© 2025 SURF
'Onderzoek naar de meerwaarde van het wijkservicepunt in Amsterdam-Noord. Hoe een laagdrempelige, sociale voorziening de verbinding kan zijn tussen informele en formele zorg.'
European clothing consumption has increased dramatically in recent decades, leading to a current average of 26 kg of textiles annually purchased per capita (EEA, 2019). While garments (and most of clothing’s environmental impacts) are produced in other parts of the world, European municipalities face a problem of increasing volumes of textile waste. Moreover, the revised waste directive of 2018 specifies that European Union countries will be obliged to collect textiles separately by 2025. This study investigates how these phenomena are affecting city-level policy and strategy, including but not limited to textile waste management. It builds on a comparative analysis of official documents informed by interviews with policy makers and waste management authorities in five European cities. The research points out that, in these cities, clothing environmental policy and other public initiatives are at varied levels of development. The paper identifies three kinds of measures, namely (a) improving separate collection, (b) waste prevention, and (c) consumption reduction. Reducing the share of textiles disposed of in general household waste (and therefore increasing separate collection) has been a central aim in cities where textiles fall under local waste regulation. The waste directive mentioned above makes separate collection of all textiles compulsory for EU members, leading to revisions in some cities’ collection systems. Some municipalities have gone one step further in preventing these textiles from reaching waste streams by supporting local initiatives for repair and reuse. The most advanced and recent approach is aiming at reductions in new clothing demand through citizen campaigns and monitoring the effect of repair and reuse actions in consumption levels. The comparative analysis leads to recommendations for future policy and strategy including developing the three approaches mentioned above simultaneously, further exploring measures for consumption reduction, and the integration of more concrete targets and monitoring plans, so that the most effective paths in social and environmental terms can be identified.
Minimaal één derde van de Nederlanders die weinig geld hebben en daardoor recht hebben op financiële tegemoetkomingen van hun gemeente, maakt daar geen gebruik van. Maar zonder deze inkomensaanvullingen kan het moeilijk of zelfs niet mogelijk zijn om rond te komen en schulden te voorkomen. Gemeenten willen deze inwoners in ‘verborgen armoede’ daarom graag beter bereiken met de regelingen waar zij recht op hebben. In verband met de privacy hebben zij echter geen totaaloverzicht met inkomensinformatie over al hun inwoners en kunnen zij dus niet in één keer alle rechthebbenden aanschrijven. Door interne data te koppelen kan de gemeente Amsterdam wel zien of iemand al wel gebruikmaakt van één of meerdere regelingen, maar nog niet van alle. Amsterdammers worden vervolgens in een persoonlijk brief gewezen op de regelingen waar zij (waarschijnlijk) ook recht op hebben. Als dat mogelijk is krijgen zij zelfs een ambtshalve toekenning zonder dat zij daar zelf iets voor hoeven te doen. Ook als een regeling in een volgend jaar opnieuw moet worden aangevraagd, regelt de gemeente dat zoveel mogelijk geautomatiseerd voor de rechthebbenden die al bekend zijn. In deze praktijkbeschrijving is te lezen hoe de gemeente Amsterdam dat doet en hoe u als gemeente ook zo’n werkwijze zou kunnen implementeren. Deze techniek biedt ook mogelijkheden om in de toekomst wellicht samen te werken met bijvoorbeeld het UWV of de Belastingdienst om nog meer rechthebbenden te kunnen bereiken, die nog niet bij de gemeente in beeld zijn als rechthebbend. Zo draagt deze interventie bij aan het bereiken van mensen in verborgen armoede.
In opdracht van Stichting Leergeld Amsterdam heeft het lectoraat Armoede Interventies van de Hogeschool van Amsterdam (HvA) begin 2019 een evaluatieonderzoek uitgevoerd waarbij vooral is gekeken naar werkzame bestanddelen in de werkwijze van Leergeld Amsterdam en de meerwaarde van de stichting. Hiertoe zijn o.a. 48 gezinnen geïnterviewd.
In dit rapport doen we verslag van actieonderzoek dat uitgevoerd is bij drie Amsterdamse Familie Scholen vanuit de wens om meer te doen aan armoedebestrijding binnen en via school. Zo’n vijftien jaar geleden hadden leerkrachten het signaleren van en omgaan met armoede van leerlingen in hun klas nog niet direct op het netvlies. Dit is inmiddels aan het kantelen. Scholen zien het steeds vaker als hun taak om aandacht te hebben voor de thuissituatie van leerlingen (Lusse & Kassenberg, 2020). De Amsterdamse Familie School is bij uitstek een plek waar gewerkt kan worden aan het signaleren en tegengaan van armoede. De Amsterdamse Familie School (AFS) bestaat sinds 2019 en is een initiatief van de gemeente Amsterdam. Vanaf 2019 zijn 10 (voornamelijk PO) scholen een Amsterdamse Familie School geworden en vanaf 2023 komen er 29 nieuwe scholen bij, waaronder ook 15 VO-scholen. De Amsterdamse Familie School werkt vanuit de gedachte dat kinderen zich optimaal moeten kunnen ontwikkelen in een brede en rijke context, waarin de drie leefwerelden (school, thuis en de buurt) met elkaar samenwerken en elkaar versterken. Armoede(bestrijding) is een van de onderwerpen waar enkele Amsterdamse Familie Scholen mee aan de slag wilden. Het lectoraat Armoede Interventies aan de Hogeschool van Amsterdam voerde tussen najaar 2021 en het najaar 2023 op drie Amsterdamse Familie Scholen een actieonderzoek uit dat gericht was op het ontwikkelen en/of verstevigen van een aanpak voor armoedebestrijding op en via school. Met de belangrijkste betrokkenen van de scholen werkten de onderzoekers in drie groepssessies aan het opstellen van een Verandertheorie: één met vertegenwoordigers van school, één met ouders en één met stakeholders. De input van deze sessies leidde tot een plan van aanpak en de scholen gingen daarmee aan de slag. Na een halfjaar is vanuit verschillende perspectieven gemonitord wat er is bereikt: wat ging goed en wat kan beter en lukte het om de juiste randvoorwaarden te creëren? De drie scholen hebben vooral gewerkt aan de volgende onderdelen: Signaleren van armoede en schulden bij leerlingen en/of ouders Ouderbetrokkenheid Bevorderen van kennis en vaardigheden van ouders Binnen de school hulp bieden bij financiënHet signaleren van armoede vond op verschillende manieren plaats op de drie onderzochte scholen: door het inzetten van een signaleringslijst, het doen van een intakegesprek met ouders, het uitvoeren van huisbezoeken door leerkrachten en/of door gebruik te maken van sleutelfiguren binnen de school die signalen opvangen en kunnen doorgeven. Ouders benoemen in dit onderzoek hierbij nadrukkelijk ook de toegevoegde waarde die actieve ouders hierin kunnen hebben. Voldoende ouderbetrokkenheid is een randvoorwaarde om gezinnen via de school te (kunnen) ondersteunen op het gebied van armoede. Het gaat er dan vooral om dat het opbouwen van een relatie met ouders belangrijk is om voor hen de voorwaarden te creëren om armoede bespreekbaar te durven maken en om vanuit of via de school te (kunnen) ondersteunen op bijvoorbeeld het gebied van geldzorgen. Immers; als gezinnen geïsoleerd leven en ouders zich niet betrokken voelen bij de school zullen zij zich ook niet snel tot de school wenden om hulp te vragen of om deel te nemen aan activiteiten vanuit school om nieuwe vaardigheden op te doen. Ook kunnen signalen van armoede vanuit school (beter) met ouders worden besproken als er vertrouwen is opgebouwd. Ouderbetrokkenheidactiviteiten kunnen dit vertrouwen tussen school en ouders versterken, maar ook het vertrouwen tussen ouders onderling, waardoor zij zich collectief verantwoordelijk kunnen voelen voor elkaar. Op de drie scholen zijn genoeg voorbeelden van manieren waarop gewerkt wordt aan het vergroten van de ouderbetrokkenheid: van het instellen van een ouderkamer tot het organiseren van feesten op school. Zichtbaarheid en laagdrempeligheid zijn bij al deze activiteiten van primair belang. Om alle ouders te bereiken is een persoonlijke benadering onontbeerlijk. Activering van ouders door bij hen kennis en vaardigheden te bevorderen, is ook een investering in de toekomst van hun kinderen. We zien op de drie scholen dat dit op verschillende manieren gebeurt, vaak in combinatie met ouderbetrokkenheidactiviteiten: bijvoorbeeld door het organiseren van langer durende cursussen rondom bijvoorbeeld sollicitatievaardigheden of loopbaanbegeleiding of eenmalige bijeenkomsten die direct of indirect gerelateerd zijn aan (het bestrijden van) armoede/schulden zoals informatiebijeenkomsten over stedelijke armoedevoorzieningen of over energiearmoede. De opkomst bij meer incidentele, informerende bijeenkomsten rondom het thema armoede of financiële problemen is echter op de scholen (nog) beperkt. Het lijkt raadzaam deze bijeenkomsten regelmatig te herhalen en ouders ook via andere activiteiten op school hierover op de hoogte te brengen. Bovenal is het belangrijk om aan te sluiten bij de wensen van ouders door naast ze te gaan staan en de activiteiten niet ‘van bovenaf’ te bedenken. Een goede ouderraad kan hierbij behulpzaam zijn, vooral als hierin een representatieve groep ouders is vertegenwoordigd. Alle drie de scholen hebben zich ook nadrukkelijk als doel gesteld om ouders binnen de school te kunnen ondersteunen met (financiële) vragen. Daarom is op deze scholen een ‘familieservicepunt’ ingesteld of doorontwikkeld. Het familieservicepunt betreft een inlooppunt waarbij een budgetcoach van het buurtteam, soms in combinatie met een Ouder-Kind-adviseur, op bepaalde vaste tijden/dagen aanwezig is. Deze externe medewerkers staan in nauw contact met het schoolbestuur en kunnen ouders snel en laagdrempelig helpen en zo nodig doorverwijzen naar andere instanties. De meeste vragen bij het familieservicepunt gaan over het aanvragen van bepaalde voorzieningen, zoals de scholierenvergoeding, sporten via het Jeugdsportfonds, een stadspas, bijzondere bijstand of bijvoorbeeld kwijtschelding van bepaalde belastingen. Vaak ondersteunt de buurtteammedewerker dan bij het invullen van formulieren, bellen met instanties of digitale aanvragen. Wanneer er vertrouwen is opgebouwd kan het ook gaan om complexere hulpvragen, bijvoorbeeld gericht op schuldenproblematiek.Op elke school kan er gewerkt worden aan het vormgeven van een armoede-aanpak. Er moet hierbij echter wel altijd voldoende ruimte zijn voor maatwerk, want elke school kent andere noden en behoeften. Voldoende tijd, geld en ruimte zijn in elk geval belangrijke randvoorwaarden om dit te realiseren. Een betrokken schoolleider, een goed plan en een in de school gedeelde visie zijn onontbeerlijk. Alle schoolmedewerkers moeten de urgentie voelen om met de armoede-aanpak aan de slag te willen gaan. Belangrijk is dat scholen informatie met elkaar uitwisselen over bijvoorbeeld het signaleren van armoede, het werken aan ouderbetrokkenheid en het werken aan kennis en vaardigheden bij ouders gerelateerd aan armoede. Ook is het cruciaal om na te denken over de focus van de armoede-aanpak: wil je de focus op de ouders van de school (houden) of ook de buurtbewoners erbij betrekken? En als je organisaties uit de buurt ‘die school binnenhaalt’ is het belangrijk om daar heldere afspraken mee te maken die matchen met de wensen en ambities van de school. Het bleek op de scholen bijvoorbeeld niet altijd makkelijk om een buurtteammedewerker te vinden die op bepaalde vaste momenten in school zichtbaar aanwezig is. Ook moeten ouders zich prettig voelen bij de buurtteammedewerker; er moet een vertrouwensrelatie mee opgebouwd kunnen worden, want een familieservicepunt werkt alleen goed met ‘vertrouwde vaste gezichten’: personele wisselingen zijn niet bevorderlijk voor succes en kunnen er zelfs voor zorgen dat ouders helemaal weg blijven. Ook leerkrachten en andere schoolmedewerkers moeten zich prettig en vertrouwd voelen bij een buurtteammedewerker zodat zij met een gerust hart ouders kunnen doorverwijzen. Tot 2028 doet het lectoraat Armoede Interventies op 5 scholen per jaar actieonderzoek gericht op het ontwikkelen of versterken van een armoede-aanpak. De inzichten uit dit onderzoek worden daarin meegenomen en ook zullen de geleerde lessen uit dit onderzoek worden aangescherpt om zo bij te dragen aan het bevorderen van de kansengelijkheid van alle kinderen.
Ondernemers met recht op de Energietoeslag wisten niet altijd dat zij dat recht hadden. De gemeente Amsterdam voerde campagne om hen te bereiken. Ook andere voorzieningen werden daarbij gelijk onder de aandacht gebracht. Die zijn over het algemeen onder ondernemers nog minder bekend dan de Energietoeslag. Deze interventiebeschrijving is voor gemeenten die ook ondernemers willen bereiken met hun voorzieningen voor inwoners met een laag inkomen: mensen in 'verborgen armoede'.