In recent years, the effects of the physical environment on the healing process and well-being have proved to be increasingly relevant for patients and their families (PF) as well as for healthcare staff. The discussions focus on traditional and institutionally designed healthcare facilities (HCF) relative to the actual well-being of patients as an indicator of their health and recovery. This review investigates and structures the scientific research on an evidence-based healthcare design for PF and staff outcomes. Evidence-based design has become the theoretical concept for what are called healing environments. The results show the effects on PF and staff from the perspective of various aspects and dimensions of the physical environmental factors of HFC. A total of 798 papers were identified that fitted the inclusion criteria for this study. Of these, 65 articles were selected for review: fewer than 50% of these papers were classified with a high level of evidence, and 86% were included in the group of PF outcomes. This study demonstrates that evidence of staff outcomes is scarce and insufficiently substantiated. With the development of a more customer-oriented management approach to HCF, the implications of this review are relevant to the design and construction of HCF. Some design features to consider in future design and construction of HCF are single-patient rooms, identical rooms, and lighting. For future research, the main challenge will be to explore and specify staff needs and to integrate those needs into the built environment of HCF.
Toenemende prevalentie van overgewicht en obesitas onder jeugd wordt, in ieder geval ten dele, veroorzaakt door te weinig fysieke activiteit. Omdat ieder kind een groot deel van zijn of haar jeugdige leven op school doorbrengt kunnen scholen een centrale rol spelen in het tegengaan van deze bewegingsarmoede. Het meest voor de hand liggende schoolvak lijkt hierbij de lichamelijke opvoeding1 (LO) te zijn. De belangrijkste doelstelling van het schoolvak LO is immers om leerlingen dusdanig te motiveren en enthousiast te maken voor sport en bewegen zodat dit uiteindelijk resulteert in een actieve leefstijl, zowel buiten school als in het verdere leven. Daarnaast is LO tevens het enige verplichte schoolvak waar fysieke activiteit een centrale plek inneemt; de les zelf is in potentie ook een structurele bron van fysieke activiteit. Globaal gezien kan LO dus op een indirecte en een directe manier bijdragen aan de fysieke activiteit van leerlingen, een tweedeling die werd geïntroduceerd in hoofdstuk 1. Waar echter tot op heden onduidelijkheid over bestaat, zeker wat betreft de Nederlandse situatie, is hoe groot de bijdrage van de LO aan dagelijkse fysieke activiteit feitelijk is. De vraag die daarom centraal staat in dit proefschrift is in hoeverre het vak LO, zoals dat op dit moment gegeven wordt op basis- en voortgezet onderwijs, een bijdrage levert aan de fysieke activiteit van kinderen en adolescenten, zowel direct (de les als bron van fysieke activiteit), als indirect (motivatie voor een actieve leefstijl). Voor de beantwoording van deze vraag zijn een aantal studies uitgevoerd. Allereerst is in hoofdstuk 2 door middel van een literatuurstudie onderzocht in hoeverre interventies met een LO-component effectief zijn in het stimuleren van fysieke activiteit. Hieruit blijkt dat er alleen overtuigend bewijs bestaat voor een directe bijdrage van de les LO aan de fysieke activiteit van kinderen en adolescenten. Oftewel, in de les LO zelf wordt er matig-tot-intensief bewogen. De effecten van interventies met een LO component op de fysieke activiteit buiten school of in het latere leven zijn minder overtuigend of zelfs afwezig. In hoofdstuk 3 wordt een cross-sectionele studie beschreven waarin middels het combineren van gegevens vanuit een hartslag-versnellingsmeter met de gegevens uit een activiteitendagboek voor het eerst inzicht verkregen wordt in de daadwerkelijke bijdrage van een reguliere les LO (naast andere fysieke activiteiten zoals fietsen) aan de totale dagelijkse fysieke activiteit van middelbare scholieren. De resultaten wijzen uit dat 17% van de totale hoeveelheid beweging onder schooltijd zijn oorsprong vindt in de lessen LO en dat op dagen dat een leerling een les LO heeft, deze les verantwoordelijk is voor ongeveer 30% van de totale fysieke activiteit op die dag. Opvallend is daarnaast dat 15% van de totale fysieke activiteit op een weekdag zijn oorsprong vindt in het actief transport naar school, voornamelijk fietsen. Hoofdstuk 4 beschrijft een studie waarin de focus ligt op de intensiteit van lessen LO in het voortgezet onderwijs (VO) en het basisonderwijs (BO). Tevens is gekeken naar factoren die de intensiteit van een les beïnvloeden. De resultaten wijzen uit dat 47% en 40% van een les LO op respectievelijk het VO en het BO voldoet aan de intensiteit van bewegen zoals omschreven in de Nederlandse Norm voor Gezond Bewegen (matig-tot-intensief fysiek actief). Dit komt overeen met ongeveer een derde van de dagelijks aanbevolen hoeveelheid beweging voor deze doelgroep. Opvallend is dat op het VO jongens significant actiever zijn tijdens de lessen LO dan meisjes. Dit verschil blijkt zijn oorsprong te hebben in lessen waarin competitieve spelvormen (basketbal, voetbal etc.) centraal staan. Mogelijkerwijs verhindert de dominantie van jongens tijdens spelvormen dat meisjes in een les even actief kunnen zijn als jongens. Dit is een serieuze beperking van de mate waarin een les LO kan bijdragen aan het totale beweeggedrag van meisjes, gezien het feit dat ongeveer 60% van het Nederlandse LO curriculum uit (veelal competitieve) spelvormen bestaat.
Background: Running has become one of the most popular sports and has proven benefits for public health. Policy makers are increasingly aware that attractively designed public spaces may promote running. However, little is known about what makes a running environment attractive and restorative for runners and to what extent this depends on characteristics of the runner. This study aims to investigate 1) to what extent intrapersonal characteristics (i.e. motives and attitudes) and perceived environmental characteristics (e.g. quality of the running surface, greenness of the route, feelings of safety and hinderance by other road users) are associated with the perceived attractiveness and restorative capacity of the running environment and 2) to what extent the number of years of running experience modify these associations. Methods: Cross-sectional data were collected through the online Eindhoven Running Survey 2015 (ERS15) among half marathon runners (N = 2477; response rate 26.6%). Linear regression analyses were performed for two outcomes separately (i.e. perceived attractiveness and perceived restorative capacity of the running environment) to investigate their relations with motives and attitudes, perceived environmental characteristics and interactions between perceived environmental characteristics and number of years of running experience. Results: Perceived environmental characteristics, including green and lively routes and a comfortable running surface were more important for runners’ evaluation of the attractiveness and restorative capacity of the running environment than runners’ motives and attitudes. In contrast to experienced runners, perceived hinder from unleashed dogs and pedestrians positively impacted the attractiveness and restorative capacity for less experienced runners. Conclusions: Perceived environmental characteristics were important determinants of the attractiveness and restorative capacity of the running environment for both novice and experienced runners. However, green and lively elements in the running environment and hinderances by cars were more important for less experienced runners. In order to keep novice runners involved in running it is recommended to design comfortable running tracks and routes and provide good access to attractive, green and lively spaces.
For the development of a circular economy and the reduction of the environmental impact of supply chains, the sharing of reliable information throughout the entire chain is a prerequisite. In practice, this is difficult to realise which blockchain can improve. BCLivingLab aims to explore the application of blockchain technology in supply chain and logistics. The project develops four physical hubs and a virtual repository for blockchain knowledge to support SME’s in developing use-cases and experiment with blockchain applications. The ambition is to build a community of interested stakeholders and to be involved in current and future blockchain initiatives.
For the development of a circular economy and the reduction of the environmental impact of supply chains, the sharing of reliable information throughout the entire chain is a prerequisite. In practice, this is difficult to realise which blockchain can improve. BCLivingLab aims to explore the application of blockchain technology in supply chain and logistics. The project develops four physical hubs and a virtual repository for blockchain knowledge to support SME’s in developing use-cases and experiment with blockchain applications. The ambition is to build a community of interested stakeholders and to be involved in current and future blockchain initiatives.
Phosphorus is an essential element for life, whether in the agricultural sector or in the chemical industry to make products such as flame retardants and batteries. Almost all the phosphorus we use are mined from phosphate rocks. Since Europe scarcely has any mine, we therefore depend on imported phosphate, which poses a risk of supply. To that effect, Europe has listed phosphate as one of its main critical raw materials. This creates a need for the search for alternative sources of phosphate such as wastewater, since most of the phosphate we use end up in our wastewater. Additionally, the direct discharge of wastewater with high concentration of phosphorus (typically > 50 ppb phosphorus) creates a range of environmental problems such as eutrophication . In this context, the Dutch start-up company, SusPhos, created a process to produce biobased flame retardants using phosphorus recovered from municipal wastewater. Flame retardants are often used in textiles, furniture, electronics, construction materials, to mention a few. They are important for safety reasons since they can help prevent or spread fires. Currently, almost all the phosphate flame retardants in the market are obtained from phosphate rocks, but SusPhos is changing this paradigm by being the first company to produce phosphate flame retardants from waste. The process developed by SusPhos to upcycle phosphate-rich streams to high-quality flame retardant can be considered to be in the TRL 5. The company seeks to move further to a TRL 7 via building and operating a demo-scale plant in 2021/2022. BioFlame proposes a collaboration between a SME (SusPhos), a ZZP (Willem Schipper Consultancy) and HBO institute group (Water Technology, NHL Stenden) to expand the available expertise and generate the necessary infrastructure to tackle this transition challenge.