Wearable inertial sensors (WIS) facilitate the preservation of the athlete-environment relationship by allowing measurement outside the laboratory. WIS systems should be validated for team sports movements before they are used in sports performance and injury prevention research. The aim of the present study was to investigate the concurrent validity of a wearable inertial sensor system in quantifying joint kinematics during team sport movements. Ten recreationally active participants performed change-of-direction (single-leg deceleration and sidestep cut) and jump-landing (single-leg hop, single-leg crossover hop, and double-leg vertical jump) tasks while motion was recorded by nine inertial sensors (Noraxon MyoMotion, Noraxon USA Inc.) and eight motion capture cameras (Vicon Motion Systems Ltd). Validity of lower-extremity joint kinematics was assessed using measures of agreement (cross-correlation: XCORR) and error (root mean square deviation; and amplitude difference). Excellent agreement (XCORR >0.88) was found for sagittal plane kinematics in all joints and tasks. Highly variable agreement was found for frontal and transverse plane kinematics at the hip and ankle. Errors were relatively high in all planes. In conclusion, the WIS system provides valid estimates of sagittal plane joint kinematics in team sport movements. However, researchers should correct for offsets when comparing absolute joint angles between systems.
DOCUMENT
In de eerste helft van 2023 heeft het lectoraat Human Capital een onderzoek verricht onder jonge hbo-professionals die afgestudeerd zijn bij de Business en Finance opleidingen van Hogeschool Inholland. We kwamen erachter dat we daar eigenlijk weinig gestructureerde informatie over hebben. Recent systematisch onderzoek naar de attitudes en verwachtingen van jongeren ten opzichte van werk ontbreekt (Wilthagen, 2023). Dit onderzoek kan bijdragen aan meer inzicht hierover, en dan van een specifieke groep jongeren: hbo-professionals in het Business & Finance domein. De resultaten van dit onderzoek bieden inzichten aan werkgevers over wat jonge hbo-professionals beweegt en hoe ze hen aan hun organisatie kunnen binden. Het biedt ook inzicht aan onze studenten: wat kunnen zij verwachten bij hun eerste stappen op de arbeidsmarkt? En tenslotte kunnen we als Hogeschool Inholland de inzichten meenemen in onze curriculumontwikkeling. In een kwalitatief onderzoek zijn we ingegaan op vragen als: Wat komen jonge professionals tegen als ze landen op de arbeidsmarkt? Wat hebben ze, terugkijkend, gehad aan hun opleiding en wat hebben ze pas geleerd op de werkvloer? Wat vinden ze belangrijk aan hun werk en wat aan hun werkgevers? Welke verwachtingen hebben zij met betrekking tot hun loopbaan? En tenslotte, welke verschillen zijn er tussen de verschillende Business & Finance richtingen? Het onderzoek heeft verrassende inzichten opgeleverd, die we in deze publicatie beschrijven.
DOCUMENT
Kennis heeft een landschap met wegen, routes en mogelijkheden nodig om te bewegen, kortom: een infrastructuur. Om de landelijke kennisinfrastructuur rond IOMC te versterken hebben we vanuit SPRONG Meertaligheid het Kennisnetwerk IOMC inzichtelijk gemaakt. De belangrijkste conclusie over de gezamenlijke reis die we in dit consortium hebben afgelegd, is dat kennisinfrastructuur in de eerste plaats gaat over mensen. Dit hoofdstuk is tot stand gekomen in samenwerking met Arienne van Staveren, Ada van Dalen, Vital Hanssen, Lyske van den Berg en Jantje Timmerman.
LINK
In dit hoofdstuk oogsten wij de vruchten van vier jaar SPRONG Meertaligheid, in de vorm van een onderzoeksagenda gericht op het verder gestalte geven aan IOMC. De onderzoeksagenda geeft een beschrijving van de zeven meest urgente onderzoeksthema’s voor de komende jaren.
LINK
Over welke onderwerpen leven er vragen in het onderwijsveld op het gebied van IOMC? En welke van die vragen verdienen prioriteit in wetenschappelijk onderzoek én praktijkonderzoek? Voor een antwoord op die vragen is een vragenlijst ontwikkeld en uitgezet onder onderwijsprofessionals buiten het SPRONG Meertaligheid-consortium: leraren, directeuren, intern begeleiders, (taal)coördinatoren in po/vo/mbo, en lerarenopleiders.
LINK
Het conceptuele raamwerk van boundary crossing helpt ons om zogeheten “grenzen” die we tegenkomen in het werken aan IOMC te analyseren. Waarom verlopen overgangen in het onderwijs vaak moeizaam? En waarom zijn sommige oplossingsrichtingen juist kansrijk of succesvol?
LINK
Het landelijke consortium SPRONG Meertaligheid bouwde voort op verschillende regionale netwerken, die verbonden waren aan de deelnemende hogescholen en partnerscholen in po, vo en mbo. Om zoveel mogelijk gebruik te maken van bestaande netwerken en daarmee ook tegemoet te komen aan de behoeften van de onderwijspraktijk, is ervoor gekozen om de bestaande regionale samenwerkingen als uitgangspunt te nemen, die te versterken, en daarnaast ook met elkaar op landelijk niveau te verbinden.
LINK
Inclusief onderwijs in meertalige contexten (IOMC): dat was de ambitie van alle partners in het project SPRONG Meertaligheid. Dit boekje vertelt je over de opbrengsten van dit landelijke project, waarin onderwijsprofessionals, opleiders en onderzoekers van maart 2020 tot maart 2024 samenwerkten. Wat bracht ons samen? En wat beoogden we, in de vier jaar die gekleurd werden door de covid-pandemie, toenemende wereldwijde migratie en prangende onderwijsvraagstukken zoals het lerarentekort en kansenongelijkheid?
LINK
In het basismodule wetenschappelijke vaardigheden ontwikkelen de studenten meer begrip van methodologie en statistiek binnen de sport en beweegsector, alsook een kritische houding ten aanzien van onderzoeksresultaten. Omdat de Master of Sports een deeltijdstudie is en alle studenten ook werken in de beroepspraktijk, kan de student een bijdrage leveren aan het meer evidence-based maken van de beroepspraktijk op zijn werkplek. Zo heeft Bart van Gastel in opdracht van de Gelderse Sport Federatie een praktijkonderzoek uitgevoerd naar het effect van het aanleren van een B-Fit pauze-activiteit in de gymles op het spelen op het schoolplein bij 11- en 12-jarige meisjes.
DOCUMENT
Een meertalige aanpak – die ruimte biedt aan alle thuistalen – kan ons onderwijs toegankelijker, rijker en eerlijker maken. Toegankelijker, omdat zo’n aanpak meertalige leerlingen in staat stelt om volledig mee te doen in ons onderwijs, en gebruik te maken van kennis en vaardigheden die zij in andere talen dan het Nederlands hebben ontwikkeld. Daarnaast zullen ouders-verzorgers makkelijker hun weg vinden naar het Nederlandse onderwijs, net zoals het onderwijs naar hen, en zullen ouders-verzorgers hun kinderen beter kunnen ondersteunen. Rijker, in de eerste plaats, omdat meertaligen zich meer gezien en gehoord voelen wanneer hun thuistaal welkom is in ons onderwijs en omdat we daarmee allemaal meer te zien en te horen krijgen van de diverse wereld om ons heen. Rijker, in de tweede plaats, wanneer thuistalen een plek krijgen in betekenisvol, interactief en taalondersteunend onderwijs, waarin deeltaalvaardigheden (zoals lezen, spreken en schrijven) én vakinhoudelijke kennis (van primair tot hoger onderwijs) niet afzonderlijk maar in samenhang met elkaar worden ontwikkeld. Eerlijker, tot slot, omdat ruimte voor thuistalen bijdraagt aan gelijkere onderwijskansen en uiteindelijk dus ook bevorderlijk is voor passende doorstroom tussen onderwijssectoren en van school naar werk.
DOCUMENT