This essay explores the notion of resilience by providing a theoretical context and subsequently linking it to the management of safety and security. The distinct worlds of international security, industrial safety and public security have distinct risks as well as distinct ‘core purposes and integrities’ as understood by resilience scholars. In dealing with risks one could argue there are three broad approaches: cost-benefit analysis, precaution and resilience. In order to distinguish the more recent approach of resilience, the idea of adaptation will be contrasted to mitigation. First, a general outline is provided of what resilience implies as a way to survive and thrive in the face of adversity. After that, a translation of resilience for the management of safety and security is described. LinkedIn: https://www.linkedin.com/in/juul-gooren-phd-cpp-a1180622/
Cybercrime – en daarmee cybersecurity – is een groot maatschappelijk probleem. De criminologische bestudering van cybercrime staat nog in de kinderschoenen. Het is echter niet alleen noodzakelijk om fundamenteel wetenschappelijk onderzoek uit te voeren (‘de lange termijn’), maar ook om met de praktijk de acute problemen en uitdagingen van vandaag en morgen te onderzoeken. Het merendeel van het onderzoek op dit gebied – en dan heb ik het over zowel fundamenteel wetenschappelijk als praktijkgericht onderzoek – komt tot nu toe uit de hoek van de technische wetenschappen. Technologie speelt natuurlijk ook een belangrijke rol bij cyberincidenten, maar we hebben het over mensen die cyberaanvallen uitvoeren, mensen die – wetend of onwetend – meewerken aan die aanvallen, mensen die slachtoffer worden en mensen die zich bezighouden met het tegenhouden van cyberaanvallen. Empirisch onderzoek naar de menselijke factor bij cybercrime en cybersecurity is schaars. De onder mijn redactie recent uitgebrachte onderzoeksagenda ‘The human factor in cybercrime en cybersecurity’ maakt dit helder.1 In die onderzoeksagenda zijn tientallen onderwerpen geïdentificeerd waar de komende jaren onderzoek naar moet worden gedaan omdat basale kennis ontbreekt. Tegelijkertijd zit het werkveld te springen om bruikbare kennis over manieren om zich te beschermen tegen cyberaanvallen. Dat laatste is iets wat we zeker gemerkt hebben het afgelopen jaar. Al voor de officiële start van het lectoraat Cybersecurity in het midden- en kleinbedrijf (mkb) stroomden de verzoeken binnen van gemeenten, brancheorganisaties en bedrijven om gezamenlijk onderzoek te doen. Dit is dan ook de reden dat we, ondanks dat het lectoraat nog geen jaar geleden is ingesteld, al flink wat onderzoeken voor en met de praktijk uitvoeren. De constatering dat onderzoek naar de menselijke factor binnen cybercrime en cybersecurity nog in de kinderschoenen staat terwijl er een grote vraag is naar evidence-based praktisch toepasbare kennis, is de reden dat De Haagse Hogeschool (HHs) en het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR) de handen ineengeslagen hebben voor de totstandkoming van dit lectoraat. Zowel De HHs als het NSCR hebben cybersecurity en cybercrime al enkele jaren geleden als prioriteit benoemd en hebben elk afzonderlijk onderzoeksprogramma’s op dit gebied. Voor De HHs geldt dat onderzoeken toepassingsgericht moeten zijn en dat de nieuwste onderzoeksmethoden en -technieken moeten worden toegepast om hoogwaardige producten op te leveren. Voor het NSCR geldt dat onderzoeken ook fundamentele kennis moeten opleveren. Het is echter steeds duidelijker dat bij onderzoek naar cybercrime en cybersecurity het beste van beide werelden nodig is. Het lectoraat heeft dan ook de nadrukkelijke opdracht deze twee onderzoeksprogramma’s te verbinden. Ik zal in deze inleiding een beknopte schets geven van de onderzoeksprogramma’s van deze organisaties en van de toekomstige onderzoeken binnen het lectoraat. LinkedIn: https://www.linkedin.com/in/rutgerleukfeldt/
Bedrijven bevinden zich tegenwoordig vaak in een keten. Een keten kan worden beschouwd als een verzameling organisaties die een virtueel netwerk delen waar informatie, diensten, goederen of geld doorheen stroomt. Hierbij staan ICT-systemen veelal centraal. Deze afhankelijkheid werkt in de hand dat cyber-gerelateerde risico’s een opmars maken binnen ketens. Niet elke ketenorganisatie beschikt echter over de middelen en kennis om zichzelf te beschermen: om tot sterke ketens te komen is informatiedeling tussen ketenorganisaties over actuele dreigingen en incidenten van belang. Een doel van dit verkennend onderzoek, dat is uitgevoerd in opdracht van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC), is om inzicht te bieden in de succesfactoren van informatiedeling-initiatieven op het gebied van cyberveiligheid. Met deze kennis kan het NCSC haar accounthouders en adviseurs helpen om de doelgroepen positief te motiveren om actie te nemen ter versterking van ketenweerbaarheid. Tevens wordt met dit onderzoek beoogd om aanknopingspunten voor vervolgonderzoek te identificeren. Het identificeren van succesfactoren vond plaats op basis van een literatuurstudie en gestructureerde interviews met in totaal zes leden uit drie verschillende bestaande informatiedeling-initiatieven rondom cybersecurity: het Managed Service Provider (MSP) Information Sharing and Analysis Centre (ISAC), Energie ISAC en de securitycommissie van de Nederlandse Energie- Data Uitwisseling (NEDU). Alle respondenten zijn informatiebeveiligingsexperts die hun organisatie vertegenwoordigen in de samenwerkingsverbanden. In totaal zijn 20 succesfactoren geïdentificeerd. Deze factoren zijn vervolgens gecategoriseerd tot vier thema’s die bijdragen aan een succesvolle informatiedeling. De thema’s zijn samen te vatten als teamfactoren, individuele factoren, managementfactoren en faciliterende factoren. De vier meest genoemde succesfactoren zijn: ● Expertise: Leden met onderscheidende en gespecialiseerde kennis bevorderen de informatiedeling en zijn ondersteunend aan het individuele leerdoel van de leden. ● Vertrouwen: Vertrouwen is een essentiële voorwaarde voor de bereidheid om samen te werken en informatie te delen. Tijd is hierin een cruciale factor: tijd is nodig voor vertrouwen om te ontstaan. ● Lidmaatschapseisen: Expliciete en impliciete lidmaatschapseisen zorgen voor een selectie op geschikte deelnemers en faciliteren daarmee het onderling vertrouwen. ● Structurele opzet: Een samenwerking dient georganiseerd te zijn volgens een structuur en met een stabiele bezetting van voldoende omvang. Vervolgonderzoek zou zich kunnen richten op het identificeren van strategieën voor het opstarten van samenwerkingsverbanden en het over de tijd behouden van enthousiasme onder de leden in de informatiedeling-initiatieven rondom cybersecurity. Ook onderzoek naar de eigenschappen of kwaliteiten van de voorzitter en hoe deze bijdragen aan het succesvol initiëren en onderhouden van een samenwerkingsverband zijn genoemd. Ook is nog onvoldoende duidelijk hoe gedeelde of juist onderscheidende expertise van de leden bijdraagt aan succes van de informatiedeling-initiatieven. Verder is er behoefte aan kennis over hoe de samenwerking tussen ketenpartners op het gebied van cyberveiligheid buiten bestaande samenwerkingsverbanden is ingericht. Denk hierbij aan een uitbreiding van de huidige studie, maar met een focus op kleinere bedrijven die deel uitmaken van ketens, maar waarbij IT niet de corebusiness is, aangezien die volgens respondenten als risicovol worden gezien voor de keten.
Today, embedded devices such as banking/transportation cards, car keys, and mobile phones use cryptographic techniques to protect personal information and communication. Such devices are increasingly becoming the targets of attacks trying to capture the underlying secret information, e.g., cryptographic keys. Attacks not targeting the cryptographic algorithm but its implementation are especially devastating and the best-known examples are so-called side-channel and fault injection attacks. Such attacks, often jointly coined as physical (implementation) attacks, are difficult to preclude and if the key (or other data) is recovered the device is useless. To mitigate such attacks, security evaluators use the same techniques as attackers and look for possible weaknesses in order to “fix” them before deployment. Unfortunately, the attackers’ resourcefulness on the one hand and usually a short amount of time the security evaluators have (and human errors factor) on the other hand, makes this not a fair race. Consequently, researchers are looking into possible ways of making security evaluations more reliable and faster. To that end, machine learning techniques showed to be a viable candidate although the challenge is far from solved. Our project aims at the development of automatic frameworks able to assess various potential side-channel and fault injection threats coming from diverse sources. Such systems will enable security evaluators, and above all companies producing chips for security applications, an option to find the potential weaknesses early and to assess the trade-off between making the product more secure versus making the product more implementation-friendly. To this end, we plan to use machine learning techniques coupled with novel techniques not explored before for side-channel and fault analysis. In addition, we will design new techniques specially tailored to improve the performance of this evaluation process. Our research fills the gap between what is known in academia on physical attacks and what is needed in the industry to prevent such attacks. In the end, once our frameworks become operational, they could be also a useful tool for mitigating other types of threats like ransomware or rootkits.
Despite their various appealing features, drones also have some undesirable side-effects. One of them is the psychoacoustic effect that originates from their buzzing noise that causes significant noise pollutions. This has an effect on nature (animals run away) and on humans (noise nuisance and thus stress and health problems). In addition, these buzzing noises contribute to alerting criminals when low-flying drones are deployed for safety and security applications. Therefore, there is an urgent demand from SMEs for practical knowledge and technologies that make existing drones silent, which is the main focus of this project. This project contributes directly to the KET Digital Innovations\Robotics and multiple themes of the top sectors: Agriculture, Water and Food, Health & Care and Safety. The main objective of this project is: Investigate the desirability and possibilities of extremely silent drone technologies for agriculture, public space and safety This is an innovative project and there exist no such drone technology that attempts to reduce the noises coming from drones. The knowledge within this project will be converted into the first proof-of-concepts that makes the technology the first Minimum Viable Product suitable for market evaluations. The partners of this project include WhisperUAV, which has designed the first concept of a silent drone. As a fiber-reinforced 3D composite component printer, Fiberneering plays a crucial role in the (further) development of silent drone technologies into testable prototypes. Sorama is involved as an expert company in the context of mapping the sound fields in and around drones. The University of Twente is involved as a consultant and co-developer, and Research group of mechatronics at Saxion is involved as concept developer, system and user requirement verifier and validator. As an unmanned systems innovation cluster, Space53 will be involved as innovation and networking consultant.
This project addresses the fundamental societal problem that encryption as a technique is available since decades, but has never been widely adopted, mostly because it is too difficult or cumbersome to use for the public at large. PGP illustrates this point well: it is difficult to set-up and use, mainly because of challenges in cryptographic key management. At the same time, the need for encryption has only been growing over the years, and has become an urgent problem with stringent requirements – for instance for electronic communication between doctors and patients – in the General Data Protection Regulation (GDPR) and with systematic mass surveillance activities of internationally operating intelligence agencies. The interdisciplinary project "Encryption for all" addresses this fundamental problem via a combination of cryptographic design and user experience design. On the cryptographic side it develops identity-based and attribute-based encryption on top of the attribute-based infrastructure provided by the existing IRMA-identity platform. Identity-based encryption (IBE) is a scientifically well-established technique, which addresses the key management problem in an elegant manner, but IBE has found limited application so far. In this project it will be developed to a practically usable level, exploiting the existing IRMA platform for identification and retrieval of private keys. Attribute-based encryption (ABE) has not reached the same level of maturity yet as IBE, and will be a topic of further research in this project, since it opens up attractive new applications: like a teacher encrypting for her students only, or a company encrypting for all employees with a certain role in the company. On the user experience design side, efforts will be focused on making these encryption techniques really usable (i.e., easy to use, effective, efficient, error resistant) for everyone (e.g., also for people with disabilities or limited digital skills). To do so, an iterative, human-centred and inclusive design approach will be adopted. On a fundamental level, scientific questions will be addressed, such as how to promote the use of security and privacy-enhancing technologies through design, and whether and how usability and accessibility affect the acceptance and use of encryption tools. Here, theories of nudging and boosting and the unified theory of technology acceptance and use (known as UTAUT) will serve as a theoretical basis. On a more applied level, standards like ISO 9241-11 on usability and ISO 9241-220 on the human-centred design process will serve as a guideline. Amongst others, interface designs will be developed and focus groups, participatory design sessions, expert reviews and usability evaluations with potential users of various ages and backgrounds will be conducted, in a user experience and observation laboratory available at HAN University of Applied Sciences. In addition to meeting usability goals, ensuring that the developed encryption techniques also meet national and international accessibility standards will be a particular point of focus. With respect to usability and accessibility, the project will build on the (limited) usability design experiences with the mobile IRMA application.