Presentation at the European Conference for Social Work Research, Leuven: Belgium
People in western countries spend approximately 90% of their time indoors. This severely affects their health (WHO 2013; Klepeis et al. 2001). The health risks are exacerbated if people travel between indoor spaces by car or public transport. Buildings on streets specifically designed to create a human scale and connected with the street-space can potentially invite people to walk and enhance their engagement with their surroundings (O’Mara 2019; Ewing et al. 2013). Since the 1960s, influential empirical studies have raised awareness of the walkability of streets (e.g. Jacobs 2008) but reliable evidence on the effectiveness of applied design solutions remains scarce (Spanjar & Suurenbroek 2020). This eye-tracking study focused on the visual ‘scanning’ of streetscapes and people’s appreciation of applied design principles. The aim was to gather together lessons learned from a variety of streetscapes in cities around the world and use them to inform the design of new developments in the Netherlands. Google Street View was used to select 19 images of streets in high-density environments with human-scale attributes in their façades and street-spaces. They were presented in a randomized order in a laboratory setting to 40 participants, who viewed them for 5 seconds. The participants’ visual explorative behaviour was recorded with advanced eye-tracking technology. A survey recorded their overall appreciation of the scenes and mouse-tracking collated their specific areas of interest (see fig. 1). The comparative analysis of the participants’ aggregated eye-fixation images together with the supplementary methods suggests that certain attributes for creating a human scale catch the eye in the first few seconds and are highly appreciated. These include the variety of a street’s façades, a street’s enclosedness, and the level of detail in the transition zone between the private ground floor and the public street (see fig. 2). Green features are particularly valued and might have important restorative qualities for people who spend most of their time indoors (Kaplan 1995; Ulrich 1984). Future research should focus on the design of façades and the street-space itself, taking people’s indoor lives and related stress levels as a starting point.
Void street interfaces (VSIs) – building plinths with restricted visual interaction, accessibility, and public use – constitute an urban feature often associated with undermining the public domain, limiting free access and preventing interaction between social groups. Moreover, VSIs have been described as products of inequality designed to segregate and hinder integration between public and private urban spaces. This study assesses VSIs across six cities in Brazil, a country notable for its profound inequality and sociospatial fragmentation. The main aims of this research are: (i) to develop and test a predictive model for VSIs using socioeconomic indicators drawn from open-source ground-truth data; (ii) to identify the variance of VSI within selected case studies. In the development phase of the predictive model, data from the city of Recife are used to build the model. The testing phase involves the analysis of VSIs in the cities of Fortaleza, Salvador, Belo Horizonte, Curitiba and Porto Alegre. The model can potentially assist urban planners in better understanding and locating VSIs and mitigating undesirable outcomes.
MULTIFILE
Meidenwerkers menen van grote waarde te zijn voor het realiseren van de transformatiedoelen die voortvloeien uit de grootschalige stelselvoorziening in het sociale domein. Voor het werkelijk realiseren van hun ambitie hebben meidenwerkers hulp nodig. Meidenwerkers willen aan gemeenten, managers en collega-professionals kunnen laten zien wat concrete resultaten zijn van het meidenwerk voor het versterken van de eigen kracht. Daarvoor willen meidenwerkers meer weten over de werking van het meidenwerk. Ook willen meidenwerkers op specifieke onderdelen hun methodiek verbeteren. Meidenwerkers en hun organisaties door heel Nederland hebben lectoraat Youth Spot gevraagd om middels deze RAAK- Publiek aanvraag vast te stellen of en hoe het meidenwerk bijdraagt aan het versterken van de eigen kracht van meiden en op welke manier het meidenwerk beter ingezet kan worden op het gebruik van de groep, de familie en het netwerk. Consortium: In het consortium participeren de organisaties die investeren en meewerken aan de uitvoering van het project. Deze bestaat naast de Hogeschool van Amsterdam uit 9 publieke organisaties: ContourdeTwern, JoU, Dock, IJsterk, Streetcornerwork, Participe, Combiwel, Stichting Jeugd en Jongerenwerk Midden Holland en Dynamo. Deze organisaties zijn aanbieders van meidenwerk in grootstedelijke, stedelijke en landelijke omgevingen uit het midden, westen en zuiden van het land. Ambitie: De ambitie van meidenwerkers en hun organisaties is om met dit project aan te tonen wat de werking en het resultaat is van het meidenwerk voor het versterken van de eigen kracht van meisjes en jonge vrouwen en de methodiek meidenwerk zodanig te verbeteren dat die aansluit op hedendaagse ontwikkelingen in jeugd- en sociaal beleid. Dit opdat gemeenten blijven investeren in het meidenwerk en meisjes en jonge vrouwen in kwetsbare posities toegang houden tot ondersteuning bij het ontwikkelen van hun eigen kracht. Resultaat: Handboek: ?Kracht van meiden 2.0? waarin de met empirie onderbouwde methodiek meidenwerk beschreven staat. Nieuw ontwikkelde instrumenten worden opgenomen in de herziene methodiekbeschrijving. Ook wordt er een online platform ontworpen, waar professionals en studenten door middel van blended en sociaal leren de gelegenheid krijgen om zich de ontwikkelde kennis en instrumenten werkelijk eigen te maken. Projectplan: Het projectplan bestaat uit drie fases waarin vijf werkpakketten centraal staan. Fase 1 beslaat het onderbouwen van de methodiek (WP1), fase 2 het doorontwikkelen van de methodiek (WP 2,3 & 4) en de 3e fase kenmerkt zich door kenniscirculatie en disseminatie (WP5).