Objective: To explore the relationship between personal characteristics of older adults with multiple chronic conditions (MCCs) and perceived shared decision making (SDM) resp. decisional conflict. Methods: In a video-observational study (N = 213) data were collected on personal characteristics. The main outcomes were perceived level of SDM and decisional conflict. The mediating variable was participation in the SDM process. A twostep mixed effect multilinear regression and a mediation analysis were performed to analyze the data. Results: The mean age of the patients was 77.3 years and 56.3% were female. Health literacy (β.01, p < .001) was significantly associated with participation in the SDM process. Education (β = −2.43, p = .05) and anxiety (β = −.26, p = .058) had a marginally significant direct effect on the patients’ perceived level of SDM. Education (β = 12.12, p = .002), health literacy (β = −.70, p = .005) and anxiety (β = 1.19, p = .004) had a significant direct effect on decisional conflict. The effect of health literacy on decisional conflict was mediated by participation in SDM. Conclusion: Health literacy, anxiety and education are associated with decisional conflict. Participation in SDM during consultations plays a mediating role in the relationship between health literacy and decisional conflict. Practice Implications: Tailoring SDM communication to health literacy levels is important for high quality SDM.
MULTIFILE
Purpose This study aims to enhance understanding of the collaboration between chairs of nurse councils (CNCs) and members of executive hospital boards (BM) from a relational leadership perspective. Design/methodology/approach The authors used a qualitative and interpretive methodology. The authors study the daily interactions of BM and CNCs of seven Dutch hospitals through a relational leadership lens. The authors used a combination of observations, interviews and document analysis. The author’s qualitative analysis was used to grasp the process of collaborating between BM and CNCs. Findings Knowing each other, relating with and relating to are distinct but intertwined processes that influence the collaboration between BM and CNC. The absence of conflict is also regarded as a finding in this paper. Combined together, they show the importance of a relational process perspective to understand the complexity of collaboration in hospitals. Originality/value Collaboration between professional groups in hospitals is becoming more important due to increasing interdependence. This is a consequence of the complexity in organizing qualitative care. Nevertheless, research on the process of collaborating between nurse councils (NCs) and executive hospital boards is scarce. Furthermore, the understanding of the workings of boards, in general, is limited. The relational process perspective and the combination of observations, interviewing and document analysis proved valuable in this study and is underrepresented in leadership research. This process perspective is a valuable addition to skills- and competencies-focused leadership literature.
MULTIFILE
Organisations of land managers in landscape management face the challenge of combining the need to foster bonding social capital within their member groups with the need to develop bridging social capital with other stakeholders and linking social capital with public authorities. This paper compares the concepts of self-governing groups, boundary organisations and quangos, to analyse how agri-environmental collectives in the Netherlands navigate their identity in interactions with public authorities and manage potential trade-offs between different forms of social capital. It shows the paradoxical situation that these self-governing collectives have to adopt characteristics of public agencies, in order to meet the demands of the Dutch government and EU legislation, required to gain the trust of the authorities for more room for self-governance. The resulting ‘professionalization’ and enlargement of agri-environmental collectives is likely to reduce bonding social capital, which in turn is an important asset for effective landscape management. In order to prevent this counterproductive incentive of expecting self-governing groups to behave like public agencies, we recommend to nourish and protect the in-between identity of agri-environmental collectives, to acknowledge their variety, and to allow them to be self-governing groups as well as boundary organisations.
MULTIFILE
Eind 2022 woonden in Nederland 17.652 kinderen in een pleeggezin. Van alle pleegzorgplaatsingen betrof 46% een plaatsing in het eigen netwerk van het pleegkind, dat meestal de eigen familie is. Bij deze familieplaatsingen hebben kinderen vaker met loyaliteitsconflicten te maken vanwege complexe familierelaties dan bij plaatsingen buiten hun familie(netwerk). Familiebanden blijken een bijzondere kracht en veerkracht in familieplaatsingen: ‘Eigen bloed is het waard om voor te vechten’ (pleegzorgwerker, Van de Koot et al., 2023). Hoewel familiepleegzorg een veelbelovende vorm van pleegzorg is qua stabiliteit en vertrouwdheid voor het kind, zorgen de intergenerationele familiebanden voor meer conflicten, hoogoplopende emoties en specifieke spanningen. Hierdoor stellen familieplaatsingen de betrokken pleegzorgwerkers vaak voor uitdagingen. Vaak verblijft het kind al in het (familie)pleeggezin voordat de pleegzorgwerker betrokken raakt en kunnen er zorgen bestaan over de veiligheid van het kind. Familieplaatsing in pleegzorg vraagt daarom van pleegzorgwerkers bijzondere kennis en vaardigheden over: 1) het begeleiden van de plaatsing van het pleegkind, en 2) het begeleiden van de familierelaties. Daarover is enerzijds meer onderzoek nodig in de sterke punten en belemmeringen van familiepleegzorg, alsmede de behoeften van pleegkinderen, hun ouders en pleegouders. Anderzijds is het van belang inzicht te krijgen in de vaardigheden, hulpmiddelen en werkvormen die pleegzorgwerkers nodig hebben om deze specifieke vorm van pleegzorg te begeleiden, zodat familieplaatsingen duurzaam en stabiel blijven en/of worden. Dit onderzoek beoogt antwoord te geven op de volgende vraag ‘Hoe kunnen pleegzorgwerkers het pleegkind en zijn pleegouders, ouders en mogelijke andere familieleden gedurende familieplaatsingen zo begeleiden dat de relaties rondom het pleegkind van dusdanige aard zijn dat de loyaliteit van het kind naar alle voor hem belangrijke familieleden mag uitgaan?’. Het consortium beoogt dat potentieel veelbelovende plaatsingen voor kinderen minder vaak in breakdown eindigen, maar dat het kind relationele stabiliteit en welzijn ervaart.
Bedrijfsovername is een grote uitdaging voor agrarische familiebedrijven, waarbij het sociaal-emotioneel welzijn van de familie is geïdentificeerd als een belangrijk knelpunt. Vanuit het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK) en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) is in 2019 het beleidsprogramma Duurzame Bedrijfsopvolging gestart om het aantal succesvolle bedrijfsoverdrachten te verhogen. Een belangrijk onderdeel hiervan is een op te richten Kenniscentrum. Dit project wil het Kenniscentrum voeden met onderzoek naar de familiale dimensie van bedrijfsopvolging. Het praktijkonderzoek wordt uitgevoerd door een consortium bestaande uit het Lectoraat Familiebedrijven van Hogeschool Windesheim, Aeres Hogeschool Dronten, Van Hall Larenstein Leeuwarden, het Fries Sociaal Planbureau, het NAJK en LTO Noord. Doel van dit project is het inventariseren en evalueren van de ondersteunende advies- en kennisinfrastructuur op de familiale dimensie bij het opvolgingstraject van agrarische familiebedrijven. Dit doen we door inzichten op te halen bij zestien agrarische bedrijfsfamilies, in verschillende stadia van het opvolgingsproces. In het project vergelijken we hoe de families en de ondersteunende advies- en kennispartijen omgaan met de belangen en behoeften van verschillende familieleden (opvolgers, overdragers, partners en niet-opvolgers) tijdens het opvolgingsproces. Daarnaast wordt kwantitatief onderzoek gedaan onder studenten op de twee deelnemende agrarische hogescholen, om de behoeften en verwachtingen van potentiële opvolgers en niet-opvolgers ten aanzien van bedrijfsoverdracht in kaart te brengen. Het project moet resulteren in gevalideerde verbetervoorstellen (stappenplannen) voor zowel agrarische bedrijfsfamilies als adviseurs gericht op de verschillende stadia van bedrijfsopvolging. Ook worden spelvormen ontwikkeld om moeilijke en relationeel ingewikkelde onderwerpen beter bespreekbaar te maken in het agrarisch onderwijs. Tot slot worden de resultaten van het onderzoek geschikt gemaakt voor gebruik binnen agrarische scholen om het curriculum over de zachte kant van bedrijfsopvolging te versterken.
In dit project verricht het lectoraat Familiebedrijven van Hogeschool Windesheim samen met de Hogeschool Utrecht, Hogeschool van Amsterdam, CUMELA, de Jong & Laan en MKB familiebedrijven praktijkgericht onderzoek naar financiering en besluitvorming bij MKB familiebedrijven. Nu banken vanwege de economische crisis terughoudender zijn geworden in kredietverlening en hun financieringseisen hebben verzwaard, zijn meer bedrijven aangewezen op eigen middelen en familiekapitaal. Vormen van zelf-financiering worden steeds belangrijker om groei en continuïteit van MKB familiebedrijven te waarborgen. Met name bij de overdracht van kapitaalintensieve MKB familiebedrijven worden complexe financieringsconstructies bedacht om de overname mogelijk te maken. Vaak wordt hierbij onvoldoende nagedacht over het onderscheid tussen de verschillende rollen die familieleden kunnen hebben als ze met hun vermogen in het bedrijf zitten (eigenaar of andere vermogensverschaffer, familielid, directielid, werknemer). Hierdoor kan onduidelijkheid ontstaan over onderwerpen zoals besluitvorming, rendement op vermogen, zeggenschap en beloningsstructuren, waardoor op termijn conflicten kunnen ontstaan. Daarnaast kan de besturing van ondernemingen door de verschillende belangen van vermogensverschaffers in negatieve zin worden beïnvloed en kan dit (op termijn) de continuïteit, wendbaarheid en groei van ondernemingen in gevaar brengen. Zowel in de praktijk als in het onderzoek ontbreekt het aan kennis over hoe met deze problematiek kan worden omgegaan. Dit project heeft daarom tot doel om samen met de projectpartners nieuwe kennis te ontwikkelen rond zelf-financiering en besluitvorming in MKB familiebedrijven. Door middel van ontwerpgericht praktijkonderzoek wordt bestaande en nieuwe kennis over de rol van zelf-financiering en de positie van eigenaren omgezet in oplossingsrichtingen ter verbetering van de besluitvorming in MKB familiebedrijven. Door het monitoren van de uitgevoerde interventies zal worden vastgesteld of de oplossingsrichtingen in de praktijk werken. De kennis die uit dit project voortkomt beoogt daarmee het handelingsvermogen van eigenaren en directieleden te vergroten en zelf-financiering als mogelijke financieringsbron effectiever te maken.