In 2025-2026 zal er een landelijke peiling plaatsvinden naar kennis en vaardigheden en het onderwijsleerproces bij Engels in het basisonderwijs. Hierbij wordt zowel het huidige niveau van de Engelse taalvaardigheid aan het einde van groep 8 - wat kennen en kunnen leerlingen op het gebied van Engels - alsmede de kwaliteit van het onderwijsleerproces in kaart gebracht. Het betreft een brede peiling in het reguliere basisonderwijs in Nederland, het speciaal (basis)onderwijs maakt geen onderdeel uit van deze peiling. Ter voorbereiding op de aankomende peiling (Peil.Engels einde basisonderwijs) is in opdracht van de Inspectie van het Onderwijs en het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) een literatuurstudie uitgevoerd naar evidentie uit nationaal en internationaal onderzoek over kenmerken van effectief onderwijs op het gebied van Engels in het basisonderwijs. Het doel van deze literatuurstudie is om een overzicht te geven van factoren die bijdragen aan de ontwikkeling van de Engelse taalvaardigheid van basisschoolleerlingen. Het gaat hierbij zowel om het inzichtelijk maken van domeinspecifieke kenmerken van goed vreemdetalenonderwijs, als om meer algemene kenmerken van goed (taal)onderwijs op het niveau van de leerkracht, het curriculum en het schoolbeleid. Denk hierbij aan algemeen pedagogische kwaliteiten van leerkrachten en/of taaldocenten en kenmerken van effectief taalbeleid als randvoorwaarden voor goed onderwijs in het schoolvak Engels. Daarnaast brengen we een aantal leerling- en buitenschoolse kenmerken in kaart die potentieel invloed hebben op de taalvaardigheidsontwikkeling in een schoolse context. Deze literatuurstudie is een aanvulling op de domeinbeschrijving ten behoeve van Peil.Engels einde basisonderwijs zoals opgesteld door SLO (Moonen, 2023). Deze domeinbeschrijving beschrijft de wettelijke kaders van het beoogde curriculum voor Engels in het basisonderwijs. Dit richt zich op de kerndoelen oftewel aanbodsdoelen: wat leerkrachten moeten aanbieden in hun onderwijs Engels en wat leerlingen moeten kennen en kunnen op het gebied van Engelse taalvaardigheden aan het einde van het basisonderwijs. In de domeinbeschrijving is daarnaast ook aandacht voor de uitvoering van dit curriculum, dus de manier waarop het onderwijs Engels in de praktijk vaak vorm krijgt. De uitkomsten van deze literatuurstudie bieden concrete aanknopingspunten voor aspecten van het Engels onderwijs waarop scholen, leerkrachten en leerlingen bevraagd kunnen worden in het peilingsonderzoek. Denk hierbij aan de positionering van het (schoolvak) Engels in het curriculum, de startleeftijd waarop leerlingen Engels krijgen aangeboden en het hanteren van een communicatieve aanpak. Daarnaast beogen we met dit literatuuronderzoek naar de kenmerken van effectief onderwijs Engels in het basisonderwijs een bruikbaar kader te bieden voor de (door)ontwikkeling van vragenlijsten en observatie- en andere onderzoeksinstrumenten waarmee het huidige onderwijsleerproces voor het onderwijs Engels in het peilingsonderzoek in het basisonderwijs op een valide en transparante manier geëvalueerd kan vreemdetaworden.
Producing evidence that can be used in court is a central goal of criminal investigations. Forensic science focuses with considerable success on the production of pieces of evidence from specific sources. However, less is known about how a team of investigating police officers progressively produces a body of evidence during the course of a criminal investigation. This literature review uses Weickian sensemaking to analyse what is known about this process in criminal investigations into organised crime. Focusing on the criminal investigation team, collective sensemaking is used as a lens through which to place the reasoning processes used in constructing evidence in a social context. In addition to describing three constituent parts of collective sensemaking relevant for criminal investigations, six factors are identified that influence the quality of collective sensemaking. Building on these results, nine focal points are presented for analysing the sensemaking processes in a criminal investigation team, aimed at advancing knowledge about the production of evidence in criminal investigations of organised crime. Furthermore, a definition of evidence is developed that is suitable for studying sensemaking in the context of an ongoing criminal investigation.
While Communicative Language Teaching (CLT) is recognised as an effective approach worldwide, its implementation in foreign language (FL) classrooms remains difficult. Earlier studies have identified factors impeding CLT implementation, such as a lack of communicative lesson materials or teachers' more traditional views on language learning. In the Netherlands, CLT goals have been formulated at the national level, but are not always reflected in daily FL teaching and assessment practice. As constructive alignment between learning goals, classroom activities and assessments is a precondition for effective teaching, it is important to gain a deeper understanding of the degree of alignment in Dutch FL curricula and the factors influencing it. The current study therefore aims to take a systematic inventory of classroom practices regarding the translation of national CLT goals into learning activities and assessments. Findings revealed that teaching activities and classroom assessments predominantly focused on grammar knowledge and vocabulary out of context and, to a lesser extent, on reading skills. External factors, such as teaching and testing materials available, and conceptual factors, such as teachers' conceptions of language learning, were identified to contribute to the observed lack of alignment. Assessments in particular seem to exert a negative washback effect on CLT implementation.
Steeds meer scholen experimenteren met Maak- en Ontwerponderwijs. Dit biedt kansen voor de bètavakken: maak- en ontwerpopdrachten bieden een vakoverstijgende toepassingscontext, geven aanleiding tot inhoudelijke verdieping en kunnen bijdragen aan interesseontwikkeling. Maar om die opbrengsten te realiseren zijn wel specifieke docentvaardigheden nodig. Het doel van dit project is om die vaardigheden in de opleiding te ontwikkelen.Doel Veel scholen zien maak- en ontwerponderwijs als ingang om meer belangstelling te wekken voor de bèta-technische profielen. Scholen kiezen daarbij voor verschillende uitwerkingen. In sommige varianten ligt de nadruk op oplossen van een probleem voor een opdrachtgever (Technasium, O&O) in andere varianten ligt meer nadruk op het creatieve maakproces, al dan niet met behulp van digitale fabricagetechnieken (Innovation & Prototyping). Maken en ontwerpen heeft een sterke link met het vak techniek, maar ook bij de natuurwetenschappen hoort ”ontwerpen” tot de kerndoelen vo. Maak- en ontwerpopdrachten kunnen een vruchtbare toepassingscontext bieden voor natuurwetenschappelijke en wiskundige kennis, en een aanleiding voor verder leren in die domeinen. Om die kansen te benutten zijn wel specifieke docent-vaardigheden nodig: de benodigde kennis en vaardigheden komen niet één-op-één overeen met het schoolvakcurriculum, er spelen ook andere disciplines, waaronder de kunstvakken een rol, en je hebt als docent zelf enige maak- en ontwerpexpertise nodig. De meeste bèta-docenten zijn hier niet voor opgeleid en het is dan ook niet eenvoudig om maak- en ontwerponderwijs goed en met diepgang vorm te geven. Het doel van dit project is om studenten in de bèta-lerarenopleidingen toe te rusten met de vaardigheden die ze nodig hebben voor het verzorgen van maak- en ontwerponderwijs, en hen zicht te bieden op de mogelijkheden en beperkingen van maak- en ontwerponderwijs. Looptijd 01 september 2019 - 30 september 2021 Aanpak In de bèta-lerarenopleidingen van Instituut Archimedes wordt een nieuwe cursus “Didactiek van Maak- en Ontwerponderwijs” ontwikkeld voor alle 1e-jaars bèta-studenten. Onderzoekers van het lectoraat dragen bij aan ontwerp, uitvoering en evaluatie. Daarbij maken zij onder andere gebruik van ervaringen uit het project “Aansprekend techniekonderwijs in het vmbo-t”.
Lectorenplatform Sport en Bewegen Er zijn mooie stappen gezet in de eerste fase van het lectorenplatform Sport en Bewegen. Hierbij fungeerde het platform als een pilotproject voor de platformregeling van regie-orgaan SIA. In de eerste fase is het ons gelukt om onderling te verbinden en elkaar beter te leren kennen. Met de platformregeling II willen wij meer maatschappelijke impact genereren. Dit willen wij doen door in te zetten op drie kerndoelen; positioneren om te programmeren en te valoriseren. Meer concreet willen we in de komende twee jaar we de volgende drie ambities realiseren: (i) Versterking van de positie van het HBO sport- en beweegonderzoek (positioneren); (ii) Versterken van inhoudelijke samenwerking en voorbereiden van een gemeenschappelijke onderzoeksaanvraag (programmeren); (iii) De kennisdeling en implementatie van onderzoeksresultaten (valoriseren). Het lectorenplatform Sport en Bewegen kent een open karakter. De kern van het lectorenplatform wordt gevormd door lectoren die werkzaam zijn bij de acht sporthogescholen die Nederland kent (verenigd in het HSO (Hogescholen Sport Overleg)). Binnen deze acht hogescholen worden bachelor en HBO masterprogramma’s aangeboden gericht op sport en bewegen. Het lectorenplatform Sport en Bewegen sluit sterk aan bij twee van de tien thema’s zoals geformuleerd in de “Strategische onderzoeksagenda HBO” te weten: 1) gezondheid: zorg en vitaliteit en 2) onderwijs en talentontwikkeling. Daarnaast bestaat er binnen het veld Sport en Bewegen ook een Nederlandse Kennisagenda Sport en Bewegen (2016) en een NWA route Sport en Bewegen. Duurzame samenwerking, ook na afloop van een eventuele subsidie, vinden we enerzijds op inhoudelijk niveau door in te zetten op een gezamenlijk onderzoeksprogramma (wellicht Sprong) en anderzijds op strategisch niveau, door een structurele samenwerking te realiseren met het Topteam Sport en Kenniscentrum Sport.
Coöperatieve woonvormen staan volop in de aandacht en worden actief gestimuleerd, onder meer via Platform31, vanuit de wens om burgerinitiatieven ruimte te bieden. Het tot stand komen en het beheer van coöperatieve woonvormen gebeurt daarbij vaak in nauwe samenwerking tussen de (beoogde) bewoners en professionals. Voor nieuwe projecten wordt sterk gekeken naar ondersteuning vanuit woningcorporaties. Onder de professionals en burgers leven echter veel vragen over hoe coöperaties tot stand te brengen en daarbij meerwaarde te creëren ten opzichte van de gangbare woonvormen. Dit heeft mede te maken met het prille stadium van ontwikkeling in Nederland. Tegelijkertijd is er binnen Europa een veelheid aan initiatieven en zijn er landen die al een meer volwassen stelsel van coöperatieve woonvormen kennen. Deze Europese ervaringen zijn onderwerp van lopend onderzoek in het kader van het (TU) Delft Technology Fellowship. In het voorliggende onderzoeksvoorstel wordt het lopende onderzoek naar Europese ervaringen gekoppeld aan de doorontwikkeling van de Nederlandse praktijk. Een onderzoeker zal hiertoe gedurende een jaar als participatieve observant meelopen met twee projecten waarbij corporaties samenwerken met bewoners en daarbij kennis vanuit het internationale onderzoek inbrengen. Voor de professionals staat de vraag centraal hoe zij coöperatieve woonvormen op een efficiënte wijze kunnen ondersteunen en hoe zij deze kunnen verbinden aan de kerndoelen van hun eigen organisatie. Voor de bewoners staat de vraag centraal hoe zij de governance van het ontwikkelingsproces en de beheerorganisatie kunnen inrichten.