Background: Effective and sustainable interventions are needed to counteract the decline in physical function and sarcopenia in the growing aging population. The aim of this study was to determine the 6 and 12 month effectiveness of blended (e-health + coaching) home-based exercise and a dietary protein intervention on physical performance in community-dwelling older adults. Methods: This cluster randomized controlled trial allocated 45 clusters of older adults already engaged in a weekly community-based exercise programme. The clusters were randomized to three groups with ratio of 16:15:14; (i) no intervention, control (CON); (ii) blended home-based exercise intervention (HBex); and (iii) HBex with dietary protein counselling (HBex-Pro). Both interventions used a tablet PC with app and personalized coaching and were targeting on behaviour change. The study comprised coached 6 month interventions with a 6 month follow-up. The primary outcome physical performance was assessed by modified Physical Performance Test (m-PPT). Secondary outcomes were gait speed, physical activity level (PAL), handgrip muscle strength, protein intake, skeletal muscle mass, health status, and executive functioning. Linear mixed models of repeated measured were used to assess intervention effects at 6 and 12 months. Results: The population included 245 older adults (mean age 72 ± 6.5 (SD) years), 71% female, and 54% co-morbidities observed. Dropout of the intervention was 18% at 6 months and 26% at 12 months. Participants were well functioning, based on an m-PPT score of 33.9 (2.8) out of 36. For the primary outcome m-PPT, no significant intervention effects (HBex, +0.03, P = 0.933; HBex-Pro, −0.13, P = 0.730) were found. Gait speed (+0.20 m/s, P = 0.001), PAL (+0.06, P = 0.008), muscle strength (+2.32 kg, P = 0.001), protein intake (+0.32 g/kg/day, P < 0.001), and muscle mass (+0.33 kg, P = 0.017) improved significantly in the HBex-Pro group compared with control group after 6 month intervention. The protein intake, muscle mass, and strength remained significantly improved after 12 months as compared with those of control. Health change and executive functioning improved significantly in both intervention groups after 6 months. Conclusions: This HBex and dietary protein interventions did not change the physical performance (m-PPT) in community-dwelling older adults. Changes were observed in gait speed, PAL, muscle mass, strength, and dietary protein intake, in response to this combined intervention.
MULTIFILE
Background: The concept of Functional Independence (FI), defined as ‘functioning physically safe and independent from other persons, within one’s context”, plays an important role in maintaining the functional ability to enable well-being in older age. FI is a dynamic and complex concept covering four clinical outcomes: physical capacity, empowerment, coping flexibility, and health literacy. As the level of FI differs widely between older adults, healthcare professionals must gain insight into how to best support older people in maintaining their level of FI in a personalized manner. Insight into subgroups of FI could be a first step in providing personalized support This study aims to identify clinically relevant, distinct subgroups of FI in Dutch community-dwelling older people and subsequently describe them according to individual characteristics. Results: One hundred fifty-three community-dwelling older persons were included for participation. Cluster analysis identified four distinctive clusters: (1) Performers – Well-informed; this subgroup is physically strong, well-informed and educated, independent, non-falling, with limited reflective coping style. (2) Performers – Achievers: physically strong people with a limited coping style and health literacy level. (3) The reliant- Good Coper representing physically somewhat limited people with sufficient coping styles who receive professional help. (4) The reliant – Receivers: physically limited people with insufficient coping styles who receive professional help. These subgroups showed significant differences in demographic characteristics and clinical FI outcomes. Conclusions: Community-dwelling older persons can be allocated to four distinct and clinically relevant subgroups based on their level of FI. This subgrouping provides insight into the complex holistic concept of FI by pointing out for each subgroup which FI domain is affected. This way, it helps to better target interventions to prevent the decline of FI in the community-dwelling older population.
The objective of this study was to generate groups of agri-food producers with high affinity in relation to their sustainable waste management practices. The aim of conforming these groups is the development of synergies, knowledge management, and policy- and decision-making by diverse stakeholders. A survey was conducted among the most experienced farmers in the region of Nuevo Urecho, Michoacán, Mexico, and a total of eight variables relating to sustainable waste management practices, agricultural food loss, and the waste generated at each stage of the production process were examined. The retrieved data were treated using the maximum inverse correspondence algorithm and the Galois Lattice was applied to generate clusters of highly affine producers. The results indicate 163 possible elements that generate the power set, and 31 maximum inverse correspondences were obtained. At this point, it is possible to determine the maximum number of relationships, called affinities. In general, all 15 considered farmers shared the measure of revaluation of food waste and 90% of the farmers shared affinity in measures related to ecological care and the proper management of waste. A practical implication of this study is the conformation of highly affine clusters for both policy and strategic decision-making.
LINK
Het onderzoek gaat over hoe verschillende maatschappelijke organisaties in Nederland zich verhouden tot de problemen die artificiële intelligentie (AI) met zich meebrengt. Daarbij kan je denken aan toegang tot het recht en discriminatie.Doel Het doel is te reconstrueren wat de positie is van maatschappelijke organisaties in Nederland ten aanzien van AI. Maatschappelijke organisaties spelen een belangrijke rol bij het vorm geven aan tegenmacht. Resultaten Verschillende clusters van tegenmacht in de context van AI zijn geïdentificeerd. Namelijk verzet & protest, meebewegen, meedenken & bijsturen en confronteren & controleren. Verder worden de ontwikkelingen beschreven die bijdragen aan de wijze waarop tegenmacht vorm krijgt. Looptijd 01 april 2020 - 28 oktober 2021 Aanpak Het working paper biedt een overzicht van de stand van zaken van tegenmacht. Dat is gebaseerd op kwalitatief onderzoek. Daarnaast zijn open interviews afgenomen met 19 maatschappelijke organisaties en achtergrondgesprekken met 9 wetenschappers en 4 kunstenaars.
Motivatie Het versterken van de samenwerking tussen relevante lectoraten door het ontwikkelen van een multidisciplinaire onderzoeksagenda op het terrein van Arbeid in de brede zin van het woord. Hierdoor kan de thematiek rondom toegang tot en behoud van arbeid vanuit meerdere kanten worden aangevlogen én kan focus en massa worden gecreëerd voor onderzoeksprogrammering en –funding. Daardoor kunnen we als lectoraten een belangrijke rol te spelen bij vraagstukken die betrekking hebben op het duurzaam (weer) aan het werk gaan én duurzaam aan het werk blijven. Achtergrond Om als individu zelfstandig en volwaardig te kunnen deelnemen aan onze participatiemaatschappij, is het hebben van werk cruciaal. Werk is echter voor mensen met minder of onvoldoende arbeids-, persoonlijk-, sociaal-, en cultureel kapitaal en/of toegang tot hulpbronnen steeds minder vanzelfsprekend. Naast traditioneel kwetsbare groepen – zoals laagopgeleiden, mensen met een chronische aandoening en migranten - zijn er nieuwe categorieën, waaronder veel middelbaar en hoog opgeleiden, voor wie het lastig is/wordt structureel betaald werk te vinden. De oorzaak ligt voornamelijk bij de toenemende digitalisering en robotisering in combinatie met de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Ook werk op academisch niveau, dat gebaseerd is op regels, bijvoorbeeld accountancy en rechtspraak, zal steeds vaker (deels) geautomatiseerd kunnen worden (Est et al. 2015, Went et al. 2015). Anderzijds zijn er sectoren, zoals techniek en ICT, die een steeds grotere behoefte hebben aan hoogopgeleid personeel en waar het lastig is om voldoende gekwalificeerde mensen te krijgen. Tot slot zien we in alle sectoren een toename van stress- en burn-out klachten, die deels gerelateerd zijn aan traditionele, functioneel ingerichte organisaties. Het bovenstaande biedt geen rooskleurig beeld voor grote groepen in de samenleving en vanuit een breed Platform Arbeid willen we de thema’s op het terrein van arbeid vanuit meerdere perspectieven benaderen en in samenhang beschouwen.
Als geen andere grondstof is metaal oneindig herbruikbaar. De Koninklijke Metaalunie heeft daarom de ambitie uitgesproken om samen met de ketenpartners - onderwijs- en kennisinstellingen, de ministeries van Infrastructuur en Milieu (IenM) en Economische Zaken (EZ) en ondernemers - onderzoek en projecten uit te voeren om de circulariteit van de metaalketen te verbeteren. De sector sluit daarbij aan bij het stimuleringsbeleid van de Rijksoverheid gericht op de overgang naar een 100 procent circulaire economie. De Metaalunie wil geen volger zijn, maar een actieve rol vervullen om circulariteit binnen de metaalsector te bevorderen. Kennis is er weliswaar voldoende maar vindt nog onvoldoende zijn weg naar de sector. Wanneer meer bedrijven in de metaalketens de potentie van de circulariteit zien, zal dit leiden tot nieuwe en verbeterde producten. De verwachting is dat door het in kaart brengen en benoemen van de meerwaarde/toegevoegde waarde, meer bedrijven de circulaire economie als uitgangspunt zullen nemen bij productontwikkeling. En dit creëert dan weer afzetmogelijkheden, verbetert de concurrentie-positie en draagt bij aan groei en werkgelegenheid. De Metaal Recycling Federatie (MRF) stelt zich het bevorderen van de milieuvriendelijke en economisch verantwoorde recycling van alle gebruikte metalen in Nederland ten doel. De MRF vertegenwoordigt 160 van de 400 ondernemingen die actief zijn op de recycling van ferro en non-ferro. De federatie vertegenwoordigt daarmee 85 procent van het totale verhandelde volume van de gehele branche in Nederland. De MRF constateert dat gebruikt metaal weliswaar voor meer dan 90 procent wordt gerecycled, maar is van mening dat verdere optimalisatie kan worden bereikt door de producten (nog) beter geschikt te maken voor hergebruik. Dat stelt bijzondere eisen aan het ontwerp van die producten: design-for-recycling. Met dit KIEM-project wil de MRF een beter inzicht krijgen in de problemen die recyclers ondervinden bij de demontage en vervolgens recycling van producten waarin metaal is verwerkt. Uiteraard wil de MRF vervolgens bezien hoe de knelpunten kunnen worden weg genomen. Twee MRF-leden, die zich bezig houden met resp. de verwerking van elektronica en restmaterialen en met het inzamelen van accu?s en non ferro materialen, hebben concreet aangegeven hun keten meer circulair in te richten. Zij hebben behoefte aan praktisch toepasbare kennis hoe dit te realiseren. Het project legt de focus op het inzicht krijgen in de mogelijkheden (het HOE) van de elektrische huishoudelijke apparaten en de accuketens om de circulariteit van de ketens verder te verbeteren. Het slaat daarmee een brug tussen beschikbare kennis en de toepassing daarvan, met als uiteindelijk doel dat meer bedrijven in de metaalsector de circulaire economie als uitgangspunt hanteren in hun business model. De praktijkvragen van de bedrijven zijn vervat in drie clusters: 1. De wijze waarop hoogwaardig hergebruik en recycling van huishoudelijke apparaten en accu?s (verder) kan worden verbeterd; 2. Onderzoek naar de praktijk van ontmanteling, scheiding en recycling van producten: - Welke keten- c.q. netwerksamenwerkingen zijn opportuun? - Welke knelpunten (techniek, communicatie, anders) moeten opgelost worden? - Welke internationale kennis en ervaring is opportuun? 3. Wat betekent dit voor de, overwegend MKB-, bedrijven in de metaalrecycling sector? Er wordt samengewerkt met Avans Hogeschool en partners in de elektrische huishoudelijke apparaten en accu-recycling ketens. De uitkomsten van het project zijn: - een beschrijving van de circulaire keten met de verbeteringen daarvan in elk van de twee gekozen ketens, t.w. huishoudelijke elektrische apparaten en accu?s; - een voorstel voor oplossingsrichtingen naar verschillende aspecten: ontwerpmethodes, verdienmodellen, juridische en samenwerkingsaspecten, en tenslotte - ?best practices? vanuit de twee ketens.