© 2025 SURF
Praktische toepassingen van FinTech (FinTech=de digitale transformatie van, met name, de financieel-zakelijke dienstverlening)
LINK
- ‘We hebben een Nederlandstalig tijdschrift voor de forensische gedragskunde opgericht.’ - ‘Oh wat leuk, maar bestaat dat dan nog niet?’ Dit was een veelvoorkomende reactie van mensen die iets verder van het forensische veld af staan. De tekenende vanzelfsprekendheid waarmee zij van het bestaan ervan uitgaan, weerklinkt ook in de aanwezigheid van vergelijkbare specialistische wetenschappelijke tijdschriften in de taalgebieden om ons heen. Uiteraard zijn er veel Engelstalige tijdschriften op het gebied van de forensische gedragskunde, die immers de nationale markt in verschillende landen die Engels als voertaal hebben bedienen, naast de internationale markt (of Noord-Amerikaanse of Europese) met het Engels als wetenschappelijke lingua franca. The Journal for Forensic Psychiatry and Psychology is voor deze vergelijking een vrij letterlijk voorbeeld van zo’n tijdschrift, maar er zijn er vele. Ook in het Duitse taalgebied zijn er verschillende tijdschriften, waaronder Forensische Psychiatrie, Psychologie, Kriminologie en Forensische Psychiatrie und Psychotherapie. Wie zich in het forensisch gedragskundige onderzoeksveld zelf begeeft, wordt vroeg of laat deze leemte in Nederland gewaar. Voor ons werd die steeds meer onontkoombaar, doordat we zelf als relatief nieuwbakken hoogleraren steeds meer jonge onderzoekers te begeleiden kregen. Denk aan promovendi, maar ook aan klinisch psychologen in opleiding die in het kader van die opleiding onderzoek verrichten dat een publicabel artikel moet opleveren, en andere startende onderzoekers in het forensische veld, waaronder behandelaars die naast hun behandelwerk onderzoek verrichten. Zij worden door deze leemte gedwongen hun studies aan te passen aan de eisen van meer algemene tijdschriften in onder meer de psychiatrie, de psychologie, de criminologie en het (straf)recht. Hoewel publicatie in dergelijke tijdschriften ook interessant kan zijn om een breder publiek te bereiken, is de inhoud niet altijd passend of vereist het veel extra uitleg over het forensische veld, terwijl de kans op afwijzing groter is vanwege de concurrentie met allerlei andere deeldisciplines daarbinnen. Uitwijken naar specialistische internationale tijdschriften vraagt soms juist binnen de forensische disciplines om aanpassing van de eigen nieuwsgierigheid en onderzoeksvragen, om deze begrijpelijk en relevant te maken voor de internationale context. Echter, juist omdat de context van het (straf)recht zo nationaal is, bestaat al met al de kans dat veel relevant onderzoek niet gedaan of gedeeld wordt omdat voor de publicatie ervan het juiste gremium niet bestaat. Deze zorgelijke conclusie, gecombineerd met een gedeelde gevoelde verantwoordelijkheid en een flinke dosis enthousiasme voor ons vakgebied, heeft ons doen besluiten in dit gat te springen.
LINK
Overgewicht bij jongeren is een groot probleem. Diverse factoren spelen daarbij een rol. Dat zijn kortweg een dosis aanleg en een ongunstige omgeving. Aan aanleg is niet veel te veranderen, aan de omgeving wel.
From an evidence-based perspective, cardiopulmonary exercise testing (CPX) is a well-supported assessment technique in both the United States (US) and Europe. The combination of standard exercise testing (ET) (ie, progressive exercise provocation in association with serial electrocardiograms [ECG], hemodynamics, oxygen saturation, and subjective symptoms) and measurement of ventilatory gas exchange amounts to a superior method to: 1) accurately quantify cardiorespiratory fitness (CRF), 2) delineate the physiologic system(s) underlying exercise responses, which can be applied as a means to identify the exercise-limiting pathophysiologic mechanism(s) and/or performance differences, and 3) formulate function-based prognostic stratification. Cardiopulmonary ET certainly carries an additional cost as well as competency requirements and is not an essential component of evaluation in all patient populations. However, there are several conditions of confirmed, suspected, or unknown etiology where the data gained from this form of ET is highly valuable in terms of clinical decision making
From an evidence-based perspective, cardiopulmonary exercise testing (CPX) is a well-supported assessment technique in both the United States (US) and Europe. The combination of standard exercise testing (ET) [i.e. progressive exercise provocation in association with serial electrocardiograms (ECGs), haemodynamics, oxygen saturation, and subjective symptoms] and measurement of ventilatory gas exchange amounts to a superior method to: (i) accurately quantify cardiorespiratory fitness (CRF), (ii) delineate the physiologic system(s) underlying exercise responses, which can be applied as a means to identify the exercise-limiting pathophysiological mechanism(s) and/or performance differences, and (iii) formulate function-based prognostic stratification. Cardiopulmonary ET certainly carries an additional cost as well as competency requirements and is not an essential component of evaluation in all patient populations. However, there are several conditions of confirmed, suspected, or unknown aetiology where the data gained from this form of ET is highly valuable in terms of clinical decision making.1
Background: Previous studies found that 40-60% of the sarcoidosis patients suffer from small fiber neuropathy (SFN), substantially affecting quality of life. SFN is difficult to diagnose, as a gold standard is still lacking. The need for an easily administered screening instrument to identify sarcoidosis-associated SFN symptoms led to the development of the SFN Screening List (SFNSL). The usefulness of any questionnaire in clinical management and research trials depends on its interpretability. Obtaining a clinically relevant change score on a questionnaire requires that the smallest detectable change (SDC) and minimal important difference (MID) are known. Objectives: The aim of this study was to determine the SDC and MID for the SFNSL in patients with sarcoidosis. Methods: Patients with neurosarcoidosis and/or sarcoidosis-associated SFN symptoms (N=138) included in the online Dutch Neurosarcoidosis Registry participated in a prospective, longitudinal study. Anchor-based and distribution-based methods were used to estimate the MID and SDC, respectively. Results: The SFNSL was completed both at baseline and at 6-months’ follow-up by 89/138 patients. A marginal ROC curve (0.6) indicated cut-off values of 3.5 points, with 73% sensitivity and 49% specificity for change. The SDC was 11.8 points. Conclusions: The MID on the SFNSL is 3.5 points for a clinically relevant change over a 6-month period. The MID can be used in the follow-up and management of SFN-associated symptoms in patients with sarcoidosis, though with some caution as the SDC was found to be higher.
Introduction: Besides dyspnoea and cough, patients with idiopathic pulmonary fibrosis (IPF) or sarcoidosis may experience distressing non-respiratory symptoms, such as fatigue or muscle weakness. However, whether and to what extent symptom burden differs between patients with IPF or sarcoidosis and individuals without respiratory disease remains currently unknown. Objectives: To study the respiratory and non-respiratory burden of multiple symptoms in patients with IPF or sarcoidosis and to compare the symptom burden with individuals without impaired spirometric values, FVC and FEV1 (controls). Methods: Demographics and symptoms were assessed in 59 patients with IPF, 60 patients with sarcoidosis and 118 controls (age ≥18 years). Patients with either condition were matched to controls by sex and age. Severity of 14 symptoms was assessed using a Visual Analogue Scale. Results: 44 patients with IPF (77.3% male; age 70.6±5.5 years) and 44 matched controls, and 45 patients with sarcoidosis (48.9% male; age 58.1±8.6 year) and 45 matched controls were analyzed. Patients with IPF scored higher on 11 symptoms compared to controls (p<0.05), with the largest differences for dyspnoea, cough, fatigue, muscle weakness and insomnia. Patients with sarcoidosis scored higher on all 14 symptoms (p<0.05), with the largest differences for dyspnoea, fatigue, cough, muscle weakness, insomnia, pain, itch, thirst, micturition (night, day). Conclusions: Generally, respiratory and non-respiratory symptom burden is significantly higher in patients with IPF or sarcoidosis compared to controls. This emphasizes the importance of awareness for respiratory and non-respiratory symptom burden in IPF or sarcoidosis and the need for additional research to study the underlying mechanisms and subsequent interventions.