Hoofdstuk 8 in Kennis in de frontlijn. Ervaringen met praktijkonderzoek in de politie. Na het schietdrama in Alphen aan den Rijn (9 april 2011) ontstond bij de bestuurlijke en operationele verantwoordelijken behoefte aan verantwoording. De media en politiek stelden vragen over het functioneren van de overheid. Hoe was gehandeld? Heeft iemand gefaald? Zijn er schuldigen aan te wijzen? Hebben de burgemeester, de driehoek en het beleidsteam goed gefunctioneerd? Hoe hebben hulpdiensten en andere betrokken professionals het gedaan? Hoe was het samenspel tussen verschillende instanties? De verantwoordelijken die leiding gaven aan de beheersing van de crisis, werden vrijwel vanaf het eerste moment gevraagd zich publiekelijk te verantwoorden over de feiten en achtergronden en over hun optreden
Uit onderzoek is gebleken dat met enige regelmaat biologische sporen en vingersporen worden veiliggesteld en geanalyseerd die niets met het misdrijf te maken hebben, terwijl belangrijke delict-gerelateerde sporen achterblijven op de plaats delict. Daarnaast kan verlies optreden van cruciale informatie die in sporen ligt besloten door het verpakken, transporteren en opslaan van sporendragers. Beslissingen die genomen worden in de eerste onderzoeksfase zijn cruciaal, en kunnen ertoe leiden dat potentieel oplosbare zaken niet kunnen worden opgehelderd of bewezen, of zelfs leiden tot rechterlijke dwalingen. Vanuit de wens deze beslissingsprocessen te verbeteren is er in de forensische keten een brede behoefte aan meer kennisgestuurde besluitvorming. Forensisch rechercheurs zitten met vragen over welke sporen relevant zijn en waar gevonden sporen het beste kunnen worden bemonsterd (op de plaats delict of in het lab). Forensisch adviseurs en Officieren van Justitie zitten tijdens de prioritering van sporen met vragen over de kansrijkheid en relevantie van de sporen binnen de context van de zaak om te kunnen beslissen welke sporen of sporendragers als eerste moeten worden onderzocht. Veel beslissingen in het forensisch onderzoek worden genomen op basis van ervaringen en aannames, maar professionals krijgen vrijwel geen feedback over de gevolgen van hun beslissingen. Een lerend systeem ontbreekt. Verkeerde aannames kunnen daardoor keer op keer tot suboptimale beslissingen leiden zonder dat de professionals zelf of de ketenpartners dit ontdekken. In de praktijk heeft dit geleid tot veel variatie en weinig gefundeerde kennis in de eerste fases van het forensische onderzoeksproces. Doel van het project is een interactieve ondersteuningstool te ontwikkelen waarmee complexe besluitvorming binnen het forensisch domein kan worden ondersteund. Naar verwachting zal hierdoor het werk van forensisch professionals veranderen en zullen de beslissingen, het reflectievermogen en het lerend vermogen van deze doelgroep verbeteren. Dit komt de transparantie en kwaliteit van het gehele strafproces ten goede.
Professionals in de strafrechtketen hebben een grote behoefte aan snelle en betrouwbare DNA-analyses die buiten de laboratoria bij een plaats delict, kunnen worden uitgevoerd. Een sneller opsporingsproces draagt bij aan een betere aanpak van criminaliteit. Met nieuwe forensische technieken kunnen snel analyseresultaten worden gegenereerd die de opsporing verder helpen. Het is echter een complexe uitdaging om deze technieken daadwerkelijk in te zetten in de huidige opsporingspraktijk. Hoe werkt deze techniek, wanneer moet de techniek wel of juist niet worden ingezet, en welke resultaten kunnen ermee worden behaald? Bij het uitvoeren van DNA-onderzoek op locatie spelen allerlei kwaliteitseisen en juridische waarborgen een rol. Ook gaat het gebruik van deze techniek gepaard met nieuwe taken, rollen en verantwoordelijkheden van de professionals die betrokken zijn bij het proces van opsporing en vervolging, en met een nieuwe wijze van samenwerking tussen ketenpartners. In dit project wordt een nieuwe werkwijze ontwikkeld, die een effectief gebruik van snelle mobiele DNA-technieken door forensische rechercheurs, en een snelle informatiestroom tussen ketenpartners van de politie, het Nederlands Forensisch Instituut en het Openbaar Ministerie mogelijk maakt. Er wordt kennis gegenereerd over technologische, juridische, sociale, cognitieve, en organisatorische factoren die hierbij een rol spelen, en er worden wetenschappelijk onderbouwde oplossingen aangedragen waarmee forensische professionals deze nieuwe technieken optimaal kunnen benutten in het proces van opsporing en vervolging. Dit onderzoek bestaat uit drie fasen: In de eerste fase wordt een nieuwe DNA-route met een software ondersteuningssysteem ontwikkeld. In de tweede fase wordt de werking hiervan in de praktijk getoetst en geoptimaliseerd door de ontwikkelde DNA-route in te zetten bij echte zaken. In fase 3 wordt tot slot onderzocht welke effect met deze snelle DNA-onderzoeksroute kan worden bereikt. De kennis die voortvloeit uit dit onderzoek wordt gebruikt om de snelle DNA-onderzoeksroute te optimaliseren en te implementeren in de opsporingspraktijk.
Mixed reality is een techniek die het mogelijk maakt om met een speciale bril, zoals de Hololens van Microsoft, beelden en informatie in de brillenglazen te tonen die precies op de werkelijkheid passen en deze deels overlappen. De verwachting is dat deze techniek een krachtig hulpmiddel zal worden bij het organiseren van samenwerking op plaatsen waar veel plaats gebonden informatie moet worden gedeeld en gebruikt, zoals bij forensisch onderzoek. In het proces van opsporing en vervolging in de strafrechtketen, dat begint met een onderzoek van de plaats delict en via laboratorium en andere onderzoeken eindigt met de presentatie van alle onderzoeksresultaten in de rechtbank, wordt veel verwezen naar plaatsen en omstandigheden waarin sporen of bewijsmateriaal zijn gevonden. Hierbij wordt veel gebruik gemaakt van forensische visualisatie in vormen die variëren van tekeningen, fotoalbums, video-opnames, virtual reality tours tot en met interactieve 3-dimensionale computermodellen. In dit voorstel wordt onderzocht wat de rol van mixed reality kan worden in het onderzoek op een plaats delict, en in de opleiding en training van rechercheurs. De verwachting is dat de verworven inzichten ook bruikbaar zullen zijn in andere werkvelden waar regelmatig bijzondere situaties moeten worden onderzocht. Dit onderzoek zal worden uitgevoerd door het lectoraat Digital Forensics & E-discovery van Hogeschool Leiden in samenwerking met het Lectoraat/Onderzoeksprogramma Forensisch Onderzoek van de Hogeschool van Amsterdam en de Politieacademie.