OBJECTIVE: To further test the validity and clinical usefulness of the steep ramp test (SRT) in estimating exercise tolerance in cancer survivors by external validation and extension of previously published prediction models for peak oxygen consumption (Vo2peak) and peak power output (Wpeak).DESIGN: Cross-sectional study.SETTING: Multicenter.PARTICIPANTS: Cancer survivors (N=283) in 2 randomized controlled exercise trials.INTERVENTIONS: Not applicable.MAIN OUTCOME MEASURES: Prediction model accuracy was assessed by intraclass correlation coefficients (ICCs) and limits of agreement (LOA). Multiple linear regression was used for model extension. Clinical performance was judged by the percentage of accurate endurance exercise prescriptions.RESULTS: ICCs of SRT-predicted Vo2peak and Wpeak with these values as obtained by the cardiopulmonary exercise test were .61 and .73, respectively, using the previously published prediction models. 95% LOA were ±705mL/min with a bias of 190mL/min for Vo2peak and ±59W with a bias of 5W for Wpeak. Modest improvements were obtained by adding body weight and sex to the regression equation for the prediction of Vo2peak (ICC, .73; 95% LOA, ±608mL/min) and by adding age, height, and sex for the prediction of Wpeak (ICC, .81; 95% LOA, ±48W). Accuracy of endurance exercise prescription improved from 57% accurate prescriptions to 68% accurate prescriptions with the new prediction model for Wpeak.CONCLUSIONS: Predictions of Vo2peak and Wpeak based on the SRT are adequate at the group level, but insufficiently accurate in individual patients. The multivariable prediction model for Wpeak can be used cautiously (eg, supplemented with a Borg score) to aid endurance exercise prescription.
The purpose of this study was to study the association between the presence of generalized joint hypermobility (GJH) and anxiety within a non-clinical high performing group of adolescents and young adults. Second, to study the impact of GJH and/or anxiety on physical and psychosocial functioning, 168 adolescents and young adults (mean (SD) age 20 (2.9)) were screened. Joint (hyper)mobility, anxiety, and physical and psychosocial functioning were measured. In 48.8% of all high performing adolescents and young adults, GJH was present, whereas 60% had symptoms of anxiety. Linear models controlled for confounders showed that adolescents and young adults with GJH and anxiety had decreased workload (ß (95%CI) -0.43 (-0.8 to -0.08), p-value 0.02), increased fatigue (ß (95%CI) 12.97 (6.3-19.5), p-value < 0.01), and a higher level of pain catastrophizing (ß (95%CI) 4.5 (0.5-8.6), p-value 0.03). Adolescents and young adults with only anxiety had increased fatigue (ß (95%CI) 11 (4.9-19.5). In adolescents and young adults with GJH alone, no impact on physical and psychosocial functioning was found. Adolescents and young adults with the combination of GJH and anxiety were significantly more impaired, showing decreased physical and psychosocial functioning with decreased workload, increased fatigue, and pain catastrophizing. Presence of GJH alone had no negative impact on physical and psychosocial functioning. This study confirms the association between GJH and anxiety, but especially emphasizes the disabling role of anxiety. Screening for anxiety is relevant in adolescents and young adults with GJH and might influence tailored interventions.
Toenemende prevalentie van overgewicht en obesitas onder jeugd wordt, in ieder geval ten dele, veroorzaakt door te weinig fysieke activiteit. Omdat ieder kind een groot deel van zijn of haar jeugdige leven op school doorbrengt kunnen scholen een centrale rol spelen in het tegengaan van deze bewegingsarmoede. Het meest voor de hand liggende schoolvak lijkt hierbij de lichamelijke opvoeding1 (LO) te zijn. De belangrijkste doelstelling van het schoolvak LO is immers om leerlingen dusdanig te motiveren en enthousiast te maken voor sport en bewegen zodat dit uiteindelijk resulteert in een actieve leefstijl, zowel buiten school als in het verdere leven. Daarnaast is LO tevens het enige verplichte schoolvak waar fysieke activiteit een centrale plek inneemt; de les zelf is in potentie ook een structurele bron van fysieke activiteit. Globaal gezien kan LO dus op een indirecte en een directe manier bijdragen aan de fysieke activiteit van leerlingen, een tweedeling die werd geïntroduceerd in hoofdstuk 1. Waar echter tot op heden onduidelijkheid over bestaat, zeker wat betreft de Nederlandse situatie, is hoe groot de bijdrage van de LO aan dagelijkse fysieke activiteit feitelijk is. De vraag die daarom centraal staat in dit proefschrift is in hoeverre het vak LO, zoals dat op dit moment gegeven wordt op basis- en voortgezet onderwijs, een bijdrage levert aan de fysieke activiteit van kinderen en adolescenten, zowel direct (de les als bron van fysieke activiteit), als indirect (motivatie voor een actieve leefstijl). Voor de beantwoording van deze vraag zijn een aantal studies uitgevoerd. Allereerst is in hoofdstuk 2 door middel van een literatuurstudie onderzocht in hoeverre interventies met een LO-component effectief zijn in het stimuleren van fysieke activiteit. Hieruit blijkt dat er alleen overtuigend bewijs bestaat voor een directe bijdrage van de les LO aan de fysieke activiteit van kinderen en adolescenten. Oftewel, in de les LO zelf wordt er matig-tot-intensief bewogen. De effecten van interventies met een LO component op de fysieke activiteit buiten school of in het latere leven zijn minder overtuigend of zelfs afwezig. In hoofdstuk 3 wordt een cross-sectionele studie beschreven waarin middels het combineren van gegevens vanuit een hartslag-versnellingsmeter met de gegevens uit een activiteitendagboek voor het eerst inzicht verkregen wordt in de daadwerkelijke bijdrage van een reguliere les LO (naast andere fysieke activiteiten zoals fietsen) aan de totale dagelijkse fysieke activiteit van middelbare scholieren. De resultaten wijzen uit dat 17% van de totale hoeveelheid beweging onder schooltijd zijn oorsprong vindt in de lessen LO en dat op dagen dat een leerling een les LO heeft, deze les verantwoordelijk is voor ongeveer 30% van de totale fysieke activiteit op die dag. Opvallend is daarnaast dat 15% van de totale fysieke activiteit op een weekdag zijn oorsprong vindt in het actief transport naar school, voornamelijk fietsen. Hoofdstuk 4 beschrijft een studie waarin de focus ligt op de intensiteit van lessen LO in het voortgezet onderwijs (VO) en het basisonderwijs (BO). Tevens is gekeken naar factoren die de intensiteit van een les beïnvloeden. De resultaten wijzen uit dat 47% en 40% van een les LO op respectievelijk het VO en het BO voldoet aan de intensiteit van bewegen zoals omschreven in de Nederlandse Norm voor Gezond Bewegen (matig-tot-intensief fysiek actief). Dit komt overeen met ongeveer een derde van de dagelijks aanbevolen hoeveelheid beweging voor deze doelgroep. Opvallend is dat op het VO jongens significant actiever zijn tijdens de lessen LO dan meisjes. Dit verschil blijkt zijn oorsprong te hebben in lessen waarin competitieve spelvormen (basketbal, voetbal etc.) centraal staan. Mogelijkerwijs verhindert de dominantie van jongens tijdens spelvormen dat meisjes in een les even actief kunnen zijn als jongens. Dit is een serieuze beperking van de mate waarin een les LO kan bijdragen aan het totale beweeggedrag van meisjes, gezien het feit dat ongeveer 60% van het Nederlandse LO curriculum uit (veelal competitieve) spelvormen bestaat.