Background: Esophageal cancer and curative treatment have a significant impact on the physical fitness of patients. Knowledge about the course of physical fitness during neoadjuvant therapy and esophagectomy is helpful to determine the needs for interventions during and after curative treatment. This study aims to review the current evidence on the impact of curative treatment on the physical fitness of patients with esophageal cancer. Methods: A systematic literature search of PubMed, Embase, Cinahl and the Cochrane Library was conducted up to March 29, 2021. We included observational studies investigating the change of physical fitness (including exercise capacity, muscle strength, physical activity and activities of daily living) from pre-to post-neoadjuvant therapy and/or from pre-to post-esophagectomy. Quality of the studies was assessed and a meta-analysis was performed using standardized mean differences. Results: Twenty-seven articles were included. After neoadjuvant therapy, physical fitness decreased significantly. In the first three months after surgery, physical fitness was also significantly decreased compared to preoperative values. Subgroup analysis showed a restore in exercise capacity three months after surgery in patients who followed an exercise program. Six months after surgery, there was limited evidence that exercise capacity restored to preoperative values. Conclusion: Curative treatment seems to result in a decrease of physical fitness in patients with esophageal cancer, up to three months postoperatively. Six months postoperatively, results were conflicting. In patients who followed a pre- or postoperative exercise program, the postoperative impact of curative treatment seems to be less.
The goal of this cross-sectional study was to further explore the relationships between motor competence, physical activity, perceived motor competence, physical fitness and weight status in different age categories of Dutch primary school children. Participants were 2068 children aged 4 to 13 years old, divided over 9 age groups. During physical education classes, they completed the 4-Skills Test, a physical activity questionnaire, versions of the Self-Perception Profile for Children, Eurofit test and anthropometry measurements. Results show that all five factors included in the analyses are related to each other and that a tipping point exists at which relations emerge or strengthen. Physical fitness is related to both motor competence and physical activity and these relationships strengthen with age. A relationship between body mass index and the other four factors emerges in middle childhood. Interestingly, at a young age, motor competence and perceived motor competence are weakly related, but neither one of these have a relation with physical activity. In middle childhood, both motor competence and perceived motor competence are related to physical activity. Our findings show that children in late childhood who have higher perceived motor competence are also more physically active, have higher physical fitness, higher motor competence and lower body mass index. Our results indicate that targeting motor competence at a young age might be a feasible way to ensure continued participation in physical activities throughout childhood and adolescence.
MULTIFILE
The six-minute walk test (6MWT) is a self-paced, submaximal exercise test used to assess functional exercise capacity in patients with chronic diseases (Chang 2006, Solway et al 2001). It has been used widely in adults, and is being utilised increasingly in paediatric populations; it has been used as an estimate of physical fitness in, for example, children with severe cardiopulmonary disease, cystic fibrosis, and juvenile idiopathic arthritis (Hassan et al 2010).
De technische en economische levensduur van auto’s verschilt. Een goed onderhouden auto met dieselmotor uit het bouwjaar 2000 kan technisch perfect functioneren. De economische levensduur van diezelfde auto is echter beperkt bij introductie van strenge milieuzones. Bij de introductie en verplichtstelling van geavanceerde rijtaakondersteunende systemen (ADAS) zien we iets soortgelijks. Hoewel de auto technisch gezien goed functioneert kunnen verouderde software, algorithmes en sensoren leiden tot een beperkte levensduur van de gehele auto. Voorbeelden: - Jeep gehackt: verouderde veiligheidsprotocollen in de software en hardware beperkten de economische levensduur. - Actieve Cruise Control: sensoren/radars van verouderde systemen leiden tot beperkte functionaliteit en gebruikersacceptatie. - Tesla: bij bestaande auto’s worden verouderde sensoren uitgeschakeld waardoor functies uitvallen. In 2019 heeft de EU een verplichting opgelegd aan automobielfabrikanten om 20 nieuwe ADAS in te bouwen in nieuw te ontwikkelen auto’s, ongeacht prijsklasse. De mate waarin deze ADAS de economische levensduur van de auto beperkt is echter nog onvoldoende onderzocht. In deze KIEM wordt dit onderzocht en wordt tevens de parallel getrokken met de mobiele telefonie; beide maken gebruik van moderne sensoren en software. We vergelijken ontwerpeisen van telefoons (levensduur van gemiddeld 2,5 jaar) met de eisen aan moderne ADAS met dezelfde sensoren (levensduur tot 20 jaar). De centrale vraag luidt daarom: Wat is de mogelijke impact van veroudering van ADAS op de economische levensduur van voertuigen en welke lessen kunnen we leren uit de onderliggende ontwerpprincipes van ADAS en Smartphones? De vraag wordt beantwoord door (i) literatuuronderzoek naar de veroudering van ADAS (ii) Interviews met ontwerpers van ADAS, leveranciers van retro-fit systemen en ontwerpers van mobiele telefoons en (iii) vergelijkend rij-onderzoek naar het functioneren van ADAS in auto’s van verschillende leeftijd en prijsklassen.
Er is momenteel een enorme groei op het gebied van consumentenproducten om activiteiten en bewegingen te meten; zowel voor de fitnessindustrie (bv. Fitbit, Jawbone) als in de gaming wereld (bv Kinect, Wii). Bedrijven op het gebied van zorgtechnologie vragen zich af of zij producten en diensten kunnen ontwikkelen op basis van deze technologie. In dit project richten we ons specifiek op de vraag van de bedrijven of met deze producten het valrisico van ouderen kan worden ingeschat. De incidentele metingen in een klinische omgeving kunnen dan worden vervangen door continue metingen in het dagelijks leven. Het onderzoek dat wordt uitgevoerd betreft het bepalen van de nauwkeurigheid, robuustheid en acceptatie van technologie om in realistische omgevingen (hier: woonomgeving en ziekenhuisom-geving) de bewegingskenmerken van ouderen te meten. Het onderzoek wordt ingericht rond de onderzoeksvraag: Hoe kunnen technologieën voor bewegingsregistratie die zich hebben bewezen in een labsetting worden ingezet in de woonomgeving en in het ziekenhuis, ten behoeve van het inschatten van val-risico bij ouderen? Het onderzoek zal worden uitgevoerd in twee parallel lopende cases: valrisico meten in de woon-omgeving en valrisico meten in het ziekenhuis. In beide gevallen wordt een living lab aanpak ge-volgd: de technologische oplossingen van de MKB worden op iteratieve wijze, in de praktijk , be-studeerd en verder ontwikkeld. Ook de inbedding van de technologie in het zorgproces wordt in het onderzoek meegenomen. De kennis die wordt opgedaan zal worden gebruikt door de participerende MKB in nieuwe pro-ducten en diensten. Het onderzoek wordt uitgevoerd door een multidisciplinair team bestaande uit de Hogeschool van Amsterdam (Domein Digitale Media en Creatieve Industrie en Domein Gezond-heid), de Vrije Universiteit (Bewegingswetenschappen), het AMC (Geriatrie), zorgaanbieders Cor-daan en Amsta en de participerende MKB. De resultaten zullen worden gepresenteerd op twee publieke seminars, in vakbladen en op we-tenschappelijke conferenties.
Ballet en moderne dans zijn een vorm van topsport. De druk op dansers is enorm. Lange en intensieve werkdagen, veel reizen en verschillende werkplekken maken het lastig om lichaam en geest goed te verzorgen. Hierdoor liggen blessures en mentale klachten op de loer. Nederlandse dansgezelschappen willen meer aandacht gaan besteden aan preventieve maatregelen om fysieke en mentale problemen bij hun dansers te voorkomen. Het ontbreekt hen echter aan kennis en kunde om dit innovatieve vraagstuk op te kunnen pakken. Het Nationale Ballet en het Scapino Ballet hebben het lectoraat Performing Arts Medicine van Codarts (Hogeschool voor de Kunsten Rotterdam) benaderd om antwoord te krijgen op de vraag hoe dansers op de hoogste podia, op gezonde wijze, hun beste performance kunnen laten zien. Gezamenlijk is deze praktijkvraag omgevormd naar drie onderzoeksdoelstellingen: 1. Opstellen van meetinstrumenten om de fysieke en mentale gezondheid van dansers te screenen en te monitoren; 2. Ontwerpen van een web-based systeem dat automatisch en real-time informatie uit de ontwikkelde meetinstrumenten kan inlezen, analyseren en interpreteren; 3. Ontwikkelen van een Fit to Perform protocol dat aanbevelingen geeft ten aanzien van het verbeteren van de fysieke en mentale gesteldheid van de danser. Het consortium bestaat uit de volgende organisaties: - Praktijkgerichte onderzoeksinstellingen: Codarts Rotterdam en Hogeschool van Amsterdam; - Universiteiten: ErasmusMC, Technische Universiteit Eindhoven en Vrije Universiteit Amsterdam; - Praktijkinstellingen: Het Nationale Ballet en het Scapino Ballet; - Overige instellingen: het Nederlands Paramedisch Instituut (NPi) en het Nationale Centrum Performing Arts (NCPA). Bij de samenstelling van het consortium is gekozen voor een goede mix tussen praktijkorganisaties, onderzoeksinstituten en onderwijsinstellingen. Daarnaast is er sprake van cross-sectorale samenwerking doordat kennis vanuit de podiumkunsten, sport, gezondheidszorg, onderwijs en technologie met elkaar verbonden wordt.