In summer 2020, part of a quay wall in Amsterdam collapsed, and in 2010, construction for a parking lot in Amsterdam was hindered by old sewage lines. New sustainable electric systems are being built on top of the foundations of old windmills, in places where industry thrived in the 19th century. All these examples have one point in common: They involve largely unknown and invisible historic underground structures in a densely built historic city. We argue that truly circular building practices in old cities require smart interfaces that allow the circular use of data from the past when planning the future. The continuous use and reuse of the same plots of land stands in stark contrast with the discontinuity and dispersed nature of project-oriented information. Construction and data technology improves, but information about the past is incomplete. We have to break through the lack of historic continuity of data to make building practices truly circular. Future-oriented construction in Amsterdam requires historic knowledge and continuous documentation of interventions and findings over time. A web portal will bring together a range of diverse public and private, professional and citizen stakeholders, each with their own interests and needs. Two creative industry stakeholders, Yume interactive (Yume) and publisher NAI010, come together to work with a major engineering office (Witteveen+Bos), the AMS Institute, the office of Engineering of the Municipality of Amsterdam, UNESCO NL and two faculties of Delft University of Technology (Architecture and Computer Science) to inventorize historic datasets on the Amsterdam underground. The team will connect all the relevant stakeholders to develop a pilot methodology and a web portal connecting historic data sets for use in contemporary and future design. A book publication will document the process and outcomes, highlighting the need for circular practices that tie past, present and future.
Het centrale thema van het Lectorenplatform Applied Science is om met lectoren uit het natuurwetenschappelijke domein een bijdrage te leveren aan oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen door middel van (door)ontwikkeling en inzet van sleuteltechnologieën (STs) vanuit een brede (moleculaire) kennisbasis van praktijkgericht natuurwetenschappelijk onderzoek. Het lectorenplatform zet met name in op technologieën die goed aansluiten bij de KIA-sleuteltechnologieën en de missies Gezondheid en Zorg; Energietransitie en Duurzaamheid; en Landbouw, Water en Voedsel. In de succesvolle eerste periode van het lectorenplatform is de interne verbinding tussen de deelnemende lectoraten versterkt. De komende jaren zal het platform zich focussen op verbinding met andere toepassingsdomeinen (platforms), en uitbreiding en verduurzaming van de samenwerking met andere kennisinstellingen (zoals wo en mbo). Door transdisciplinair te werken en leren zijn we in staat de maatschappelijke uitdagingen te vertalen naar nieuwe toepassingen, waarbij STs een centrale rol spelen. (Door)ontwikkelen en toepassen van onze focus STs (zoals geavanceerde materialen, chemische-, life science, nano- en digitale technologieën) ten behoeve van het oplossen van praktijkvragen. Dit doen we op thema’s uit de KIA's, waarop actief de verbinding wordt gezocht met de reeds geïdentificeerde partners (o.a. uit andere platforms). Activiteiten: • Uitbreiding verbinding met VH thematafels/missie initiatieven; • Verbinden van STs aan missie-gerelateerd vraagstukken en vertalen naar concrete toepassingen; • Voor deze toepassingen vanuit onze expertises op STs samenwerkingen/consortia ontwikkelen om transdisciplinair deze toepassingen naar hogere technology readiness levels (TRLs) te brengen (doorontwikkeling en implementatie van STs); • Met position paper(s) duidelijke communicatie over positionering van hbo-onderzoek in het algemeen en toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek in het bijzonder; • Versterken verbinding met zowel wo en mbo op ontwikkeling en toepassing van STs.
Deze aanvraag beoogt de verwezenlijking van hoogwaardig onderwijs in Science, Technology, Engineering & Mathematics (STEM) in het primair- en voortgezet onderwijs en de lerarenopleidingen, door een beproefde systematiek voor netwerkvorming beschikbaar te maken voor het STEM-domein. Het uiteindelijke doel hiervan is de systematische en duurzame bevordering van bèta-burgerschap en het verhogen van de instroom van leerlingen in technische opleidingen (CBS, 2017, TechYourFuture, 2018). Om te komen tot de beproefde systematiek voor netwerkvorming, wordt de werkwijze van ontwerponderzoek toegepast (Plomp & Nieveen, 2013). Concreet betekent dit dat een systematiek wordt opgesteld voor het netwerk, dat deze in praktijk wordt gebracht, formatief wordt geëvalueerd, vervolgens wordt bijgesteld op basis van de bevindingen en dan wederom in de praktijk wordt beproefd (McKenney & Reeves, 2012). De systematiek voor het netwerk bestaat uit een aantal aspecten: 1) het opstellen van een landelijke onderzoeksagenda rondom STEM-onderwijs op basis van een proces van vraagarticulatie en focusbepaling, 2) het vervolgens in professionele leergemeenschappen (PLG’s) werken aan de beantwoording van vragen van de landelijke onderzoeksagenda, en 3) het delen van kennis, voorbeelden en onderzoeksresultaten door fysieke ontmoetingen te organiseren en een digitaal platform beschikbaar te stellen. Op deze wijze wordt kennisdeling en samenwerking gestimuleerd, wordt voortgaande netwerkvorming bevorderd, en wordt gewerkt aan het vergroten van onderzoekend vermogen van alle leden van het netwerk. Door meermalen de systematiek voor netwerkvorming bij te stellen en te verbeteren op basis van formatieve evaluaties, wordt toegewerkt naar een effectieve structuur voor het doen van praktijkgericht onderzoek naar STEM-onderwijs alsmede het delen en ontwikkelen van onderzoeksinitiatieven, kennis en good practices. Het STEM-netwerk is een open netwerk dat uitbreiding van deelname stimuleert, hetgeen leidt tot verbreding van kennisdeling en meer en beter praktijkonderzoek. Aan het eind van het project is een beproefde, doeltreffende systematiek voor voortgaande netwerkvorming binnen het STEM-domein beschikbaar.
Zowel bij ondernemers als onder kunstenaars zien we steeds meer initiatieven gericht op de ontwikkeling van een ‘volhoudbare’ economie. Partijen uit deze domeinen zoeken manieren om een generatieve economie te bewerkstelligen die – anders dan een extractieve economie (‘de economie van het leegtrekken’) – sociaal rechtvaardig en ecologisch duurzaam wil zijn. Omdat kunstenaars en ondernemers in hun zoektocht naar innovaties-met-impact verschillende kwaliteiten inbrengen, wordt veel verwacht van samenwerking tussen de twee sectoren. In de praktijk echter is synergie eerder regel dan uitzondering. De grote verschillen tussen de twee ‘innovatiesferen’ leiden vooralsnog tot meer gedoe dan complementariteit. In het vraagarticulatietraject dat ten grondslag ligt aan SUSTAIN kwam naar voren dat hier een belangrijke rol is weggelegd voor zogeheten innovatiebrokers: derde partijen die werelden van ondernemerschap en kunst op duurzame wijze met elkaar weten te verbinden. In SUSTAIN willen we de body of knowledge en het handelingsinstrumentarium van deze innovatiebrokers verrijken. Door met praktijkgericht onderzoek juist in deze beroepsgroep te investeren, hopen we een hefboomeffect richting de volhoudbare economie te creëren: we dragen bij aan de effectiviteit van de samenwerking tussen de innovatiesferen kunst en ondernemerschap. Onze hoofdvraag luidt: Wat kunnen innovatiebrokers op het snijvlak van kunst en ondernemen in de verschillende fases van het innovatietraject leren en doen om de synergie van de samenwerking tussen ondernemers en kunstenaars te vergroten en zo een duurzame bijdrage te leveren aan de transitie richting een volhoudbare economie? Gedurende het onderzoek ontwikkelen we een gefundeerd Brokers Kenniscanvas dat beschrijft welke vraagstukken zich aandienen in samenwerkingsverbanden tussen kunstenaars en ondernemers en hoe de innovatiebrokers die vraagstukken hanteerbaar en productief kunnen maken. We richten ons welbewust op het ‘gedoe’ in de samenwerking en ontwikkelen vóór en mét de innovatiebrokers kennis over hoe vandaaruit synergie te realiseren.
Along with the rapidly growing number of disabled people participating in competitive sports, there is an increased need for (para)medical support in disability sports. Disabled athletes experience differences in body composition, metabolism, training load and habitual activity patterns compared with non-disabled athletes. Moreover, it has been suggested that the well-recognized athlete triad, and low energy availability and low bone mineral density in particular, is even a greater challenge in disabled athletes. Therefore, it is not surprising that sport nutritionists of disabled athletes have expressed an urgency for increased knowledge and insights on the nutritional demands of this group. This project aims to investigate energy expenditure, dietary intake, body composition and bone health of disabled athletes, ultimately leading to nutritional guidelines that promote health and optimal sports performance for this unique population. For this purpose, we will conduct a series of studies and implementation activities that are inter-related and build on the latest insights from sports practice, technology and science. Our international consortium is highly qualified to achieve this goal. It consists of knowledge institutes including world-leading experts in sport and nutrition research, complemented with practical insights from nutritionists working with disabled athletes and the involvement of athletes and teams through the Dutch and Norwegian Olympic committees. The international collaboration, which is a clear strength of this project, is not only focused on research, but also on the optimization of professional practice and educational activities. In this regard, the outcomes of this project will be directly available for practical use by the (para)medical staff working with disabled athletes, and will be extensively communicated to sport teams to ensure that the new insights are directly embedded into daily practice. The project outcomes will also be incorporated in educational activities for dietetics and sport and exercise students, thereby increasing knowledge of future practitioners.
Organ-on-a-chip technology holds great promise to revolutionize pharmaceutical drug discovery and development which nowadays is a tremendously expensive and inefficient process. It will enable faster, cheaper, physiologically relevant, and more reliable (standardized) assays for biomedical science and drug testing. In particular, it is anticipated that organ-on-a-chip technology can substantially replace animal drug testing with using the by far better models of true human cells. Despite this great potential and progress in the field, the technology still lacks standardized protocols and robust chip devices, which are absolutely needed for this technology to bring the abovementioned potential to fruition. Of particular interest is heart-on-a-chip for drug and cardiotoxicity screening. There is presently no preclinical test system predicting the most important features of cardiac safety accurately and cost-effectively. The main goal of this project is to fabricate standardized, robust generic heart-on-a-chip demonstrator devices that will be validated and further optimized to generate new physiologically relevant models to study cardiotoxicity in vitro. To achieve this goal various aspects will be considered, including (i) the search for alternative chip materials to replace PDMS, (ii) inner chip surface modification and treatment (chemistry and topology), (iii) achieving 2D/3D cardiomyocyte (long term) cell culture and cellular alignment within the chip device, (iv) the possibility of integrating in-line sensors in the devices and, finally, (v) the overall chip design. The achieved standardized heart-on-a-chip technology will be adopted by pharmaceutical industry. This proposed project offers a unique opportunity for the Netherlands, and Twente in particular, which has relevant expertise, potential, and future perspective in this field as it hosts world-leading companies pioneering various core aspects of the technology that are relevant for organs-on-chips, combined with two world-leading research institutes within the University of Twente.
Intelligent technology in automotive has a disrupting impact on the way modern automobiles are being developed. New technology not only has brought complexity to already existing information in the car (digitization of driver instruments) but also brings new external information to the driver on how to optimize the driving style amongst others from the perspective of communicating with infrastructures (Vehicle to Infrastructure communication (V2I)). The amount of information that a driver has to process in modern vehicles is increasing rapidly due to the introduction of multiple displays and new external information sources. An information overload lies awaiting, yet current Human Machine Interface (HMI) designs and the corresponding legal frameworks lag behind. Currently, many initiatives (Pratijkproef Amsterdam, Concorda) are being developed with respect to V2I, amongst others with Rijkswaterstaat, North Holland and Brabant. In these initiatives, SME’s, like V-Tron, focus on the development of specific V2I hardware. Yet in the field of HMI’s these SME’s need universities (HAN University of Applied Science, Rhine Waal University of Applied Science) and industrial designers (Yellow Chess) to help them with design guidelines and concept HMI’s. We propose to develop first guidelines on possible new human-machine interfaces. Additionally, we will show the advantages of HMI’s that go further than current legal requirements. Therefore, this research will focus on design guidelines averting the information overload. We show two HMI’s that combine regular driver information with V2I information of a Green Light Optimized Speed Advise (GLOSA) use case. The HMI’s will be evaluated on a high level (focus groups and a small simulator study). The KIEM results in two publications. In a plenary meeting with experts, the guidelines and the limitations of current legal requirements will be discussed. The KIEM will lead to a new consortium to extend the research.
Due to the existing pressure for a more rational use of the water, many public managers and industries have to re-think/adapt their processes towards a more circular approach. Such pressure is even more critical in the Rio Doce region, Minas Gerais, due to the large environmental accident occurred in 2015. Cenibra (pulp mill) is an example of such industries due to the fact that it is situated in the river basin and that it has a water demanding process. The current proposal is meant as an academic and engineering study to propose possible solutions to decrease the total water consumption of the mill and, thus, decrease the total stress on the Rio Doce basin. The work will be divided in three working packages, namely: (i) evaluation (modelling) of the mill process and water balance (ii) application and operation of a pilot scale wastewater treatment plant (iii) analysis of the impacts caused by the improvement of the process. The second work package will also be conducted (in parallel) with a lab scale setup in The Netherlands to allow fast adjustments and broaden evaluation of the setup/process performance. The actions will focus on reducing the mill total water consumption in 20%.