full text via link met HU account. Met de introductie van de opleiding HBO-Rechten is begin 21ste eeuw beoogd een waaier van juridische beroepen te creëren. Dit artikel beschrijft in hoeverre dat op dit moment is gelukt. Hiertoe is onderzoek (vragenlijst en casestudy) uitgevoerd naar de functievorming voor en werkervaring en ambitie van de afgestudeerde HBO-jurist. We keken hierbij ook specifiek naar de functies en beroepen die traditioneel door academisch gevormde juristen worden vervuld. Vanuit beroepsvormingstheorieën van onder meer Mok en de onderzoeksresultaten wordt de vraag beantwoord of zich een eigenstandige functie HBO-jurist ontwikkelt (als voorloper van een eigen beroep), zoals oorspronkelijk de bedoeling was. Dat levert verrassende inzichten op. Anders dan beoogd blijkt de HBO-jurist zich met name te meten aan de academisch gevormde jurist. Dat wordt enerzijds zichtbaar doordat zij er massaal voor kiezen om door te studeren aan de universiteit. Anderzijds blijkt dat uit het feit dat de eerste crossovers zich aandienen in het bedrijfsleven, waar HBO-juristen niet meer geweerd lijken te kunnen worden uit voorheen aan academische juristen (niet-toga) voorbehouden functies. Een volwaardige HBO-juristfunctie of -beroep zien wij derhalve op korte termijn niet ontstaan.
Nobelpriiswinnaar Jean Tirole is voorstander van een breder governance concpet dan de traditionele focus op aandeelhouders maar heeft tevens oog voor de tekortkomingen van de 'stakeholder theory'.
This article attempts to explore the main impulses that might have led to the destruction of Buddha statues by Taliban in the Bamiyan Valley of Afghanistan. Drawing on existing literature, and anecdotal evidence, this article suggests that the main impulses that have led to destruction are rather linked to the overall political context of that time (i.e., political iconoclasm) rather than to pure Islamic iconoclasm or an explicit condition of disharmony in heritage (i.e., dissonant heritage). First, the Taliban did not consider the statues as "their" cultural heritage. The act of destruction, therefore, cannot be subscribed to the Afghan cultural dynamics but rather to the political-religious ideology imported by Taliban from outside of the country. Secondly, it seemed that Mullah Omar was viewing the statues as a revenue source at the beginning and as a political bargain chip at the end. In both circumstances, religion seems not to have played the main role. Lastly, the destruction seems a political iconoclasm-that is, a political exploitation, if not a direct political act. The Taliban and especially their external allies were very well aware of the consequences of the act of destruction. It seems implausible to suggest that there were no religion and/or culture in play when ordering the destruction of the statues. The latter is the least what this article aims for. However, to conclude that the destruction was solely triggered by theological and cultural factors might also be improbable. The author does not, in any way, attempt to rationalize the act of destruction, let alone justify the barbaric act.