Wat betekent het bestaan van aan hulp- en dienstverlening gerelateerde websites voor de praktijk van de hulp- en dienstverlening binnen het Algemeen Maatschappelijk Werk? Om een eerste antwoord op deze vraag te vinden hebben drie maatschappelijk werkers gedurende twee maanden een logboek bijgehouden over hun ervaringen met clienten bij wie internet een rol speelde in het hulp- en dienstverleningscontact. Het betrof 5 mannen en 6 vrouwen, in de leeftijd van 22 tot 74 jaar. Daarnaast legden deze maatschappelijk werkers al hun clienten een enquete voor over hun mogelijke toegang tot en gebruik van internet. Uit de gegevens komt naar voren dat er veel relevante informatie is te vinden op internet. Criteria m.b.t. de kwaliteit van sites worden genoemd, zoals de betrouwbaarheid van de organisatie die de website verzorgt. Besproken wordt hoe en wanneer de werkers gebruik hebben gemaakt van internet tijdens een clientcontact. Eveneens of clienten die informatie op het net hebben gezocht dan met een ander soort vragen komen. De maatschappelijk werkers zien de client mondiger worden, de relatie gelijkwaardiger. Zij gaan meer coachend, volgend werken en houden de vinger aan de pols of de door de client gevonden informatie een echt antwoord is op de vragen van de client. De inrichting van de ruimte blijkt een punt van aandacht. In de discussie worden 'toegang tot internet', 'criteria met betrekking tot de kwaliteit van websites', het gebruik van internet door clienten c.q. patienten', 'bedoelde en onbedoelde effecten van het zoeken van informatie door clienten c.q. patienten', 'een mogelijk veranderende rol van de werker'en 'de werker als deskundig internetgebruiker' vergeleken met gegevens uit andere onderzoeken en werkvelden (zoals het Sociaal en Cultureel Planbureau, de medische wereld).
DOCUMENT
Het gebruik van ervaringskennis onder behandelaren in de geestelijke gezondheidszorg (ggz) is een opkomend fenomeen. Een significant percentage van alle ggz-professionals heeft zélf te maken gehad met psychische ontregeling. Studies suggereren uiteenlopende percentages in de groep ggz-professionals, variërend van 45 procent tot zeventig procent, wat hoger is dan gemiddeld genomen in de beroepsbevolking. Velen voelen zich juist ook om deze reden aangetrokken tot het hulpverlenerschap, hoewel slechts een minderheid expliciet gebruikmaakt van deze kennis. In opleidingen en nascholingen werd oorspronkelijk ruim aandacht besteed aan de risico’s van zelfonthulling. Daarnaast blijkt uit onderzoek dat het klimaat tijdens leertherapie en intervisies niet altijd veilig genoeg is om persoonlijke ervaringen met ontwrichting bespreekbaar te maken. Als dit wel het geval is, dan ligt de nadruk op het inzichtelijk krijgen van de eigen problematiek zodanig dat deze niet interfereert met toekomstig cliëntcontact. Hiermee wordt vaak uitgegaan van een mogelijk negatieve invloed van ervaringskennis. Eenmaal werkzaam in de ggz is het eveneens niet vanzelfsprekend om er openlijk over te spreken met collega’s en is er regelmatig sprake van (zelf-)stigma. Er bestaan namelijk nog veel misvattingen over het gebruik van ervaringskennis en -deskundigheid, voornamelijk voortkomend uit de psychoanalyse, zoals het idee dat het schadelijk zou zijn voor cliënten. Ggz-professionals hebben de neiging zich te verschuilen achter hun professionele identiteit, met vaak weinig ruimte voor persoonlijke aspecten. Daarbij komt dat er een trend is om in toenemende mate de interventie boven de relatie te prevaleren. Terwijl het belang van ervaringskennis in behandelingen internationaal en ook in Nederland steeds meer wordt erkend, raken psychotherapeuten op achterstand. Beroepsorganisaties als het Royal Australian and New Zealand College of Psychiatrists en de British Psychological Society benadrukken juist dat persoonlijke ervaringen een essentiële rol kunnen spelen bij het verminderen van stigma. In Nederland heeft de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie onlangs kenbaar gemaakt dit als een positieve ontwikkeling te zien. In Nederland is tevens een kwaliteitsstandaard en zorgstandaard voor het gebruik van ervaringsdeskundigheid en worden ervaringsdeskundigen steeds meer gewaardeerd vanwege hun unieke bijdragen. Terwijl dus steeds meer ex-cliënten worden opgeleid om hun ervaringen met psychische problemen en herstel in te zetten om anderen te helpen, wordt het psychologen nog steeds afgeleerd om open te zijn over hun persoonlijke verleden. Zodoende startte in 2019 een promotieonderzoek naar het gebruik van ervaringsdeskundigheid onder ggz-professionals. Gedurende ruim vier jaar werd kwalitatief en participatief onderzoek uitgevoerd bij vier zorgorganisaties. Naast een literatuurstudie werd er ook praktijkgericht samengewerkt met cliënten, ervaringsdeskundigen, professionals, bestuurders en managers. Een belangrijke vraag hierin was: ‘Wat levert professionele ervaringskennis binnen een therapeutische setting op en hoe kan dit door ggz-professionals worden ingezet?’
DOCUMENT
Publicatie over de rol van ervaringsdeskundigen in het GGZ
DOCUMENT
Het doel van reclasseringswerk is voorkomen en verminderen van crimineel gedrag en vanuit veiligheid en zorg bijdragen aan duurzame re-integratie en resocialisatie van delinquenten. Reclasseringswerkers worden in het werken daaraan geconfronteerd met emoties van cliënten en die van zichzelf. Er is nog weinig onderzoek gedaan naar hoe reclasseringswerkers omgaan met emoties in hun werk en hoe ze deze uiten in cliëntencontact. De aandacht gaat tot nu toe vooral uit naar het uiten van emoties als empathie of humor die belangrijk zijn in effectieve werkwijzen in het reclasseringswerk zoals prosociaal modelleren of motivational interviewing. Maar wat doe je als je die emoties niet direct voelt en hoe ga je om met emoties als boosheid, walging, ergernis? Dat vraagt om emotional labour, zoals Hochschild dat noemt: werken om een emotie te uiten die bijdraagt aan het doel dat je als reclasseringswerker voor ogen hebt. En dat betekent soms iets maskeren of juist veinzen. In dit artikel doen we verslag van een kleinschalig verkennend onderzoek onder reclasseringswerkers van Inforsa Amsterdam (verslavingsreclassering) naar emoties die zij ervaren in hun werk, de wijze waarop zij emoties uiten in de interactie met hun cliënten en wat er volgens hen nodig is om ondanks de emotionele ballast van hun werk, hun veerkracht te behouden. We gaan allereerst in op emoties en schetsen vervolgens hoe emoties een rol kunnen spelen in de reclasseringspraktijk en wat voor emotional labour dat vraagt van de reclasseringswerkers in de interactie met hun cliënten. We sluiten af met enkele conclusies en implicaties voor de praktijk.
DOCUMENT
Om goede jeugdhulp te kunnen bieden is professionele ruimte essentieel. Dit onderzoek laat zien dat veel professionals in de regio Haaglanden die ruimte vaak niet ervaren. Met name de ruimte om een goede band op te kunnen bouwen met en te doen wat nodig is voor cliënten en de ruimte voor reflectie staan nu volgens professionals onder druk. We zien hierin verschillen tussen professionals van verschillende aanbieders. Terwijl met name werknemers van GI’s onvoldoende ruimte ervaren om te doen wat nodig is voor cliënten en te investeren in hun relatie met cliënten, ervaren werknemers van de gespecialiseerde jeugdhulp te weinig ruimte voor reflectie.
MULTIFILE
Engeland en Wales waren lange tijd gidslanden voor het reclasseringswerk in Europa. Het is pijnlijk om te zien hoe een goede praktijk wordt afgebroken op grond van politiek-ideologische motieven. Toch kunnen we ook nu van Engeland en Wales leren: uitbesteden van reclasseringswerk aan de goedkoopste aanbieder is geen goed idee. Reclasseringswerk is een complex vak dat niet zomaar uitgevoerd kan worden door een organisatie die daarnaast bedrijfsrestaurants beheert en huishoudelijk hulp verzorgt (Sodexo is een van de aanbieders van reclasseringswerk in Engeland). Daarom zou ik politici en ambtenaren van het ministerie van Veiligheid en Justitie die overwegen om het reclasseringswerk aan 'de markt' over te laten, willen adviseren: ga eerst over de grens kijken en keer dan op je schreden terug.
MULTIFILE
Waarom dit position paper? De tijd is rijp om te werken met ervaringen en ervaringsdeskundigheid in het HBO. Dit position paper beoogt een standpunt in te nemen vanuit het HSAO onderwijs waar gewerkt wordt met ervaringskennis. Dit is een eerste poging de ervaringen van vijf hogescholen te bundelen en naar buiten te brengen, met als belangrijke kanttekening dat het een momentopname betreft en dit document ook als zodanig gelezen mag worden. Het werken met ervaringen en ervaringskennis van studenten en docenten binnen ons onderwijs verloopt verschillend. Het aantal studenten met ingrijpende levenservaringen is indrukwekkend. Uit onderzoek van zowel Hogeschool Windesheim als Hogeschool Utrecht blijken in totaal 2/3 van de studenten van sociale opleidingen persoonlijk of via een naaste, ervaringen te hebben met psychiatrie, verslaving of andere problematiek (Karbouniaris, 2009). Over het algemeen wordt in de opleidingen nauwelijks aandacht besteed aan deze persoonlijke ervaringen van studenten (of docenten) als bron van kennis en deskundigheid. Zowel landelijk als internationaal krijgt dit in toenemende mate aandacht. Recente ontwikkelingen (Welzijn Nieuwe Stijl) in het sociale domein maken juist het belang van aansluiten bij de leef- en belevingswereld van mensen in kwetsbare posities duidelijk. Dat veronderstelt een speciaal inlevingsvermogen, maar ook een vermogen om vanuit een ander perspectief dan van jezelf als professional te kijken naar krachten en kansen. Het gebruik maken van eigen ervaringen en ervaringskennis, in hetzelfde schuitje gezeten te hebben, geeft daarin een voorsprong.
DOCUMENT
Vierdejaarsstudenten van de HU-opleidingen Maatschappelijk Werk en Dienstverlening (MWD) en Sociaal Pedagogische Hulpverlening (SPH, inmiddels Social Work) krijgen voor hun afstuderen de opdracht een artikel te schrijven over een zelfgekozen onderwerp. De vierdejaars van deze opleidingen dongen in 2018 opnieuw mee naar prijzen voor het beste artikel. De winnaar van de Topartikelenwedstrijd 2018 is: Roy Leunen met zijn artikel ‘Help, ik word hulpverlener’. Roy schijft een artikel over peer-support voor aankomend Sociaal Werkers. Hij beschrijft de groeiende aandacht, zowel nationaal als internationaal, voor de inzet van ervaringsdeskundigheid in de GGZ en aangrenzende werkvelden. Hij verwijst naar onderzoeken van zowel Hogeschool Utrecht als Hogeschool Windesheim waaruit blijkt dat twee derde van de studenten van sociale opleidingen persoonlijk of via een naaste, ervaringen heeft met psychiatrie, verslaving of andere problematiek. Deze ervaringen kunnen een bron van kracht en kennis zijn, betoogt Roy. Hij ziet binnen het onderwijs de aandacht voor ervaringskennis van aankomend professionals weliswaar toenemen, maar wijst erop dat het niet eenvoudig is om ruimte te creëren voor het bespreekbaar maken van persoonlijke ervaringen door studenten. Zelfstigma kan daar een rol bij spelen. Hij benadrukt daarom het belang van de introductie van peer-supportgroepen. Peer-supportgroepen zouden ook kunnen bijdragen aan het verlagen van psychische druk die studenten ondervinden, door de confrontatie met hun eigen ervaringen binnen hun opleiding en stage.
DOCUMENT
Dit onderzoek meet de ervaren effecten van de pilottraining 'Doorbreek eenzaamheid en sociaal isolement' voor vrijwillige en professionele ondersteuners die plaatsvond in de periode september 2014 - maart 2015 op zes locaties in Nederland. Het doel van de pilottraining en bijbehorend werkboek, inmiddels getiteld Eenzaam ben je niet alleen. Samen werken aan een nieuwe visie op eenzaamheid en sociaal isolement, is professionals en vrijwilligers te ondersteunen bij vragen rondom eenzaamheid en sociaal isolement. Uitgangspunt is een geïntegreerde werkwijze die uitgaat van de vraag van de persoon die kampt met eenzaamheid of sociaal isolement. Zo werd tijdens de pilot getraind op het: signaleren, bespreekbaar maken, de vraag verhelderen en het maken van een persoonlijk (actie)plan. In dit onderzoek is de handelingsbekwaamheid rondom eenzaamheid en sociaal isolement van de deelnemers aan de pilottraining gemeten en niet de effecten van de training voor de persoon die met eenzaamheid of sociaal isolement kampt.
DOCUMENT
In dit rapport wordt verslag gedaan van de bevindingen uit deelproject 2: een onderzoek naar de metamethodiek wraparound care bij drie instellingen voor verslavingsreclassering. Het onderzoek is begeleid door Jo Hermanns, Anneke Menger en Rene Butter. Luisteren naar de cliënt, de cliënt serieus nemen en de continuïteit van zijn begeleiding waarborgen; belangrijke elementen van een goed reclasseringstraject. Maar hoe doe je dit bij een doelgroep die middelen gebruikt en veelal ook psychiatrische problemen heeft? Dit onderzoeksrapport maakt duidelijk dat wraparound care toegevoegde waarde heeft voor reclasseringswerkers. Het onderzoek richt zich op het verbeteren van de samenhang en continuïteit in de justitieketen, wat voor deze kwetsbare doelgroep erg belangrijk is. Vaak krijgen cliënten in de praktijk te maken met verschillende partijen die allemaal een klein stukje van de problemen proberen op te lossen. Het komt voor dat de verschillende partijen niet van elkaar weten wat ze doen, soms zelfs met tegenstrijdige behandelingen en adviezen tot gevolg. De cliënt raakt hiervan in de war en weet niet meer naar welke hulpverlener hij moet luisteren. Met uiteindelijk een minder effectieve aanpak tot gevolg. Wraparound care vormt een team om een cliënt heen, waar die cliënt zelf ook deel van uitmaakt. Alle betrokken partijen weten van elkaar wat ze doen. Ze verdelen de taken en verantwoordelijkheden. Er wordt gewerkt vanuit de eigen kracht van de cliënt. Dit sluit naadloos aan bij de specifieke aanpak van de verslavingsreclassering, waarin de visie van de cliënt ook belangrijk is. Als een cliënt zelf verantwoording neemt voor het reclasseringstraject, daalt de kans op herhalingscriminaliteit fors. En dat is juist waar de verslavingsreclassering voor staat: het strafrecht effectiever maken.
DOCUMENT