Vanwege verschraalde voorzieningen op het platteland willen politieke partijen investeringen tussen stad en platteland herverdelen. Maar zijn de voorzieningen in de stad wel zo ruim bemeten? Het is verstandig per regio een probleemanalyse te maken wat er precies nodig is.
LINK
Al geruime tijd wordt geprobeerd om gezondheid te verbeteren via de inrichting van de leefomgeving. De leefomgeving heeft op verschillende manieren invloed op gezondheid. Denk hierbij aan omgevingsfactoren als luchtvervuiling, het stedelijk hitte-eiland effect, wandel- en fietsinfrastructuur, ontmoetingsplekken, groenstructuren en het voedselaanbod. De rijksoverheid stimuleert lokale overheden, woningcorporaties, gezondheidsinstellingen en private partijen om invulling te geven aan gezonde en leefbare buurten. Ondanks de toegenomen aandacht voor de ruimtelijke aspecten van gezondheid, bestaat er nog veel onduidelijkheid over de vraag welke inrichtingsmaatregelen het meest effectief zijn voor het verbeteren van gezondheidsuitkomsten. Wat is er bekend over de samenhang tussen de leefomgeving en gezondheid? Op welke wijze kan ruimtelijke ordening bijdragen aan een gezonde leefomgeving? En hoe is aandacht voor ruimtelijke gezondheidsverschillen momenteel verankerd in beleid en praktijk? Deze themareeks zoekt antwoorden op deze vragen vanuit onderzoek en praktijk. Dit artikel begint met een beschrijving van de relatie tussen ruimtelijke ordening en gezondheid in Nederland en introduceert daaropvolgend de themareeks.
LINK
BACKGROUND: Asset-based approaches have become popular in public health. As yet it is not known to what extent health and welfare professionals are able to identify and mobilise individual and community health assets. Therefore, the aim of this study was to understand professional's perceptions of health and health assets.METHODS: In a low-SES neighbourhood, 21 health and welfare professionals were interviewed about their definition of health and their perceptions of the residents' health status, assets available in the neighbourhood's environment, and the way residents use these assets. A Nominal Group Technique (NGT) session was conducted for member check. Verbatim transcripts of the semi-structured interviews were coded and analysed using Atlas.ti.RESULTS: The professionals used a broad health concept, emphasizing the social dimension of health as most important. They discussed the poor health of residents, mentioning multiple health problems and unmet health needs. They provided many examples of behaviour that they considered unhealthy, in particular unhealthy diet and lack of exercise. Professionals considered the green physical environment, as well as health and social services, including their own services, as important health enhancing factors, whereas social and economic factors were considered as major barriers for good health. Poor housing and litter in public space were considered as barriers as well. According to the professionals, residents underutilized neighbourhood health assets. They emphasised the impact of poverty on the residents and their health. Moreover, they felt that residents were lacking individual capabilities to lead a healthy life. Although committed to the wellbeing of the residents, some professionals seemed almost discouraged by the (perceived) situation. They looked for practical solutions by developing group-based approaches and supporting residents' self-organisation.CONCLUSIONS: Our study shows, firstly, that professionals in the priority district Slotermeer rated the health of the residents as poor and their health behaviour as inadequate. They considered poverty and lack of education as important causes of this situation. Secondly, the professionals tended to talk about barriers in the neighbourhood rather than about neighbourhood health assets. As such, it seems challenging to implement asset-based approaches. However, the professionals, based on their own experiences, did perceive the development of collective approaches as a promising direction for future community health development.
Hoewel cariës (gaatjes in het gebit) eenvoudig te voorkomen is heeft bijna de helft van alle vijfjarige kinderen cariës. Hiervan leidt naar schatting 10% aan ernstige cariës. Ernstige cariës op jonge leeftijd beperkt de algemene gezondheid, de kwaliteit van leven en belemmert de algemene ontwikkeling. Hoewel het een wettelijke basistaak van jeugdgezondheidszorg is, ontbreekt bij het consultatiebureau (CB) de focus op mondzorg. Adviezen op het CB over mondzorg en bezoek aan een mondzorgprofessional vanaf twee jaar blijken niet effectief. Slechts 33% van de kinderen in de leeftijd van 0-4 jaar heeft eenmaal een tandarts bezocht. Preventie in mondgezondheid bij peuters komt te laat en dit raakt met name kinderen uit de lagere sociale klassen. De schade is dan vaak al aanzienlijk en bij ernstige cariës is behandeling onder algehele anesthesie vaak vereist. Naast het feit dat kinderen te laat een mondzorgprofessional bezoeken, zijn er in Nederland geen interventies ter bevordering van mondgezondheid van peuters die voldoende onderbouwd, transparant en (kosten)effectief zijn. In dit gerandomiseerde praktijkonderzoek wordt het effect geëvalueerd van een preventief mondzorgprogramma gericht op het verbeteren van de mondgezondheid bij peuters in vergelijking met usual care. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan de urgentie van de evaluatie van preventieve en zelfzorg bevorderende interventies gericht op jonge kinderen en het reduceren van ongelijkheden binnen de mondzorg. Gebaseerd op het succesvolle Schotse Childsmile zal er vanuit de eerstelijns mondzorg een mondzorgcoach (MZC) bij het consultatiebureau gedetacheerd worden om deze JGZ basistaak te ondersteunen. De MZC zal tijdens reguliere CB-bezoeken geïndividualiseerd preventief mondzorgadvies geven aan ouders op basis van het effectief gebleken non–operative caries treatment and prevention (NOCTP) principe. Bij succes van de MZC wordt een forse stijging verwacht van het aantal cariësvrije peuters (30%), een aanmerkelijke cariësreductie per kind (30%, ofwel circa 1,5 gaatje) en een significante kostenreductie.
Meer sporten en bewegen is niet alleen een doel op zich, maar ook steeds vaker een middel om de ambities van belendende beleidsdomeinen te realiseren waaronder: welzijn, onderwijs en gezondheid. Deze beleidsdomeinen staan centraal in drie van de wicked problems in het MOOI in Beweging-programma: (1) bewoners in aandachtswijken sporten minder, (2) kinderen en jongeren bewegen minder en hun motoriek gaat achteruit, en (3) sport en bewegen wordt te weinig ingezet binnen de gezondheidszorg. Gezien de complexiteit van de wicked problems achten we het noodzakelijk de praktijkgerichte onderzoeksinfrastructuur rondom sport en bewegen te versterken door lokaal, kleinschalig en bottom-up in living labs kennis te ontwikkelen en te implementeren én deze op te schalen naar landelijke beleidsmatige systeemveranderingen. Dit doen we vanuit een samenwerkingsverband van acht hogescholen die verbonden zijn aan het Lectorenplatform Sport & Bewegen. Vanuit vier samenhangende werkpakketten werken we gedurende acht jaar aan de volgende infrastructurele aspecten: verstevigen van lerende netwerken, implementeren van kennis (methodologie/tools) om overstijgend (discipline/sector/niveau) samen te werken, ontwikkeling van leiderschap, ‘human capital’ en een cultuur rondom systeemtransities, en versterken van een living lab-structuur. Het doel van de SPRONG-groep “PASS” is de doorgroei en versterking van een multidisciplinaire onderzoeksgroep tot een (inter)nationaal erkende onderzoeksgroep met methodologische expertise in het combineren van actiegerichte en discipline-overstijgende methodieken. We werken hierbij nauw samen met studenten, docenten, onderzoekers, inwoners, professionals, ondernemers, bestuurders en regionale en landelijke beleidsmakers uit de genoemde beleidsdomeinen (cf. quadruple helix). Op deze wijze willen we de maatschappelijke impact van sport en bewegen op onderwijs, welzijn en gezondheid vergroten.