It is by no means uncommon that academic scholars, journalists and even poets use the epi-thet ‘age of’ to signal how a certain feature is particularly characteristic of the times in which we live. In this chapter, we argue that it makes sense to address our current epoch as an ‘age of emotions’. Broadly speaking this entails that emotions, in many shapes and forms, have been widely recognized as decisive factors in social, cultural, economic and political realms in ways that were not the case before. For example, emotions are proven to play a key role in otherwise rational aspects of life such as political orientation and elections, as Arlie R. Hochschild so forcefully has demonstrated in her account of how people’s deep emotions are decisive when constructing their political identity and casting their vote (Hochschild 2016). In a more specific sense, emotions have historically been singled out as particularly informative about the psychic constitution of the times in which we live. W. H. Auden in 1947 famously declared that this epoch was an ‘age of anxiety’ (Auden 1948). Written in the aftermath of World War II, this pessimistic statement is not surprising: Anxiety was a normal human response to extraordinary circumstances. Recently, journalist of The Guardian, Oli-ver Burkeman, has pondered whether we currently live in an ‘age of rage’, in which people are – simply put – angrier than before, and in which social media is supporting and encourag-ing the ventilation of people’s rage and fury in a hitherto unseen manner. In relation to this chapter, the statement made by Allan V. Horwitz and Jerome C. Wakefield, based on an in-creasing prevalence of the phenomenon in question, that contemporary society should be understood as an ‘age of depression’, is noteworthy (Horwitz and Wakefield 2005). This characteristic begs the questions of how depression has become such an influential and prev-alent disorder in our times and how – even if – we should understand the phenomenon as an indicatory emotion of our epoch? Both as a sign of our times and as an emotion, depression is a particularly interesting phenomenon to study. This is not least due to its long and prolific history. As literary scholar Clark Lawlor has stated, it seems as if depression has been around forever and that depres-sion has been ‘fashionable throughout its history’ (Lawlor 2012:2). For centuries, Lawlor explains, depression has been a socio-cultural weighty condition that a significant amount of people has been emotionally affected by. Similarly, however, he also implies that the under-standing of depression – as a fashionable type of suffering – has changed proportionate to various socio-historical transformations. That is, depression is by no means a static descrip-tion of a specific type of human suffering. Depression changes and ‘relates’ to the societal circumstances it is situated in. If we focus on contemporary late modern society, two things hold true. First of all, there seems to be no doubt about the fact that the dominating under-standing of depression, by and large, is equivalent with the medically informed definition of Major Depression Disorder found in the DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders). In here, depression is perceived as a biomedical disease that people suffer from. Secondly, we are witnessing a societal proliferation of the diagnosis of depression unseen in history. WHO has expressed that a veritable depression alarm is ringing loudly worldwide, and that more than 264 million people of all ages now suffer from depression (www.who.int). The combination of these facts is interesting. It informs us about a situation in which a biomedical understanding of depression has inserted itself in the societal discourse about what depression is, and that this understanding has internalized itself in the lives of many people. How are we to fathom this? In this chapter, we shall address this by following four main steps. First, we shall explore how depression has come to be understood as a biomedical disorder that is treated as a specific diagnosable disease, and then show how this understand-ing has been criticized. Second, we elucidate how – and against the backdrop of what – con-temporary depression can be understood as an emotion. Third, we will attempt to nuance the understanding of depression as emotion by arguing that when one zooms in on the phenome-non – that is on the experience of depression – one comes to understand depression as ele-mentary disconnection. Fourth, and based on this deepened understanding, we shall show how the alleged ‘depression epidemic’ can be sensibly linked to a certain subject-position in contemporary culture. Lastly, we will discuss some important implications of this nuanced understanding of depression. This is an Accepted Manuscript of a book chapter published by Routledge/CRC Press in "Emotions in Culture and Everyday Life Conceptual, Theoretical and Empirical Explorations". on 27.05.2024, available online: https://www.routledge.com/Emotions-in-Culture-and-Everyday-Life-Conceptual-Theoretical-and-Empirical-Explorations/Jacobsen/p/book/9781032077314?srsltid=AfmBOop3BqR29YtXXk7FrP4zXPX2BNdx5XizlZGoNZo4fDYC9HJ9OwQE
DOCUMENT
Michel Foucault’s analysis of psychiatry´s birth around 1800 is well known. The French philosopherreversed the myth of PhilippePinel and William Tuke asliberatorsof the mad in the New Era after the French revolution: instead of a starting liberation we should consider it a completed elimination. The exclusion of madness from the realm of Reason is fulfilled. Insanity is silenced. From this moment on ‘the life of unreason no longer manifests itself except in the lightningflash of works such as those of Hölderlin, of Nerval, of Nietzsche,or of Artaud’, Foucault writes. And: ‘Sade's calm, patient language also gathers up the final words of unreason and also gives them, for the future, a remoter meaning.’ LinkedIn: https://www.linkedin.com/in/bert-van-den-bergh-95476526/
DOCUMENT
This article describes the relation between mental health and academic performance during the start of college and how AI-enhanced chatbot interventions could prevent both study problems and mental health problems.
DOCUMENT
Wat hebben we onderzocht?: Hoop en positief denken zijn begrippen die in het dagelijks taalgebruik van mensen met kanker veelvuldig worden gebruikt. Dit proefschrift wil bijdragen aan meer kennis over en inzicht op het gebied van hoop en positief denken bij mensen met kanker in verschillende stadia van de ziekte én vanuit het perspectief van hulpverleners. Onderzoeksvragen van dit proefschrift waren: 1) Wat is de betekenis van hoop voor mensen met kanker die ongeneeslijk ziek zijn? 2) Hoe gaan hulpverleners om met mensen met kanker die ongeneeslijk ziek zijn en hopen op zo lang mogelijk leven? 3) Welke factoren worden geassocieerd met hoop bij mensen met kanker die bezig zijn met behandelingen? 4) Welke betekenis heeft positief denken voor mensen met kanker die met curatieve opzet (genezend) worden behandeld. We zochten antwoorden op deze vragen door de ervaringen van mensen met kanker en hulpverleners centraal te plaatsen in de studies van dit proefschrift. Resultaten: Betekenis van hoop bij mensen met kanker die ongeneeslijk ziek zijn: Hopen wordt ervaren als stress reducerend en wordt gezien als noodzakelijk om te kunnen omgaan met hun situatie. Hopen geeft mensen met kanker veerkracht en maakt dat ze kunnen genieten in het heden. De sterkte van de hoop wordt vooral bepaald door het belang van het object waarop ze hopen, bijvoorbeeld het willen zien opgroeien van de kinderen. De sterkte van de hoop wordt nauwelijks bepaald door de kans om het doel daadwerkelijk te kunnen bereiken. Hopen geeft energie, maar kost ook energie. Mensen putten hoop uit verschillende bronnen, zoals positieve berichten van artsen. Als mensen de hoop niet uit krachtige bronnen kunnen putten, creëren mensen deze hoop zelf. Mensen gebruiken verschillende strategieën om hoop te creëren, zoals onder andere deel te nemen aan behandelingen en door vertrouwen in hun artsen te hebben. De hoop wordt bedreigd als de mogelijkheid op een negatieve uitkomst groter wordt. Het proces van het koesteren, voeden van de hoop en het verdedigen van de hoop, wanneer deze wordt bedreigd hebben we ‘the work of hope’ genoemd. Ervaringen van hulpverleners in het omgaan met ongeneeslijke zieke mensen met kanker: Onze studie laat zien dat de moeilijkheden die hulpverleners ervaren in het omgaan met hoopvolle palliatieve patiënten gebaseerd lijken te zijn op normatieve ideeën. Deze normatieve ideeën lijken gebaseerd te zijn op een gemeenschappelijk concept: een goede dood. Voor deze hulpverleners is een goede dood gebaseerd op goed afscheid kunnen nemen van hun dierbaren, zodat zij verder met hun leven kunnen. Goed afscheid kunnen nemen betekent dat de waarheid aanvaard dient te worden en dat men daarin berust. Hulpverleners zien het als hun professionele rol om patiënten te begeleiden naar de aanvaarding, berusting van het naderende einde. Hierdoor is de zorg niet altijd afgestemd op de wensen en behoeften van de patiënten. Literatuuronderzoek naar factoren geassocieerd met hoop gedurende behandelingen: Hoop is positief geassocieerd met kwaliteit van leven, sociale steun, spiritueel en existentieel welbevinden. Hoop is negatief geassocieerd met symptoomlast, psychologische distress en depressie. Geen relatie werd aangetoond tussen hoop, demografische en klinische factoren, zoals bijvoorbeeld leeftijd, geslacht en fase van de ziekte. De rol tussen hoop en angst is onduidelijk gebleven. Deze resultaten laten ons zien dat externe factoren (zoals demografische en klinische factoren) niet geassocieerd zijn met hoop. Terwijl intrinsieke factoren, wat wil zeggen factoren die worden ervaren en vastgesteld door patiënten zelf, zoals kwaliteit van leven, symptoomlast, psychologische distress en sociale steun wel geassocieerd zijn met hoop. Hoop lijkt veel meer een cognitief proces te zijn van een persoon, en gestuurd wordt door welke betekenis mensen toekennen aan factoren, dan dat deze van buitenaf wordt beïnvloed. Betekenis van positief denken bij mensen die met curatieve opzet (genezend) worden behandeld: Bij mensen met kanker die met curatieve opzet (genezend) zijn of worden behandeld blijkt niet hoop maar positief denken het centrale concept te zijn. Positief denken wil voor hen zeggen, leven alsof genezing een zekerheid is. Positief denken blijkt een manier te zijn om om te kunnen gaan met de onzekere toekomst. Mensen vinden dat ze positief moeten denken. Door positief te denken lukt het mensen om van het leven te kunnen genieten. Op deze manier kunnen ze ook de negatieve gedachten, die vaak aanwezig zijn, tijdelijk parkeren. Door dit tijdelijk parkeren van negatieve gedachten kan de stress gereduceerd worden en dit geeft ruimte om te leven. Dit leven kan dan op een meer betekenisvolle manier worden ingevuld. De mate waarin er inspanningen geleverd moeten worden om positief te denken kan per individu verschillen. Relatie hoop positief denken: Hoop en positief denken zijn afzonderlijke concepten, die dicht bij elkaar liggen en elkaar deels overlappen. Positief denken verschilt van hoop in de houding die mensen met kanker aannemen ten opzichte van de werkelijkheid. Positief denken wil zeggen dat mensen een negatieve afloop onwaarschijnlijk achten. Bij hoop is, in de ogen van wie hoopt, het bestaan van een negatieve afloop niet uit te sluiten maar daarom niet minder ongewenst. Hoop is er als een negatieve uitkomst ook mogelijk is, en tegen deze mogelijkheid willen mensen zich verzetten. Door te hopen zetten ze deze mogelijkheid als het ware achter een tochtscherm. In de curatieve fase brengt hoop geen rust wat ze met positief denken wel kunnen bewerkstelligen. Voor mensen in de curatieve fase levert hoop hen te weinig op. Hoop veronderstelt meer onzekerheid dan ze kunnen verdragen. Bij positief denken zegt men: “ik ga er vanuit dat het goed zal komen”, Bij hoop zegt men: “het kan ook goed komen”. Bij zowel hoop als positief denken gaat het over ‘iets’ wat ondraaglijk is, maar dat ‘iets’ is voor beide groepen wel iets anders. Aanbevelingen? Implicaties en aanbevelingen voor de praktijk: Het uitgangspunt voor de zorg van mensen met kanker zou moeten zijn om mensen te ondersteunen en helpen om te gaan met de uitdagingen waar ze voor staan. Een manier om zorg te bieden die afgestemd is op de wensen en behoeften van mensen met kanker, vereist in de eerste plaats dat hulpverleners weten wat deze wensen en behoeften zijn. Eenvoudige vragen als: “Wat is voor u belangrijk?” of “wat is, op dit moment, voor u belangrijk?” kunnen hierbij ondersteunend zijn. Patiënten voelen zich ondersteund als ze mogen hopen. Dat de hoop er mag zijn, ook als hetgeen waarop ze hopen, in de ogen van hulpverleners onrealistisch kan zijn. Patiënten waarderen eerlijkheid over de medische feiten die hulpverleners met hen bespreken. Deze eerlijke informatie hebben patiënten ook nodig. Ze willen immers geen valse hoop, patiënten willen weten hoe ze ervoor staan, alleen wel gecommuniceerd op een manier dat mensen hoop kunnen behouden. Hulpverleners kunnen hoop als hoop bevestigen door te zeggen: “Dat hoop ik ook, voor u”. Een helpende benadering zou kunnen zijn dat hulpverleners goed luisteren naar mensen met kanker met oprechte interesse. Door proberen te begrijpen wat mensen zeggen en daar hun boodschappen weer op af te stemmen, met eerbied voor de ambivalenties. Een persoonsgerichte benadering kan hierbij ondersteunend zijn. Implicaties voor onderwijs: Wat het onderwijs betreft, geldt dat hoop en positief denken bij mensen met kanker, of bij mensen met een (mogelijk of waarschijnlijke) ongunstige prognose in het algemeen, een thema moet zijn dat voldoende aandacht krijgt in de opleiding. Dat geldt voor de basisopleiding, maar al helemaal voor nascholingen aan zorgverleners en vrijwilligers werkzaam in de oncologische en palliatieve zorg. Eerlijke informatie geven, of eerlijk op uitspraken van patiënten reageren, en hoop niet wegnemen waar patiënten die koesteren, is niet vanzelfsprekend. Er is meer voor nodig dan vuistregels of communicatietechnieken. Onze ervaring met scholing in deze materie heeft ons geleerd dat positieve leereffecten bereikt kunnen worden door o.a. gebruik te maken van lesvormen waarin bestaande casuïstiek besproken kan worden en waarin de zorgverleners of vrijwilligers met elkaar in kleine groepjes kunnen discussiëren over deze casussen. In ziekenhuizen of andere zorginstellingen kan het ook helpen om deze thematiek te bespreken tijdens de patiëntenbespreking/ het multidisciplinair overleg of moreel beraad. Aanbevelingen voor verder onderzoek: In onze studies hebben we een aanzet gedaan om de relatie tussen de concepten hoop en positief te beschrijven, meer onderzoek naar de overeenkomsten en verschillen tussen beide concepten kan bijdragen aan een verdere conceptuele helderheid. Meer onderzoek kan ook gedaan worden naar de betekenis van hoop en positief denken bij specifieke groepen, zoals bijvoorbeeld naasten, mensen met een migratie achtergrond of bij mensen met kanker die ongeneeslijk ziek zijn en daar langdurig (10-15 jaar) mee (moeten) leven.
DOCUMENT
I shall use this editorial to express my mixed feelings about the COVID-19 pandemic that affected our lives strongly, personally and professionally, in very different ways for over two years. Going back to our schools, colleges and universities, without even wearing facemasks, sometimes feel a bit unfamiliar. This unfamiliarity also touches upon the way we think and act in our daily work. We are virtually standing at a crossroads: are we returning to our previous routines or moving ahead by incorporating our new pandemic-related experiences into our routines?
DOCUMENT
Emergency care (from ambulance to emergency room) is focused on somatic care: fixing the body. When a patient with mental dysregulation who experiences ‘disproportionate feelings like fear, anger, sadness or confusion, possibly with associated behaviours’ (Van de Glind et al. 2023) does not get appropriate attention, this can result in the disruption of treatment and even psychological trauma upon trauma. To improve the emergency care process, the authors of this paper - health researchers and design researchers engaged in a project based on the experience-based co-design (EBCD) approach (Donetto et al. 2015; Bate and Robert 2007). EBCD is a method used to design better experiences in healthcare settings, in cooperation with (former) patients and healthcare professionals. The process of EBCD involves partnerships between stakeholders and the discovery and sensemaking of experiences through specialized methods to gain an understanding of the interface between user and service, to design new experiences (Bate and Robert 2007, 31). There is, however, an interesting challenge in bringing patients and care professionals together. In emergency care, patients depend greatly on their healthcare providers. The patients in this study had existing mental vulnerabilities and may have been traumatized by previous visits. We needed to enable these stakeholders to be equal partners with ownership and power, one of the characteristics of co-design in EBCD (Donetto et al. 2015). In this paper, we describe how we adapted and applied the EBCD method, with a focus on creating equal partnerships. We also reflect on the extent of our success and the diBiculties we encountered in attaining this objective.
DOCUMENT
This article analyses four of the most prominent city discourses and introduces the lens of urban vitalism as an overarching interdisciplinary concept of cities as places of transformation and change. We demonstrate the value of using urban vitalism as a lens to conceptualize and critically discuss different notions on smart, inclusive, resilient and sustainable just cities. Urban vitalism offers a process-based lens which enables us to understand cities as places of transformation and change, with people and other living beings at its core. The aim of the article is to explore how the lens of vitalism can help us understand and connect ongoing interdisciplinary academic debates about urban development and vice versa, and how these ongoing debates inform our understanding of urban vitalism.
DOCUMENT
In het herstellen en behouden van zinvolle bezigheden voor mensen met een lichte of matige vorm van van de ziekte van Alzheimer is doelstelling van groot praktisch belang. De studies gericht op dit doel hebben vertrouwd op de verschillende strategieën van zelfmanagement van instruction cues. Zeven studies werden gevonden die plaats hadden in de periode 2008-2012 (dat wil zeggen, de periode waarin onderzoek op dit gebied daadwerkelijk vorm heeft gekregen). Die strategieën bestaan uit het gebruik van (1) verbale signalen aangeboden via audiorecorders, (2) visuele signalen aangeboden via computersystemen, en (3) een combinatie van verbale en visuele signalen gepresenteerd via computersystemen. Dit artikel geeft een overzicht van de hiervoor genoemde strategieën en bespreekt de resultaten daarvan, hun algemene doeltreffendheid, op prestaties en stemmingen, en hun geschiktheid en bruikbaarheid. Thema's voor toekomstig onderzoek werden eveneens onderzocht. ABSTRACT Helping people with mild or moderate Alzheimer's disease restore and maintain constructive occupations is an objective of great practical importance. Studies targeting this goal have relied on different strategies for self-management of instruction cues. Seven studies were identified in the period 2008- 2012 (i.e. the period in which research in this area has actually taken shape). These strategies consist of the use of (1) verbal cues presented via audio recording devices, (2) pictorial cues presented via computer-aided systems and (3) combinations of verbal and pictorial cues presented via computer-aided systems. This paper reviews these strategies and discusses their outcomes, their overall effectiveness on performance and mood, and their suitability and practicality. Issues for future research are also examined.
DOCUMENT
Many, many comparisons have been drawn in recent years between the current rise of (right-wing) populism and the financial crisis of 2008 that shook and continues to shake Europe to its core, and the tumultuous and horrifying events of the 1930s, which in the end resulted in the Second World War. A number of recent studies which (partially) focus on this decade carry ominous titles like To Hell and Back, The Age of Catastrophe and The Triumph of the Dark. Referred to by some historians as the second Thirty Years’ War, the period from the First World War to the end of the Second still continues to draw much academic and indeed public attention. In many cases, Germany deservedly plays a central role in the analysis, either in the form of the Kaiserreich or the ill-fated Weimar Republic and, of course, Nazi Germany. The five books under review here discuss European history between 1914 and 1950 in general, and that of Germany in particular, in this period. What do these books tell us about Europe’s and Germany’s path in the first half of the twentieth century, and what new insights do they provide? https://doi.org/10.1177/0265691418777981 LinkedIn: https://www.linkedin.com/in/martijn-lak-71793013/
MULTIFILE