In deze bundel treft u een selectie van zeventien korte beschouwingen aan van medewerkers van het Kenniscentrum over de invloed en effecten die zij – vanuit hun specifieke expertise – zien van de herinrichting van het sociaal domein. De leidraad in de bijdragen luidt: Wat hebben actuele ontwikkelingen in het sociaal domein gebracht aan burgers en professionals en waar liggen de risico’s, uitdagingen en beloften voor de toekomst? De bijdragen zijn volgens een vast format opgebouwd, achtereenvolgens: een schets van het domein; wat zijn aanleidingen en inhoudelijke doelen van de veranderingen of transformatie?; welke organisatorische veranderingen zijn er doorgevoerd? wat gaat er goed?; wat zijn ontwikkelingsvragen? Gevolgd door een korte slotbeschouwing over de vraag: aan wat voor sociale innovatie is er behoefte? De bijdragen belichten zowel de positieve ontwikkelingen van de transities en transformatie, als de knelpunten en ontwikkelingskansen. Een deel van deze beschouwing is gebaseerd op onderzoeksdata, een ander deel heeft meer een agenderend karakter. Daarnaast zijn de bijdragen geordend in twee delen. Deel 1 richt zich op dekwaliteit van samenleven met leefgemeenschappen als vertrekpunt. Deel 2 schetst de kwaliteit van samenleven met het vertrekpunt van de verbetering van participatie van burgers en het samenspel tussen professionals vanuit een generalistisch en een specialistisch perspectief en het samenspel met andere betrokkenen zoals vrijwilligers. Tezamen geven deze bijdragen een state of the art inzicht in de veelheid van ontwikkelingen die momenteel gaande zijn, bezien vanuit de breedte van het Kenniscentrum.
Over het mislukken van sociale innovatie wordt nauwelijks geschreven. Het leren van mislukte projecten kan net zo waardevol zijn als het leren van succesvolle projecten. Dit artikel behandelt sociale innovatie in een zorginstelling. Aan de hand van twee casusbeschrijvingen worden de uitdagingen en belemmeringen hiervan geschetst. Het artikel bevat belangrijke lessen voor (HR)Managers die zelf sociale innovatie in hun organisatie willen toepassen.
Het 3D-BioLOKAAL project wil een bio-based filament met karakteristieke lokale vulstoffen ontwikkelen, de eigenschappen van het filament bepalen en het filament inzetten bij de productie van innovatieve designproducten. Bijvoorbeeld voor geïndividualiseerde producten voor de souvenirmarkt of “business to business” relatiecadeaus en promotieproducten. 3D Bakery en Eric Klarenbeek Studio, Inktweb B.V. en Danvos BV, willen innovatieve 3D filamenten ontwikkelen gebaseerd op bio-based polymeren met vulstoffen uit lokale bronnen. Door de ontwikkeling van 3D technologieën en benutting van bio-based materialen, is de productie van bio-based filamenten de laatste jaren sterk toegenomen. 3D-printen met bio-based plastics kan de carbon footprint drastisch verminderen (meer dan 60-70% vermindering is haalbaar)(REF). Om het potentieel van deze systeeminnovatie in de circulaire economie volledig te benutten, is het belangrijk dat materialen lokaal geproduceerd kunnen worden en dat hergebruik van materialen ook zoveel mogelijk gestimuleerd wordt. De lokale productie versterkt tevens de lokale economie. BioLOKAAL onderzoekt vooral de mogelijkheden van zeewier als filament. De innovatieve composieten moeten een hoogwaardige en natuurlijke “look and feel” creëren voor het geprinte product dat voor de beoogde toepassingen zeer belangrijk is. De keuze van het materiaal is tevens belangrijk voor de boodschap die de ontwerper wil overbrengen. Bijvoorbeeld door materialen te gebruiken die aansluiten bij de lokale natuur, zoals zeewier van de Nederlandse kust. 3D printen maakt complex design mogelijk en maakt kleine productievolumes en de productie van geïndividualiseerde producten economisch haalbaar. 3D filament composieten op basis van PLA en bio-based vulstoffen zijn al (beperkt) op de markt voorhanden dus de technische haalbaarheid is bewezen. De filamenten die in BioLOKAAL nieuw ontwikkeld worden zijn vernieuwend vanwege het gebruik van lokale (rest)materialen en sterke gerichtheid op duurzaamheid in combinatie met specifieke visuele en andere tactiele eigenschappen die met filamenten gecreëerd worden.
De elektrificatie van de auto is een van de grootste systeeminnovaties op het gebied van autotechniek in de afgelopen 100 jaar. Voor professionals in de autobranche hebben deze ontwikkelingen directe impact op de uitvoering en het bestaansrecht van hun werk. Eerdere grote onderzoeksprojecten zoals Werkplaats van de Toekomst en Werkplaats op Weg hebben inmiddels handvatten geboden waarop ondernemers in de auto-en transportbranche hun (investerings)agenda en bedrijfsvoering kunnen afstemmen. Centraal in deze projecten staat de noodzaak tot verandering: aangepaste ondernemingsstrategieën, innovatievere werkplaatsuitrusting, en nieuwe werkzaamheden voor monteurs. De visie van de automonteurs op deze ontwikkelingen is echter zelden onderzocht, terwijl juist zij het meest met dergelijke nieuwe technologieën moeten werken. Het is daarom belangrijk om hun ervaringen en verwachtingen met betrekking tot elektrische auto’s beter in beeld te krijgen. Omwille van de succesvolle integratie van werkzaamheden aan elektrische voertuigen in het autobedrijf zal een nieuw collectief van consortiumpartners en overige betrokken partijen zich in project MIEP inzetten om de ogenschijnlijk vanzelfsprekende doch cruciale kijk van automonteurs op de impact van elektrificatie op hun werkzaamheden en werkbeleving in kaart te brengen. Om dit te onderzoeken worden kwalitatieve onderzoeksmethoden ingezet, waaronder werkplaatsbezoeken en interviews met werkende monteurs en monteurs in opleiding, hun leidinggevenden en docenten, en bedrijfsleiders. Deze gesprekken en observaties zullen vervolgens worden geanalyseerd en leiden tot een adviesdocument voor leidinggevenden en opleiders waarin de belangrijkste kenmerken van monteurs’ visie op de impact van elektrificatie worden uiteengezet, en mogelijkheden worden aangereikt waarop het MKB en vakonderwijs zelf het gesprek met monteurs kan aangaan ter bevordering van de dagelijkse arbeidspraktijk. Daarnaast zal dit verkennende onderzoek leiden tot enkele publicaties en een nieuw consortium waarmee een uitgebreider onderzoeksaanvraag zal worden geschreven naar de impact van andere innovaties op de beroepsbeoefening van monteurs.