Reflecting on the link between religion and religious tradition(s) on the one hand and school and education on the other, and reflecting on the reasoning strategy to make sense of this link, people seem to tend strongly to think, argue and reflect in a deductive mode (this point is elaborated in par. 3). This part of the argument is followed by considering the religious claims people make concerning the impact of religion on the day-to-day educational practice, it is, empirically speaking. It is apparently wrong to take this deductive reasoning serious as a road to undisputable and unambiguous links between claims and practices (this point is elaborated in par. 4). Having identified deductive reasoning as wishful thinking or as a supposed but inadequate religious legitimatization of educational practices, which is demonstrated by the empirical educational praxis itself, the final part of the article deals with the question that arises again and anew, viz. how educational practices could be understood in their connection to religious beliefs (see par. 5). Here a paradigm-shift is needed.
Burgers brengen een groot deel van hun leven door als beroepsbeoefenaar, als collega en als vakman en vakvrouw. Voorbereiding op een beroep en een loopbaan is daarom van grote betekenis voor burgerschap in brede zin. De school is geen eiland in de samenleving maar er nauw mee verbonden. Hoe dient het beroepsonderwijs jonge mensen voor te bereiden op de deelname aan de wereld van beroep, loopbaan en bedrijf? Welke veranderingen doen zich voor in deze wereld en hoe moet het beroepsonderwijs daarop inspelen? Welke begripsvorming is hierbij behulpzaam?
Keuzes maken in spannende beroepssituaties is niet enkel het volgen van beroepsstandaarden, het uitvoeren van aangeleerde vaardigheden en het nemen van op evidentie gestoelde beslissingen. Het professioneel handelen is ook doorspekt met dieperliggende motivaties. Die motivaties hangen samen met waarden en normen, die voor ieder persoonlijk zijn. Die waarden en normen zijn geen abstracte begrippen, maar verbonden met onze identiteit, onze ziel. De ziel als metafoor voor het innerlijke, het eigene en de inspiratie in het werk. Kortom, professioneel handelen wordt gekleurd door wie we zijn. Reden genoeg om studenten handvatten te geven om wat zich afspeelt onder de motorkap meer toegankelijk te maken.
In de huidige onderwijsdiscussie staat persoonsvorming prominent op de agenda. Ten aanzien van beroepsopleidingen voor het leraarschap is er een toenemende en brede erkenning voor het belang van de persoonsvorming van de leraar (in opleiding), de professionele identiteit van de leraar en de bronnen (primaire bronteksten) die bij dat vormingsproces van belang zijn. De relatie tussen de gebruikte bronnen, de persoonsvorming/professionele vorming en de professionele praktijk is complex en daarover is nog veel onduidelijk. Echter, die relatie is cruciaal vanuit het standpunt dat een beroepsopleiding een positieve en waarneembare invloed beoogt uit te oefenen op de aanstaande beroepsbeoefenaren en daarmee op de professionele praktijk in de school. Als onderdeel van het curriculum van een christelijke lerarenopleiding voor het basisonderwijs worden primaire (levensbeschouwelijke en pedagogische) bronteksten ingezet bij het proces van persoonsvorming en vorming van de professionele identiteit. Het onderzoeksproject De invloed van primaire bronteksten op de persoonsvorming en het professionele handelen van de leraar (in opleiding) beoogt aan het licht te brengen welke invloed primaire bronteksten hebben op de persoonsvorming van studenten/aankomende leraren en op beroepsuitoefening in de lespraktijk in het basisonderwijs tijdens hun LIO-stage. Hoe primaire bronteksten functioneren in de praktijk van het onderwijscurriculum op de pabo-opleiding, hoe deze teksten doorwerken bij de persoonsvorming van studenten, welke invloed deze teksten hebben op de vorming van de professionele identiteit van aankomende leraren basisonderwijs en hoe dat hun handelen als beroepsbeoefenaar beïnvloedt, is tot op heden niet onderzocht. Dit empirische onderzoek wil in deze leemte voorzien.
In Nederland leven bijna 25.000 kinderen en jongeren in een pleeggezin of gezinshuis, omdat zij uit huis geplaatst zijn. Deze uithuisplaatsing is voor kwetsbare kinderen een grote verandering, waarbij ze in een nieuwe gezinsvorm met een eigen cultuur en gewoonten, maar ook vaak andere levensbeschouwing terechtkomen. Het blijkt voor zowel het welzijn van kinderen als het slagen van de plaatsing van groot belang dat de pleeg- of gezinshuisouders goed samenwerken met de biologische ouders. Ondanks het feit dat pleeg- en gezinshuisouders worden ondersteund door onder meer hbo-geschoolde sociaal werkers, worden veel plaatsingen ongepland en voortijdig afgebroken (‘breakdown’). Er wordt geprobeerd dit te voorkomen door bij de plaatsing te selecteren op overeenkomsten in bijvoorbeeld de levensbeschouwing van gezin van herkomst en het pleeggezin of gezinshuis (‘matching’). Echter, door een tekort aan pleeg- en gezinshuisouders is dit vaak niet haalbaar. Overigens is er geen empirische evidentie dat overeenkomsten in etniciteit, cultuur of levensbeschouwing leiden tot succesvollere plaatsingen. Dit betekent dat sociaal werkers de taak hebben om pleeg- en gezinshuisouders te ondersteunen in het omgaan met levensbeschouwelijke verschillen en spanningen die ze ervaren in de opvoeding van het uit huis geplaatste kind. Dit onderzoek beoogt 1) inzicht te geven in de levensbeschouwelijke spanningen die kunnen ontstaan bij de opvoeding van een uit huis geplaatst kind en 2) op basis van literatuurstudie en kwalitatief onderzoek te komen tot richtlijnen in de begeleiding van pleeg- en gezinshuisouders, die 3) met behulp van een praktisch-educatief instrument in de opleiding kunnen worden aangeboden. Zo wordt de sociaal werker toegerust om (professionele) pleegouders te begeleiden in het omgaan met diversiteit in het belang van de levensbeschouwelijke identiteitsvorming en welzijn van het kind.