Kwalitatief onderzoek binnen de RIBW Groep Overijssel naar het werken met het driehoeksmodel. Het driehoeksmodel streeft naar samenwerking en balans in de relatie cliënt – familie – professionals. Het onderzoek richt zich met name op de rol van cliënt en familieleden in de driehoek.
DOCUMENT
Bewoners van de Wesselerbrink in Enschede zijn overvallen door het plan van zorginstelling RIBW Groep Overijssel (GO) om mensen met psychische problemen in hun wijk te laten wonen. Dat verklaart volgens lector Jack de Swart de onrust in de wijk.
MULTIFILE
De Wijkgroenagenda's gaan uit van de wensen en de mogelijkheden van bewoners. De stap zetten van groen denken naar groen doen wordt gestimuleerd. De uitdaging ligt in het betrekken van moeilijk bereikbare doelgroepen. In het Arnhemse Broek is, samen met het RIBW, de inzet van bewoners als rolmodellen uitgeprobeerd....De Factsheet is onderdeel van het CoE Groenproject 'Natuurinclusief gedrag van burgers'.
DOCUMENT
De Wijkgroenagenda's gaan uit van de wensen en de mogelijkheden van bewoners. De stap zetten van groen denken naar groen doen wordt gestimuleerd. De uitdaging ligt in het betrekken van moeilijk bereikbare doelgroepen. In het Arnhemse Broek is, samen met het RIBW, de inzet van bewoners als rolmodellen uitgeprobeerd....De Factsheet is onderdeel van het CoE Groenproject 'Natuurinclusief gedrag van burgers'.
DOCUMENT
Het maatschappelijke debat rondom sociale inclusie is momenteel volop in beweging. Het adagium van de participatiesamenleving, waarin ieder zoveel mogelijk op eigen kracht en met hulp van familie, vrienden en buren meedraait in- en bijdraagt aan de samenleving, heeft zijn invloed op de dagelijkse werkelijkheid van mensen met een beperking, de sociale professionals en het gemeentelijk bestuur. Hoe vertaalt zich dit naar de praktijk en wat is ervoor nodig om daadwerkelijk te bevorderen dat mensen met een beperking mee kunnen doen in de samenleving? Dit rapport vertelt u over de resultaten van een langdurig onderzoek naar vier laagdrempelige buurtprojecten in de regio van Zwolle. Plekken waar mensen met een verstandelijke beperking en/of psychiatrische problematiek in contact komen met hun buren. Wat dragen deze plekken bij aan participatie en sociale inclusie van deze kwetsbare mensen, volgens henzelf, hun buren en sociale professionals? Wat moeten sociale professionals in huis hebben om een laagdrempelig buurtproject te runnen? Wat is er nodig vanuit bestuurlijk en gemeentelijk beleid om hier op aan te sluiten? Dit onderzoek pleit voor veilige en alternatieve plekken die ruimte geven aan kwetsbaarheden. Voor zogenaamde ‘kwetsbare gemeenschappen’ die aansluiten bij de leefwereld van de mensen om wie het gaat. Dit rapport kan het best samen worden gelezen met het tussenrapport van het onderzoek: Netwerkondersteuning in buurt en wijk: Gewoon gezellig. (Stouten-Hanekamp, Jager-Vreugdenhil, Bredewold & Velvis, 2017).
DOCUMENT
Er hebben de eerste meting 161 cliënten deelgenomen aan MOVE. Deze cliënten hebben een ZZP 3 C indicatie. Toch wijken ze qua socio-demografische kenmerken niet af van de totale BW-cliëntenpopulatie van de RIBW, zoals tijdens het UTOPIA-onderzoek in kaart is gebracht.
DOCUMENT
In deze rapportage worden de eerste resultaten van het MOVE‐project beschreven. MOVE staat voor Mensen Ondersteunen bij Vermaatschappelijking en Extramuralisering. Dit project wordt uitgevoerd door het lectoraat Rehabilitatie van de Hanzehogeschool Groningen, in samenwerking met het Rob Giel Onderzoekcentrum te Groningen, in opdracht van zes Regionale Instellingen voor Beschermd Wonen (RIBWs), te weten Pameijer, Stichting Anton Constandse, RIBW Nijmegen & Rivierenland, RIBW Arnhem & Veluwevallei, RIBW Brabant en RIBW Heuvelland & Maasvallei. Deze rapportage doet verslag van de resultaten van de eerste meting van MOVE, uitgevoerd tussen mei en augustus van 2013. Tijdens deze meting zijn cliënten in het beschermd wonen bevraagd over hun kwaliteit van leven, zorgbehoeften, maatschappelijke participatie, hun herstelproces en hoe zij staan tegenover ambulantisering. Deze resultaten geven een overzicht van de deelnemende cliënten en de motivatie ten aanzien van zelfstandig gaan wonnen. De deelnemers worden twee jaar gevolgd. Gedurende die periode zal worden onderzocht wie wel en niet gaat ambulantiseren, wat het effect van ambulantisering is op maatschappelijke participatie en herstel, en welke factoren bijdragen aan succes en falen. Daarnaast wordt een kosteneffectiviteitstudie uitgevoerd. De tweede meting, een half jaar na de eerste meting, is inmiddels van start gegaan in december 2013 en zal plaatsvinden tot en met februari 2014. De informatie van de tweede meting zal een eerste inzicht geven in het verloop van het ambulantiseringsproces. Het rapport dat voor u ligt is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 1 worden de sociodemografische en zorgkenmerken van de cliënt‐deelnemers beschreven. Hoofdstuk 2 is gericht op de sociale inclusie van cliënten en de samenhang tussen sociale inclusie en de wens om wel of niet zelfstandig te willen wonen. In hoofdstuk 3 komt het cliëntperspectief op kwaliteit van leven, zorgbehoeften, herstel en ambulantisering aan de orde. Ook hier zal weer worden onderzocht of e.e.a. samenhangt met de wens om wel of niet zelfstandig te willen wonen. Hoofdstuk 4 bestaat uit de samenvattende discussie en conclusie naar aanleiding van de eerste bevindingen.
DOCUMENT
Continuïteit in de forensische zorg versterkt beschermende structuren voor een cliënt en verkleint de kans op terugval. De afgelopen jaren zijn diverse (beleids)programma’s en initiatieven ontplooid om continuïteit in de forensische zorg te verbeteren. Een belangrijke vraag is of professionals en cliënten hier voldoende mee bekend zijn en welke behoeften zij hebben om continuïteit te kunnen verbeteren.
DOCUMENT
Mensen met ernstige psychische aandoeningen hebben naast een psychiatrische stoornis gedurende langere tijd (>2 jaar) op meerdere levensgebieden beperkingen in het functioneren. In het beleidsrapport Over de brug (20..) zijn voor de komende jaren drie ambitieuze doelstellingen afgesproken: 1/3 meer psychiatrische en somatische gezondheidswinst (herstel van gezondheid), 1/3 meer participatie in werk of studie (herstel van maatschappelijke rollen), 1/3 meer verwezenlijking van individuele doelen (persoonlijk herstel). Op dit moment wordt vanuit de GGZ op verschillende manieren vanuit outreachende multidisciplinaire zorgteams hieraan gewerkt. De belangrijkste zorgvormen zijn. Gewerkt wordt vanuit teams voor: Bemoeizorg en Assertive Community Treatment (ACT), Flexibele ACT teams (F-ACT) en meer recent gebiedsgerichte GGZ zorgnetwerken. Deze teams staan voor een aantal uitdagingen: werken aan klinisch, persoonlijk en maatschappelijk herstel; professionele zorg bieden aansluitend op naar eigen kracht en zelfmanagement; naast de cliënt ook zijn/haar netwerk en omgeving betrekken; interprofessioneel samenwerken met professionals buiten de GGZ; integratie van behandeling en rehabilitatie; integratie van psychiatrische en somatische zorg.
DOCUMENT
This thesis has increased our knowledge of the needs of homeless people using shelter facilities in the Netherlands and of the needs and wishes of people living in persistent poverty. It provides guidance for policy and further professionalization and quality improvements to the services and support provided to homeless people and people living in persistent poverty. The results underscore the importance of broad and integrated policy measures to strengthen socioeconomic security, and emphasize the need for including the views of clients and experts by experience in the development of policy. Our research also stresses the need for services to employ peer workers to support homeless people and people living in persistent poverty and to apply a more human-to-human approach.
DOCUMENT