hebben de afgelopen jaren niet stilgezeten. Bouwbedrijven passen lean-principes toe en de realisatie van sociale woningbouwprojecten is duidelijk beter onder controle. Maar het proces voorafgaand aan de realisatie van de sociale woningbouwrenovatie (het voortraject) is vaak verre van optimaal. Actoren in dit voortraject geven aan dat er sprake is van miscommunicatie, late wijzigingsvoorstellen, gebrekkige sturing en omissies. Het gevolg is dat de bouwpartijen in het voortraject van sociale woningbouwrenovaties relatief veel kosten maken, het voortraject lang duurt en niet optimaal is. In het kader van een SIA RAAK MKB-project beantwoorden lectoraten van HU en HAN samen met opleidingen en bedrijfsleven de vraag: Hoe kan het voortraject van sociale woningbouwrenovatieprojecten efficiënter en effectiever gemaakt worden vanuit een algemene procesaanpak (toolbox) inclusief bijbehorend procesinstrumentarium (tools) die naar gelang de situatie flexibel kan worden ingezet? Centraal in het project staat het vormgeven van een toolbox die helpt bij het opzetten van een beheerssysteem voor het efficiënt doorlopen van het voortraject (definitie, ontwerp en voorbereiding) van sociale woningbouwrenovatieprojecten. Figuur 1 geeft het basismodel weer dat ten grondslag ligt aan het onderzoek. Voor een goed beheerssysteem is kennis nodig van beheersconcepten, methoden en technieken (pijl 1) én van de kritieke succesfactoren van bouwprojecten (pijl 2). Een goed beheerssysteem is in staat om met de juiste beheersconcepten de kritieke succesfactoren te monitoren en te sturen om op deze wijze te komen tot een effectief en efficiënt voortraject (pijl 3). Dit voortraject bereidt de projectuitvoering voor (pijl 4). Samen bepalen ze het uiteindelijke succes van een bouwproject (pijl 5). Kritieke succesfactoren kunnen achterhaald worden door het succes (of falen) van complete bouwprojecten te analyseren (pijl 6). Kenmerken van het bouwproject zijn in belangrijke mate bepalend voor de invulling van de verschillende elementen in het denkmodel. Dit eerste deelrapport behandelt de eerste stap in het onderzoek: een inventarisatie van gehanteerde beheersconcepten. In het bijzonder de beheersconcepten die een link hebben met de gedachten rond lean. De onderzoekers hebben zich vooral gericht op beheersconcepten die vanaf de tweede helft van de vorige eeuw zijn ontstaan. Daarmee geven de onderzoekers niet aan dat traditionele beheersconcepten niet goed zijn. Deze concepten zijn echter alom bekend. In de bouwbranche kent eenieder de traditionele samenwerking waarbij de opdrachtgever een bestek “op de markt zet” en de laagste bieder het ontwerp mag uitvoeren. De onderzoekers beschrijven de kenmerken van 14 concepten met behulp van bestaande literatuur over deze concepten. De concepten staan in de volgende 14 hoofdstukken steeds op dezelfde manier omschreven. Eerst omschrijven de onderzoekers de kenmerken van het concept. De kenmerken staan in de tekst vetgedrukt aangegeven. Vervolgens gaan de onderzoekers in op de situatie waarbij het concept toepasbaar is. Ook de voorwaarden om het concept toe te passen staan vetgedrukt aangegeven. Daarna geven de onderzoekers aan waaraan het concept bijdraagt, ook weer vetgedrukt per aspect. De vetgedrukte onderdelen komen terug in de conclusie. De onderzoekers sluiten een hoofdstuk steeds af met een lijst met interessante literatuur over het concept. In de conclusie maken de onderzoekers een koppeling tussen de kenmerken, de voorwaarden en de doelen van de 14 concepten en de kritieke succesfactoren zoals deze door Chua, Kog en Loh (Critical Success Factors fot Different Project Objectives, 1999) worden omschreven. De onderzoekers hebben deze conclusie gebruikt om tot de volgende stap in het onderzoek te komen."
DOCUMENT
Motor learning is particularly challenging in neurological rehabilitation: patients who suffer from neurological diseases experience both physical limitations and difficulties of cognition and communication that affect and/or complicate the motor learning process. Therapists (e.g.,, physiotherapists and occupational therapists) who work in neurorehabilitation are therefore continuously searching for the best way to facilitate patients during these intensive learning processes. To support therapists in the application of motor learning, a framework was developed, integrating knowledge from the literature and the opinions and experiences of international experts. This article presents the framework, illustrated by cases from daily practice. The framework may assist therapists working in neurorehabilitation in making choices, implementing motor learning in routine practice, and supporting communication of knowledge and experiences about motor learning with colleagues and students. The article discusses the framework and offers suggestions and conditions given for its use in daily practice.
DOCUMENT
De vraag is of onderwijsinstellingen voorzien in leeromgevingen die verlangde competenties voor digitalisering versterken. Meerdere auteurs menen dat dit niet het geval is. Anders dan bij sectoren die eerder grensverleggende ICT-innovaties ondergingen, is het grootste deel van de processen in en rond leeromgevingen in het onderwijs, marginaal en niet fundamenteel door en voor de ICT-revolutie veranderd. Dat staat op gespannen voet met intensiteit en belang van ICT-gebruik in de samenleving, zoals bij jongeren. De dissertatie wil een bijdrage leveren aan het overbruggen van de kloof en een grotere verantwoordelijkheid van het onderwijs bereiken voor digitale competenties. Het onderzoek beperkt zich tot het hbo. De eerste twee hoofdstukken van de dissertatie bestaan uit literatuurverkenningen over de betekenis van ICT en digitale competenties. Voor het empirische deel werden leertheoretische uitgangspunten geformuleerd in vier categorieën: inhoud, drijfveren, interactie en omgeving. De onderzoeksopzet voorzag in een verkennende en een verdiepende studie bij de opleiding Small Business & Retail Management van Hogeschool Zuyd. De verkennende studie geeft een beeld van de opleiding vanuit drie perspectieven: 1) formuleringen in beleid en formeel beschreven, 2) percepties van docenten, management, beleidsmakers en instanties en 3) ervaringen van studenten. De verdiepende studie leidde tot 49 bevindingen. Deze resulteerden in 12 ontwerpprincipes voor leeromgevingen die betrekking hebben op besturende, primaire en ondersteunende processen. De principes kunnen vorm geven aan leeromgevingen die digitale competenties van hbo-studenten voor een gedigitaliseerde samenleving versterken. Zij kunnen er tevens aan bijdragen slagvaardigheid met ICT te vergroten.
MULTIFILE
The Internet and computers increasingly determine our daily lives. This goes for almost everyone in the Netherlands. Still, it is mostly teenagers who are well informed on how to use all the possibilities of new technologies. They are building a digital world of their own that parents usually know very little about. This booklet intends to inform teachers, parents and other interested parties on what teenagers are actually doing online and how important it is to keep abreast of the new developments that the Internet and computers bring into their world. On the basis of research into these issues in the Netherlands and abroad we attempt to indicate what the digital world of teenagers looks like and how it differs from that of grown-ups. What do they do, exactly, and why? We also look into teenagers’ ICT behaviour and into dangers and abuse of the Internet. Moreover we provide tips for parents and teachers on how to handle certain phenomena. This book does not pretend to provide an exhaustive overview of the digital world of teenagers. It is focused on some important characteristics and parts of that world. It reports on research of the INHOLLAND Centre for eLearning into various aspects of ICT behaviour among teenagers. The research was undertaken in the spring of 2006, focusing mainly on texting, networking, gaming, dangers and abuse on the Internet and the digital relation between school and the home. Ultimately we are especially concerned with the question of what teenagers really learn in their digital world, and how education can profit. This book also addresses that issue.
DOCUMENT
The need for care will increase in the coming years. Most people with a disability or old age receive support from an informal caregiver. Caring for a person with dementia can be difficult because of the BPSD (Behavioral and Psychological Symptoms of Dementia). BPSD, including sleep disturbance, is an important factor for a higher care load. In this scoping review, we aim to investigate whether technology is available to support the informal caregiver, to lower the care burden, improve sleep quality, and therefore influence the reduction of social isolation of informal caregivers of people with dementia. A scoping review is performed following the methodological framework by Arksey and O'Mally and Rumrill et al., the scoping review includes scientific and other sources (unpublished literature, websites, reports, etc.). The findings of the scoping review shows that there are technology applications available to support the informal caregiver of a person with dementia. The technology applications mostly contribute to lower the care burden and/or improve sleep quality and therefore may contribute to reduce social isolation. The technology applications found target either the person with dementia, the informal caregiver, or both.
LINK
New approach methodologies predicting human cardiotoxicity are of interest to support or even replace in vivo-based drug safety testing. The present study presents an in vitro–in silico approach to predict the effect of inter-individual and inter-ethnic kinetic variations in the cardiotoxicity of R- and S-methadone in the Caucasian and the Chinese population. In vitro cardiotoxicity data, and metabolic data obtained from two approaches, using either individual human liver microsomes or recombinant cytochrome P450 enzymes (rCYPs), were integrated with physiologically based kinetic (PBK) models and Monte Carlo simulations to predict inter-individual and inter-ethnic variations in methadone-induced cardiotoxicity. Chemical specific adjustment factors were defined and used to derive dose–response curves for the sensitive individuals. Our simulations indicated that Chinese are more sensitive towards methadone-induced cardiotoxicity with Margin of Safety values being generally two-fold lower than those for Caucasians for both methadone enantiomers. Individual PBK models using microsomes and PBK models using rCYPs combined with Monte Carlo simulations predicted similar inter-individual and inter-ethnic variations in methadone-induced cardiotoxicity. The present study illustrates how inter-individual and inter-ethnic variations in cardiotoxicity can be predicted by combining in vitro toxicity and metabolic data, PBK modelling and Monte Carlo simulations. The novel methodology can be used to enhance cardiac safety evaluations and risk assessment of chemicals.
DOCUMENT
Background: The environment affects children’s energy balance-related behaviors to a considerable extent. A context-based physical activity and nutrition school- and family-based intervention, named KEIGAAF, is being implemented in low socio-economic neighborhoods in Eindhoven, The Netherlands. The aim of this study was to investigate: 1) the effectiveness of the KEIGAAF intervention on BMI z-score, waist circumference, physical activity, sedentary behavior, nutrition behavior, and physical fitness of primary school children, and 2) the process related to the implementation of the intervention. Methods: A quasi-experimental, controlled study with eight intervention schools and three control schools was conducted. The KEIGAAF intervention consists of a combined top-down and bottom-up school intervention: a steering committee developed the general KEIGAAF principles (top-down), and in accordance with these principles, KEIGAAF working groups subsequently develop and implement the intervention in their local context (bottom-up). Parents are also invited to participate in a family-based parenting program, i.e., Triple P Lifestyle. Children aged 7 to 10 years old (grades 4 to 6 in the Netherlands) are included in the study. Effect evaluation data is collected at baseline, after one year, and after two years by using a child questionnaire, accelerometers, anthropometry, a physical fitness test, and a parent questionnaire. A mixed methods approach is applied for the process evaluation: quantitative (checklists, questionnaires) and qualitative methods (observations, interviews) are used. To analyze intervention effectiveness, multilevel regression analyses will be conducted. Content analyses will be conducted on the qualitative process data. Discussion: Two important environmental settings, the school environment and the family environment, are simultaneously targeted in the KEIGAAF intervention. The combined top-down and bottom-up approach is expected to make the intervention an effective and sustainable version of the Health Promoting Schools framework. An elaborate process evaluation will be conducted alongside an effect evaluation in which multiple data collection sources (both qualitative and quantitative) are used.
DOCUMENT