Brochure from the Inauguration of Klaas Dijkstra, professor Computer Vision and Data Science
Topic: Visual impairment (VI) and cognitive impairment (CIM) are prevalent age-related conditions that impose substantial burden on the society. Findings on the hypothesized bidirectional association of VI and CIM remains equivocal. Hence, we conducted a systematic review and meta-analysis to examine this bidirectional relationship. Clinical relevance: Sixty percent risk of CIM has not been well elucidated in the literature. A bidirectional relationship between VI and CIM may support the development of strategies for early detection and management of risk factors for both conditions in older people. Methods: PubMed, Embase, and Cochrane Central registers were searched systematically for observational studies, published from inception until April 6, 2020, in adults 40 years of age or older reporting objectively measured VI and CIM assessment using clinically validated cognitive screening tests or diagnostic evaluation. Meta-analyses on cross-sectional and longitudinal associations between VI and CIM outcomes (any CIM assessed using screening tests and clinically diagnosed dementia) were examined. Random effect models were used to generate pooled odds ratios (ORs) and 95% confidence intervals (CIs). We also examined study quality, publication bias, and heterogeneity. Results: Forty studies were included (n = 47 913 570). Meta-analyses confirmed that persons with VI were more likely to have CIM, with significantly higher odds of: (1) any CIM (cross-sectional: OR, 2.38 [95% CI, 1.84-3.07]; longitudinal: OR, 1.66 [95% CI, 1.46-1.89]) and (2) clinically diagnosed dementia (cross-sectional: OR, 2.43 [95% CI, 1.48-4.01]; longitudinal: OR, 2.09 [95% CI, 1.37-3.21]) compared with persons without VI. Significant heterogeneity was explained partially by differences in age, sex, and follow-up duration. Also, some evidence suggested that individuals with CIM, relative to cognitively intact persons, were more likely to have VI, with most articles (8/9 [89%]) reporting significantly positive associations; however, meta-analyses on this association could not be conducted because of insufficient data. Discussion: Overall, our work suggests that VI is a risk factor of CIM, although further work is needed to confirm the association of CIM as a risk factor for VI. Strategies for early detection and management of both conditions in older people may minimize individual clinical and public health consequences.
Doelstelling: In kaart brengen van de risicofactoren voor het ontwikkelen van binoculaire diplopie na conventionele monovisie door middel van contactlenzen of refractiechirurgie bij presbyopen. Methode: Voor deze literatuurstudie is in maart 2017 gezocht in databanken Pubmed, ScienceDirect en Google Scholar. Artikelen zijn geïncludeerd als binoculaire diplopie door monovisie wordt beschreven. Alle patiënten die worden weergegeven in deze artikelen zijn ouder dan 40 jaar en hebben monovisie door middel van contactlenzen of refractiechirurgie. De resultaten beschrijven de oorzaken van de binoculaire diplopie, de voorgeschiedenis van de patiënt met betrekking tot strabismus en de hoogte van additie. Onderscheid wordt gemaakt tussen contactlensdragers en patiënten die refractiechirurgie hebben ondergaan. Resultaten: In deze literatuurstudie zijn zes artikelen verwerkt. Uit deze artikelen zijn 35 patiënten met binoculaire diplopie meegenomen in dit onderzoek, vijftien patiënten met contactlens geïnduceerde monovisie en twintig patiënten met refractiechirurgie geïnduceerde monovisie. De oorzaken van binoculaire diplopie (decompensatie van een heteroforie, een intermitterend strabismus die constant wordt, een verworven heterotropie, decompensatie van een N IV parese en fixation switch diplopie) geven geen grote verschillen in aantal patiënten. Een additie hoger dan twee dioptrie komt meer voor in deze patiëntengroep met binoculaire diplopie dan een lagere additie. Een positieve voorgeschiedenis met betrekking tot strabismus komt meer voor dan een negatieve voorgeschiedenis. Relevante verschillen tussen contactlensdragers en patiënten die refractiechirurgie hebben ondergaan zijn niet gevonden. Conclusie: Vanwege het gebrek aan consistente data is meer onderzoek nodig voor significante resultaten.