© 2025 SURF
De trauma-experts is het vast niet ontgaan. De Nederlandse vertaling van het boek 'The body keeps the score' werd in 2016 onder de titel 'Traumasporen' uitgebracht. De auteur van dit boek, Bessel van der Kolk, is oprichter van het Trauma Centrum in Brookline, Massachusetts en hoogleraar in de psychiatrie aan Boston University. Op 21 september 2018 was hij in Nederland en werd een congres gewijd aan zijn inzichten over het herstel van lichaam, brein en geest na overweldigende ervaringen.
Conform de tendens naar steeds meer gespecialiseerde generalisten – ook wel ‘T-shaped social professionals’ genoemd – specialiseren professionals zich in een bepaalde richting. In bij- en nascholingen wordt gretig geïnvesteerd in onder meer trauma, systemisch werken en mindfulness. Het arsenaal oogt onuitputtelijk en de specifieke expertise hangt deels af van de (type) vooropleiding en de vigerende opvattingen en wetenschap binnen een bepaald vakgebied. Sociaal werkers hebben sinds een aantal jaren ook een nieuw type kennis tot hun beschikking: ervaringsdeskundigheid. Zij kunnen deze deskundigheid inzetten bij de begeleiding van bijvoorbeeld mensen met ernstige psychiatrische klachten. Wat is de kern van deze geprofessionaliseerde inzet van ervaringsdeskundigheid? Wat dit oplevert voor cliënten en hoe dit precies werkt in de praktijk zullen wij mede aan de hand van een praktijkcasus illustreren
Brandwonden zijn een van de grootste fysieke trauma’s die een persoon kan oplopen en kunnen gepaard gaan met grote wondoppervlakten en veel pijn. Daarnaast kan een persoon met brandwonden ook een psychisch traumaoplopen. Het bewust meemaken van het ongeval waarbij kleding en haren vlamvatten of het gevoel hebben het ongeval niet te zullen overleven kan een grote impact hebben op iemands leven. Het kan leiden tot een gevoel van hulpeloosheid en onveiligheid en daarmee tot acute stresssymptomen die zich verder kunnen ontwikkelen tot een posttraumatische stressstoornis (1). De internationale cijfers over hoeveel mensen met brandwonden ernstig lasthebben van acute stresssymptomen en posttraumatische stresssymptomen variëren tussen 3% en 45% (2). Nederlands-Belgische cijfers laten zien dat ongeveer een op vier patiënten tijdens de opname in het brandwondencentrumhiervan last heeft (3).
In ons project ‘RAAK! Ervaringsdeskundigheid’ zijn bovenstaande voorbeelden exemplarisch. Deze voorbeelden vormen een reconstructie van rapportages van en interviews met enkele ervaringsdeskundige professionals uit dit project. De namen zijn gefingeerd. Het project ‘RAAK! Ervaringsdeskundigheid’ is een participatief handelingsonderzoek dat reguliere zorgprofessionals (verpleegkundigen, SPH’ers, maatschappelijk werkers, ggz-agogen, psychologen) die ervaringen hebben met ontwrichting en herstel, ruimte biedt om zich te ontwikkelen tot zorgprofessional met ervaringsdeskundigheid. Vijf organisaties doen mee: RIBW-GO, GGNET, Dimence, Trajectum en MEE IJsseloevers-Veluwe. Hogeschool Windesheim, Hogeschool Utrecht en VU-medisch centrum voeren het onderzoek uit. Zorgprofessionals uit de participerende organisaties leren in een traject van ongeveer anderhalf jaar hun eigen ervaringen met psychiatrie, verslaving, trauma en andere vormen van ontwrichting binnen een rol als regulier hulpverlener inzetten als ervaringsdeskundigheid. Zij worden hierin ondersteund door ontwikkelteams in de organisaties. In dit artikel reflecteren we op een aantal zaken die ons opvallen als er sprake is van traumaproblematiek.
BackgroundHyperbaric oxygen therapy (HBOT) is used to treat various wound types. However, the possible beneficial and harmful effects of HBOT for acute wounds are unclear.MethodsWe undertook a systematic review to evaluate the effectiveness of HBOT compared to other interventions on wound healing and adverse effects in patients with acute wounds. To detect all available randomized controlled trials (RCTs) we searched five relevant databases up to March 2010. Trial selection, quality assessment, data extraction, and data synthesis were conducted by two of the authors independently.ResultsWe included five trials, totaling 360 patients. These trials, with some methodologic flaws, included different kinds of wound and focused on different outcome parameters, which prohibited meta-analysis. A French trial (n = 36 patients) reported that significantly more crush wounds healed with HBOT than with sham HBOT [relative risk (RR) 1.70, 95% confidence interval (CI) 1.11–2.61]. Moreover, there were significantly fewer additional surgical procedures required with HBOT (RR 1.60, 95% CI 1.03–2.50), and there was significantly less tissue necrosis (RR 1.70, 95% CI 1.11–2.61). In one of two American trials (n = 141) burn wounds healed significantly quicker with HBOT (P < 0.005) than with routine burn care. A British trial (n = 48) compared HBOT with usual care. HBOT resulted in a significantly higher percentage of healthy graft area in split skin grafts (RR 3.50, 95% CI 1.35–9.11). In a Chinese trial (n = 145) HBOT did not significantly improve flap survival in patients with limb skin defects.ConclusionsHBOT, if readily available, appears effective for the management of acute, difficult to heal wounds.
Forensisch sociale professionals komen regelmatig in aanraking met cliënten bij wie zich een of meerdere ingrijpende ervaringen in hun leven hebben voorgedaan. Het begeleiden van deze cliënten kan uitdagend zijn omdat het verband tussen ingrijpende ervaringen uit het verleden en klachten in het heden regelmatig gemist wordt. Trauma wordt beschreven als een directe risicofactor voor gewelddadig gedrag en indirecte risicofactor door middel van mediërende variabelen zoals impulsiviteit, negatieve emotionaliteit of hypervigilantie en achterdocht. Trauma kan ook gezien worden als responsiviteitsfactor omdat traumagerelateerde symptomen de behandeling en het toezicht bemoeilijken. Deze symptomen kunnen er voor zorgen dat cliënten hun programma niet kunnen volgen, niet op afspraken kunnen verschijnen of niet optimaal kunnen profiteren van de therapie. In dit hoofdstuk wordt het verband tussen ingrijpende ervaringen uit het verleden en klachten in het heden nader beschreven en concrete adviezen geformuleerd hoe hier in de praktijk zo goed mogelijk mee om te gaan.
Subcutaneous emphysema, pneumothorax and pneumomediastinum are well-known complications of invasive ventilation in patients with acute hypoxemic respiratory failure. We determined the incidences of air leaks that were visible on available chest images in a cohort of critically ill patients with acute hypoxemic respiratory failure due to coronavirus disease of 2019 (COVID-19) in a single-center cohort in the Netherlands. A total of 712 chest images from 154 patients were re-evaluated by a multidisciplinary team of independent assessors; there was a median of three (2–5) chest radiographs and a median of one (1–2) chest CT scans per patient. The incidences of subcutaneous emphysema, pneumothoraxes and pneumomediastinum present in 13 patients (8.4%) were 4.5%, 4.5%, and 3.9%. The median first day of the presence of an air leak was 18 (2–21) days after arrival in the ICU and 18 (9–22)days after the start of invasive ventilation. We conclude that the incidence of air leaks was high in this cohort of COVID-19 patients, but it was fairly comparable with what was previously reported in patients with acute hypoxemic respiratory failure in the pre-COVID-19 era.