Artikel, naar aanleididng van onderzoek gedaan door studenten, over de keerzijde van het benutten van het sociale netwerk van ggz-clienten
We zijn tegenwoordig allemaal wel actief op sociale netwerksites zoals Facebook of Linkedin. Hoewel sociale netwerken op die manier zowel privé als zakelijk maximaal worden ingezet en positief worden gewaardeerd, lijkt de sociale sector dat vreemd genoeg beduidend minder te doen. Dat is niet altijd zo geweest, enkele decennia geleden was er wel degelijk de nodige theorievorming en ontwikkeling van sociale interventies. Het nieuwe sociaal beleid in Nederland, mede naar aanleiding van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), vraagt om meer zorgkracht uit sociale netwerken van burgers. Die zorgkracht is er niet automatisch, maar kan en moet door professionals 'ontgonnen' worden. In dit boek wordt daarom de oude vakkennis van onder het stof gehaald en geactualiseerd met nieuwe relevante ervaringen. Deze publicatie bevat resultaten van de Wmo-werkplaats Noord-Brabant.
In deze Wmo-wijzer beschrijven we een aantal aspecten van werken in en met sociale netwerken. Eerst bespreken we het begrip ‘sociaal netwerk’ en behandelen we een aantal kenmerken en functies. Daarna gaan we in op benaderingen om sociale netwerken te ondersteunen en versterken en de rol van professionals hierbij. Hierbij richten we ons vooral op mensen bij wie het niet zo vanzelfsprekend is om in sociale netwerken te participeren, bijvoorbeeld vanwege psychische of verstandelijke beperkingen.
Kunstenaars en andere ‘creatieven’ vinden steeds moeilijker betaalbare werkruimte. Atelierstichtingen en broedplaatsorganisaties zitten klem tussen oplopende kosten, teruglopende subsidies en de structureel zwak-ke inkomenspositie van de hurende kunstenaars. Een manifest van Platform BK, dat beeldend kunstenaars vertegenwoordigt, en de KunstenBond agendeert dit vraagstuk. Een bijkomend probleem vormt de hoogspan-ning op de vastgoedmarkt, waardoor panden zeer gewild zijn bij projectontwikkelaars en gemeenten geneigd zijn om voor de panden die zij aan deze organisaties verhuren andere draagkrachtigere huurders te zoeken. Medewerkers en management van broedplaatsorganisaties staan voor de uitdaging om hun businesscase maatschappelijk en financieel te verduurzamen. Dit vraagt om nieuwe waardeproposities en herpositionering ten opzichte van de gemeente en andere publieke en private stakeholders. Ook het profiel van de broed-plaatsprofessional verandert. Ontwikkelaars van broedplaatsen zijn veelal geleidelijk in hun organiseren-de/coördinerende rol gegroeid. Het speelveld van stedelijke (gebieds)ontwikkeling waarop zij opereren is echter dynamisch. De broedplaatsprofessional krijgt steeds nadrukkelijker de positie van stedelijke kwartiermaker: een nieuwe, hybride rol op het snijvlak van vastgoed, cultuur, welzijn en ruimtelijk(-economisch)e ontwikkeling. Dit project beoogt broedplaatsorganisaties te voeden met (bedrijfs-)strategieën om hun businessmodel toe-komstbestendig te maken en deze te vertalen naar benodigde competenties voor de betrokken professionals. Alleen zo kunnen zij blijven bijdragen aan de politiek gewenste levendige en veelkleurige stad, waar mensen graag wonen en bedrijven zich graag vestigen. Veel onderzoek onderbouwt dat steden die investeren in cultuur economisch beter presteren. Daarbij gaat het niet alleen om toptheaters en –musea maar juist ook om innova-tie en creativiteit ‘van onderop’. Fontys Hogescholen gaat deze problematiek onderzoeken met inzet van een breed consortium creatieve ver-zamelgebouwen, netwerk- en kennispartners. Gezamenlijk vertegenwoordigen deze organisaties ruim 300 ate-liergebouwen/broedplaatsen, 4.700 werkruimten en honderdveertig professionals. De broedplaatsenproble-matiek speelt bovendien in vrijwel alle G40-steden, hetgeen de resultaten van dit project potentieel relevant maakt voor honderden professionals bij gemeenten, woningcorporaties en andere vastgoedeigenaren.
Aanleiding De nationale overheid wil voldoen aan de duurzaamheidsdoelstellingen van 2020. Dit streven botst echter regelmatig met de wensen van lokale overheden en burgers. Communicatieadviseurs van de overheid stuiten steeds vaker op lokale weerstanden tegen projecten als ondergrondse CO2-opslag, windmolenparken of de komst van biovergisters. Communicatieadviseurs vinden het lastig om zelfstandig wetenschappelijke inzichten uit de communicatiewetenschappen toepasbaar te maken voor deze weerbarstige praktijk. Zij hebben behoefte aan kennis en tools om goed communicatief te kunnen handelen. Doelstelling De vraag die in dit project centraal staat is: Hoe kan bij lokale energietransities effectief vorm worden gegeven aan communicatie? Het project Let's Talk Energy sluit aan bij een ontwikkeling om de alledaagse gesprekken tussen mensen te zien als bron van analyse en mogelijk ook als bron voor verandering. Nieuwe nieuwe wetenschappelijke inzichten over communiceren via sociale media combineren we met kennis die is opgedaan door onderzochte cases en best practices. De consortiumpartners van het project werken samen om een energiecommunicatie-instrument (InterAct) te ontwikkelen, dat aanzet tot doeltreffende communicatie over lokale energieprojecten. Met de nieuwe kennis kan de communicatieadviseur analyses maken en reageren op zorgen van burgers bij lokale energietransities. Beoogde resultaten De te verwachten resultaten van het project zijn: " een energiecommunicatie toolkit (InterAct) inclusief een praktische handleiding en eindrapport; " effectieve digitale producten en infographics; " masterclasses energiecommunicatie; " cahier met best practices. Ter afsluiting van het onderzoeksprogramma wordt een landelijke conferentie Let's Talk Energy georganiseerd waarbij de onderzoeksresultaten en opgeleverde producten worden gepresenteerd.
Traditioneel focussen veel kunstorganisaties zich op het maken van kunstwerken. De laatste decennia echter zijn zij zich, vanuit een groeiende aandacht voor hun maatschappelijke verantwoordelijkheid, meer gaan richten op (de communicatie met) publiek. Die communicatie blijkt echter vooral eenrichtingsverkeer. Dat is problematisch omdat juist bezoekers een cruciale schakel vormen in de realisatie van de maatschappelijke functie van kunst. Professionals van zowel marketing- als educatieve afdelingen zoeken daarom naar nieuwe interactieve manieren om relaties met (potentieel) publiek vorm te geven. Met name sociale media kunnen bijdragen aan het tot stand brengen van een actieve dialoog rond kunstactiviteiten. Dit vraagt om een andere houding en een nieuwe manier van denken en werken die de betrokken professionals zich nog niet eigen hebben gemaakt. De centrale vraag van het onderzoeksproject ?Ruimte voor dialoog? richt zich op het ontwikkelen van effectieve strategieën en werkwijzen waarmee de interactie tussen kunstorganisaties en bezoekers en bezoekers onderling vorm krijgt. Het onderzoek is opgezet als een ontwerponderzoek met verschillende cases, waarin strategieën en werkwijzen in een iteratief proces worden ontworpen en geëvalueerd. Daarbij wordt gebruik gemaakt van onderzoeksmethoden zoals content-analyse, netwerk-analyse, interviews met gebruikers en analyse van de implementatie van de ontwikkelde strategieën op basis waarvan bijstelling plaatsvindt. Het onderzoek levert een set van methoden op die door professionals in de kunsten gebruikt kunnen worden om (artistieke) interactie tot stand te brengen op sociale media. Het consortium van het onderzoeksproject wordt gevormd door de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden (NHL), Stenden University (Media Entertainment Management) en de belangrijkste Friese kunstorganisaties: Tryater, Keunstwurk en het Fries Museum. Verdere projectpartners zijn: Kunstkade, Stadsschouwburg De Harmonie en Lwd2018. Daarnaast zijn betrokken: het Expertisecentrum Arts in Society (RUG) en de onderzoeksgroep Media, Communicatie en Organisatie (UT). Het project sluit aan bij de doelstellingen van Leeuwarden 2018, dat in het kader van de toewijzing Culturele Hoofdstad van Europa, streeft naar ?iepen mienskippen? (open gemeenschappen), waarin organisaties en individuen in dialoog met elkaar zoeken naar nieuwe benaderingen voor culturele, economische en ecologische uitdagingen.