This article explores the establishment of new commons initiatives from an integrated design perspective. Such a deeper understanding of the initial phase of becoming a commons -i.e. becommoning- and its design is crucial as members embark on a laborious, time-consuming and uncertain process in which they need to make critical design choices for their future commons. The design perspective is brought forward by the collective creation through which group values are explicated, the communal resource and its governance take shape and conditions are forged for the commons to emerge. So, the study presents the ‘becommoning’ framework as a first exploration for such a designerly approach to identify the steps and activities communities need to make at the very begin to start unfolding their initiative. The framework is applied in a case study, namely, for exploring the design of housing commons and related genres like cohousing, residential communities that are recognized as microlaboratories offering general insights for pursuing alternative societal models.
MULTIFILE
Ook uit internationaal wetenschappelijk onderzoek blijkt dat er verschillen zijn tussen ouderen in de stad en op het platteland [3-5]. In de rijke delen van de Europese Unie hebben ouderen in de landelijke gebieden een hogere levenstevredenheid dan in de stad. Mensen lijken tevreden in een dorp, wellicht omdat het verwachtingspatroon geringer is. Als het op veroudering aankomt, biedt de hogere dichtheid van de stad een grotere nabijheid tot allerlei diensten die de kwaliteit van leven van ouderen vergroten. Door specifieke economische factoren kunnen deze diensten niet in dezelfde mate worden aangeboden in landelijke gebieden [6]. Woonomstandigheden, zo blijkt uit onderzoek [7], zijn beter voor onze ouderen in de stad dan op het platteland, hoewel de verschillen niet zo uitgesproken groot zijn. En dan heb je nog de gesegregeerde woonwijken voor ouderen, zoals in de Verenigde Staten. Denk daarbij aan Sun City Arizona en The Villages in Florida [8, 9]. Deze wijken bieden een eenheidsworst en zonderen ouderen af in een cocon van geboden comfort, waarbij zij verdwijnen uit het reguliere straatbeeld van omliggende steden. Een in vrijheid gekozen gevangenschap. Een echte seniorvriendelijke stad is een generatievriendelijke stad zoals u wilt, waar niet alleen ruimte is voor één generatie, maar voor alle generaties: van wieg tot graf.
from the article: Abstract Based on a review of recent literature, this paper addresses the question of how urban planners can steer urban environmental quality, given the fact that it is multidimensional in character, is assessed largely in subjective terms and varies across time. The paper explores three questions that are at the core of planning and designing cities: ‘quality of what?’, ‘quality for whom?’ and ‘quality at what time?’ and illustrates the dilemmas that urban planners face in answering these questions. The three questions provide a novel framework that offers urban planners perspectives for action in finding their way out of the dilemmas identified. Rather than further detailing the exact nature of urban quality, these perspectives call for an approach to urban planning that is integrated, participative and adaptive. ; ; sustainable urban development; trade-offs; quality dimensions
Amsterdam worstelt in toenemende mate met het veranderende gebruik van stedelijke consumptieruimten, waar consumeren en recreëren tegelijkertijd plaatsvinden met werken en wonen. Dit gemengde karakter is een belangrijke stedelijke kwaliteit, maar draagt in veel gebieden bij aan disbalans. Dit uit zich door een eenzijdig aanbod van winkels en horeca, nijpende drukteproblematiek, of juist teruglopende bezoekersaantallen en leegstand. Door de corona lockdowns werd de bestaande disbalans in veel consumptiegebieden nog verder versterkt. Wij begrijpen deze stedelijke consumptieruimten als een ‘commons’: een gemeenschappelijke bron die vrij toegankelijk is voor uiteenlopende belanghebbenden. Hierbij is afstemming nodig, om tot een duurzaam beheer van de gemeenschappelijke bron te komen. Gemeenschappelijk kenmerk van de verschillende belanghebbenden is handelingsverlegenheid om tot collectieve actie te komen en meer grip te krijgen op de situatie. De centrale vraag van dit project is daarom: Welke processen en instrumenten bevorderen of belemmeren urban commoning om te komen tot een stabiele ontwikkeling van stedelijke consumptieruimten? Deze (oorspronkelijke) onderzoeksvraag blijkt al te saillanter naar aanleiding van de coronapandemie, waarbij een al wankel evenwicht in stedelijke consumptieruimten verder uit disbalans is geraakt, met alle gevolgen van dien op relevante structuren en verhoudingen. Aan de hand van twee deelonderzoeken i) verklaren we de onderliggende mechanismen die ontwikkeling en samenwerking belemmeren en ii) ontwikkelen we manieren om deze processen te beïnvloeden. Door deze processen te onderzoeken, ontwikkelt dit project een nieuw, praktisch handelingsperspectief voor bewoners, bezoekers, ondernemers en gebiedsontwikkelaars. We dragen ook bij bestuurskundige, politicologische en sociaal geografische wetenschappelijke kennis. De RAAK-Impuls wordt ingezet voor verlenging van onderzoekstijd, ter compensatie van enerzijds de belemmeringen op het onderzoek wegens de pandemie en anderzijds (het integreren van) de veranderende context in het onderzoek.
Amsterdam worstelt in toenemende mate met het veranderende gebruik van stedelijke consumptieruimten. Delen van de stad waar wonen, werken, consumeren en recreëren gelijktijdig en door elkaar plaatsvinden. Dit gemengde karakter is in potentie een belangrijke stedelijke kwaliteit, maar blijkt in veel gebieden niet zomaar haalbaar. Dit uit zich enerzijds door een steeds nijpender wordende drukteproblematiek in bepaalde buurten, met monocultuur en aantasting ondernemersklimaat tot gevolg, en anderzijds door teruglopende bezoekersaantallen en leegstand in de minder populaire winkel- en woongebieden. Wat het proces achter deze ontwikkelingen gemeenschappelijk lijkt te hebben, is handelingsverlegenheid bij diverse belanghebbenden om tot collectieve actie te komen en meer grip te krijgen op de situatie. Dit RAAK voorstel wil deze processen van verandering begrijpen en op basis daarvan een nieuw praktische handelingsperspectief bieden aan de diverse actoren. Bewoners, ondernemers, gebiedsontwikkelaars hebben elk hun eigen belang in deze gebieden, maar er is grote onderlinge afhankelijkheid voor een duurzame ontwikkeling. We begrijpen deze plekken daarom als een ‘commons’ (gemeenschappelijke ruimte) met ‘open acces goods’ (vrij toegankelijke producten), waardoor er vormen van afstemming nodig zijn om tot een duurzaam beheer van een dergelijke situatie te komen. NV Zeedijk, Geef om de Jan Eef, VNO-NCW, KHN Amsterdam en de gemeente hebben de HvA gevraagd het voortouw te nemen in een overkoepelend onderzoek naar deze processen van onderkoeling en oververhitting in stedelijke consumptieruimten. De partners onderkennen de complexiteit van het vraagstuk en zien de oplossingsrichting in meer informele gedragsregels en zelfsturing waarbij de overheid een faciliterende rol speelt. Dit moet leiden tot gedragen, intelligente vormen van beïnvloeding. Dit projectvoorstel is de uitkomst van dit initiatief. De centrale vraag van dit project is welke factoren van invloed zijn op de levenscyclus van stedelijke consumptieruimten, wat de onderliggende mechanismen zijn om de evolutie te verklaren en op welke manier commoning het proces kan beïnvloeden.