Hoe staat het er voor met de verloren generatie?
Projectmanagement in de bouw. We doen niet anders. In de bouw is de projectmatige aanpak immers de enige logische. Je zou kunnen denken: daar valt niet meer zoveel over te zeggen. Niets is minder waar. En dat wordt overduidelijk als u begint te grasduinen in dit boek. Projecten managen in de bouw wordt in rap tempo anders. Het is niet meer voldoende als een projectmanager goed kan plannen en begroten. Steeds meer zal de focus van de projectmanager verschuiven van 'harde' tools naar 'zachte' vaardigheden, omdat steeds meer stakeholders dat eisen. Het gaat niet langer alleen om het effectief managen van eigen projectmedewerkers en onderaannemers, maar ook om het managen van klanten, gebruikers en de projectomgeving. Dit boek laat zien dat ontwikkelingen als ketenintegratie en de instroom van een nieuwe generatie, vragen om ander gedrag. Zelfs de zittende projectmanagers vragen er al om.
In dit boek komen vijf generaties in Nederland aan het woord. Het boek begint met een overzicht van theorie en methodologie omtrent generatie-onderzoek. Vervolgens schetsen we een beeld van de periodes waarin de vijf generaties opgroeien. Hiermee wordt een terugblik op de 20ste eeuw geworpen. Hierna worden tal van thema's besproken, zoals onderwijs, werk, vrije tijd, politieke deelname, opvoeding.
Nederland wil in 2050 een circulaire economie zijn. Een economie zonder afval, waarbij alles draait op herbruikbare grondstoffen. Het zuiniger en slimmer omgaan met grondstoffen is ook voor de textielbranche van belang. De meest gebruikte en bekende hernieuwbare plantaardige grondstof voor de textielindustrie is katoen. De huidige niet-circulaire productie en toepassingen van katoen hebben vergaande negatieve impact op mens en milieu. De gebruikersduur van kleding wordt steeds korter en afgedankte kleding wordt laagwaardig verwerkt om uiteindelijk alsnog te worden verbrand. Zowel het economische als duurzame verbeterpotentieel voor circulair textiel is dan ook enorm. De kwaliteit van katoen vermindert met iedere (mechanische) recyclingstap omdat de vezellengte steeds korter wordt. De uitdaging is om meermaals te recycling waarbij in iedere recyclestap waarde wordt behouden en gecreëerd. Als uiteindelijke stap wordt nagestreefd de grondstof veilig terug te laten keren naar de biosfeer als voedingsmiddel waarna een nieuwe cascade kan beginnen: een kringloop in de vorm van regeneratieve cascades. Om dit te realiseren moet de hele keten samenwerken in een transparant systeem waarbij stakeholders meervoudige waarde in balans ontwikkelen, zodat geen partij in de keten wordt benadeeld. Organisaties worstelen met deze veranderende rollen en zoeken nieuwe bedrijfsmodellen, waarin herstel en volhoudbaarheid boven oneindige groei en uitputting staan. In dit project werken Nederlandse bedrijven (met name MKB) uit de gehele textielketen samen met Indiase bedrijven om de werking van een katoencascade -een regeneratief, circulair systeem van katoenzaad tot worteldoek- te onderzoeken en op te tekenen. Een interdisciplinaire benadering is hierbij cruciaal. De nadruk ligt zowel op onderzoek naar de technische haalbaarheid van de katoenvezel als op de ontwikkeling van collaboratieve bedrijfsmodellen. De geformuleerde onderzoeksvraag luidt: Welke collaboratieve bedrijfsmodellen ontstaan tijdens het ontwerponderzoek die geschikt zijn voor meervoudige waardecreatie in een katoencascade en hoe kunnen die bijdragen aan de verdere ontwikkeling van regeneratieve cascadeprincipes?
Ons huidige voedselsysteem is steeds meer gericht op winst, waardoor we vervreemd raken van de natuur, gezondheid en elkaar. Hoewel gezond voedsel produceren goedkoper is dan ooit, is het in de winkels duurder dan bewerkt voedsel. Dit maakt een gezond eetpatroon vooral voor kwetsbare huishoudens moeilijker, wat leidt tot grotere gezondheidsverschillen tussen verschillende sociale en culturele lagen. Stichting Plaatsen Nederland wil het voedselsysteem van de toekomst vernieuwen door samen met boeren, burgers en andere betrokkenen te werken aan een regeneratief voedselsysteem. Dit systeem is gebaseerd op drie pijlers: natuurgedreven, sociaal verbonden en economisch gedragen. Plaats De Kleine Aarde in Boxtel (PDKA) ondersteunt dit initiatief door te bouwen aan een kennisnetwerk dat de transitie naar een beter voedselsysteem stimuleert. In 2025 wil PDKA hiervoor een horecavoorziening starten die gezond en duurzaam voedsel toegankelijk maakt voor iedereen. Dit wordt gedaan door ideeën rondom ‘Commons’ (gemeenschappelijk beheer) te gebruiken, waarbij gezamenlijke maaltijden centraal staan. In 2025 wordt hiervoor een verkennend onderzoek uitgevoerd door het lectoraat ‘Economie als gemeengoed’ van het Centre of Expertise Brede Welvaart en Nieuw Ondernemerschap (BWNO). Hierbij gaan onderzoekers, medewerkers van de PDKA en burgers samenwerken om een model te ontwikkelen voor het organiseren van deze maaltijden. Dit model moet gemeenschappelijkheid en solidariteit bevorderen en iedereen, ongeacht sociale of culturele achtergrond, betrekken. Het doel van dit onderzoek is om te ontdekken welke werkwijzen en basisregels succesvol zijn voor het gezamenlijk organiseren van gezonde en duurzame maaltijden. De resultaten moeten bruikbaar zijn voor andere groepen en locaties in Nederland, zodat het model breed toegepast kan worden.
Nederland moet in 2050 zowel energieneutraal als circulair zijn. Biobased en regeneratieve materialen ondersteunen deze ambities doordat zij kunnen bijdragen aan de circulaire bouwtransitie, de landbouwtransitie, de energietransitie en eveneens het verbeteren van biodiversiteit op landbouwgronden (NABB, 2023). Met regeneratief wordt “snel hergroeibaar” bedoeld, waarbij een positieve bijdrage wordt geleverd aan natuur en milieu. De National Aanpak Biobased Bouwen (2023) spreekt veelvuldig over opschaling en ketenintegratie van biobased (plaat)materialen voor binnen-toepassingen en als isolatiemateriaal, maar laat hierbij geveltoepassingen enigszins buiten beschouwing. Een belangrijke reden hiervoor is dat er nog weinig bekend is over de prestaties van biobased en regeneratieve materialen in gevels. Dit kennishiaat belemmert verdere implementatie. Gevelmaterialen worden in de exterieure omgeving beïnvloed door weerfactoren; vocht, temperatuur en straling kunnen het materiaal verouderen en zo de levensduur beïnvloeden. Momenteel is er weinig bekend over de invloed van weerfactoren op biobased gevelmaterialen, waardoor marktpartijen terughoudend zijn met implementatie. Om het toepassen van biobased materialen in gevels te stimuleren is meer inzicht nodig in veroudering en gedrag van deze materialen. Daarbij speelt ook de invloed van weerfactoren op de vorm en detaillering (verbinding?) van de gevelbekleding een rol. Bijvoorbeeld wanneer hierdoor vocht ophoopt en niet weg kan. Vormoptimalisatie kan daarnaast eveneens als ontwerpstrategie bijdragen aan de prestaties en perceptie van biobased materialen. In dit project onderzoekt de onderzoeksgroep Circulair Bouwen van de Hogeschool van Amsterdam samen met MKB-ondernemingen NPSP en WIERWAAR, Gemeente Amsterdam en Nationaal Kenniscentrum Biobased Bouw de invloed van weerfactoren op de levensduur en prestaties van biobased en deels regeneratieve gevelmaterialen, en wordt verkend hoe vormoptimalisatie daar eveneens aan kan bijdragen. Deze onderzoeken worden uitgevoerd in een experimentele omgeving, het Innovatiepaviljoen op het Marineterrein Amsterdam. Hiermee wordt inzicht verkregen in de geschiktheid voor het gebruik van deze materialen in de bouw.