Background: To experience external objects in such a way that they are perceived as an integral part of one's own body is called embodiment. Wearable technology is a category of objects, which, due to its intrinsic properties (eg, close to the body, inviting frequent interaction, and access to personal information), is likely to be embodied. This phenomenon, which is referred to in this paper as wearable technology embodiment, has led to extensive conceptual considerations in various research fields. These considerations and further possibilities with regard to quantifying wearable technology embodiment are of particular value to the mobile health (mHealth) field. For example, the ability to predict the effectiveness of mHealth interventions and knowing the extent to which people embody the technology might be crucial for improving mHealth adherence. To facilitate examining wearable technology embodiment, we developed a measurement scale for this construct. Objective: This study aimed to conceptualize wearable technology embodiment, create an instrument to measure it, and test the predictive validity of the scale using well-known constructs related to technology adoption. The introduced instrument has 3 dimensions and includes 9 measurement items. The items are distributed evenly between the 3 dimensions, which include body extension, cognitive extension, and self-extension.Methods: Data were collected through a vignette-based survey (n=182). Each respondent was given 3 different vignettes, describing a hypothetical situation using a different type of wearable technology (a smart phone, a smart wristband, or a smart watch) with the purpose of tracking daily activities. Scale dimensions and item reliability were tested for their validity and Goodness of Fit Index (GFI). Results: Convergent validity of the 3 dimensions and their reliability were established as confirmatory factor analysis factor loadings45 (>0.70), average variance extracted values40 (>0.50), and minimum item to total correlations50 (>0.40) exceeded established threshold values. The reliability of the dimensions was also confirmed as Cronbach alpha and composite reliability exceeded 0.70. GFI testing confirmed that the 3 dimensions function as intercorrelated first-order factors. Predictive validity testing showed that these dimensions significantly add to multiple constructs associated with predicting the adoption of new technologies (ie, trust, perceived usefulness, involvement, attitude, and continuous intention). Conclusions: The wearable technology embodiment measurement instrument has shown promise as a tool to measure the extension of an individual's body, cognition, and self, as well as predict certain aspects of technology adoption. This 3-dimensional instrument can be applied to mixed method research and used by wearable technology developers to improve future versions through such things as fit, improved accuracy of biofeedback data, and customizable features or fashion to connect to the users' personal identity. Further research is recommended to apply this measurement instrument to multiple scenarios and technologies, and more diverse user groups.
Background: The number of people with multiple chronic conditions receiving primary care services is growing. To deal with their increasingly complex health care demands, professionals from different disciplines need to collaborate. Interprofessional team (IPT) meetings are becoming more popular. Several studies describe important factors related to conducting IPT meetings, mostly from a professional perspective. However, in the light of patient-centeredness, it is valuable to also explore the patients’ perspective. Objective: The aim was to explore the patients’ perspectives regarding IPT meetings in primary care. Methods: A qualitative study with a focus group design was conducted in the Netherlands. Two focus group meetings took place, for which the same patients were invited. The participants, chronically ill patients with experience on interprofessional collaboration, were recruited through the regional patient association. Participants discussed viewpoints, expectations, and concerns regarding IPT meetings in two rounds, using a focus group protocol and selected video-taped vignettes of team meetings. The first meeting focused on conceptualization and identification of themes related to IPT meetings that are important to patients. The second meeting aimed to gain more in-depth knowledge and understanding of the priorities. Discussions were audio-taped and transcribed verbatim, and analyzed by means of content analysis. Results: The focus group meetings included seven patients. Findings were divided into six key categories, capturing the factors that patients found important regarding IPT meetings: (1) putting the patient at the center, (2) opportunities for patients to participate, (3) appropriate team composition, (4) structured approach, (5) respectful communication, and (6) informing the patient about meeting outcomes. Conclusions: Patients identified different elements regarding IPT meetings that are important from their perspective. They emphasized the right of patients or their representatives to take part in IPT meetings. Results of this study can be used to develop tools and programs to improve interprofessional collaboration.
The study of moral reasoning in relation to sustainable development is an emerging field within environmental education (EE) and education for sustainable development (ESD). The vignette method was used to evaluate the perception of the relationship between environmental and social issues in the Dutch upper elementary school children. This case study is placed within two broad areas of tension, namely between the need to address urgent environmental problems and to promote pluralistic democratic learning; and between the value of environment as an economic asset and deep ecology perspective. Results of this study indicate that the children are able to critically think about the moral dilemmas inherent in sustainable development and distinguish between different values in relation to environment. https://doi.org/10.1016/j.stueduc.2013.12.004 https://www.linkedin.com/in/helenkopnina/
MULTIFILE
De Impulsaanvraag omvat 1. de analyse van dataverzameling middels een vignettestudie, die extra uitgevoerd is in aanvulling op de incomplete dataverzameling fase 1 en fase 2 in het lopende project Safe End als gevolg van Covid, en 2. de start van de ontwikkeling van tools (fase 3) project waarvoor geplande uren, deels geïnvesteerd zijn in fase 2 van de studie. Het doel van de vignettestudie is om te identificeren welke risicofactoren de ambulanceprofessionals meenemen in hun besluitvorming om de patiënt in te sturen naar de SEH, dan wel thuis te laten. De vignettestudie draagt bij aan datatriangulatie en verhoogt de kwaliteit van de input uit fase 1 en 2 studie Safe End, waarmee ook de kwaliteit van de ontwikkeling en test van tools (fase 3 en 4) project Safe End naar verwachting zal verbeteren. Ook verwachten we met de vignettestudie het bestaande netwerk in het onderzoek te verbreden en verdiepen. Deel 1 van de Impulsaanvraag omvat de multi-levelanalyse van de data uit de vignettestudie. Deel 2 van de Impulsaanvraag gericht op de ontwikkeling van tools voor risicotaxatie en besluitvorming op basis van informatie uit fase 1 en 2 en de voorbereiding van de pilot-test. Omdat door Covid voortdurend de projectplanning moest worden aangepast zijn de onderzoekers hiermee veel tijd verloren. De begrootte uren voor de ontwikkeling van tools om handelingsverlegenheid te ondersteunen zijn dan ook reeds uitgegeven aan het bijstellen van de projectplanning, het verzamelen van gegevens (fase 1 en 2) en het aanvullend uitvoeren van de scoping review en vignettestudie. Na toekenning een budgetneutrale verlenging in combinatie met de Impulsaanvraag kunnen de onderzoekers met deze financiële ondersteuning in uren, de oorspronkelijke projectplanning in fase 3 weer oppakken.
Aanleiding In Nederland blijven jaarlijks ongeveer 620.000 vermogensmisdrijven en 40.000 gewelds- en zedenmisdrijven onopgelost. Dit komt deels doordat forensische professionals niet altijd in staat zijn alle bruikbare informatie van sporen te benutten. Zo gebruikt men vingersporen traditioneel alleen voor identificatiedoeleinden aan de hand van papillairlijnen, terwijl deze sporen ook andere informatie bevatten over hun bron en de activiteiten waardoor ze zijn veroorzaakt. Effectief gebruik van deze informatie vergroot de kans op opsporing en vervolging van daders en verkleint de kans op gerechtelijke dwalingen. Professionals uit de strafrechtsketen hebben daarom behoefte aan kennis over het breder benutten van vingersporen in de opsporingspraktijk. Doelstelling Het project bestaat uit twee onderzoekslijnen, met als doel: 1) Ontwikkeling en verfijning van opsporingsmethoden waarmee men valide, betrouwbare informatie over de bron en activiteiten uit vingersporen kan afleiden. Deze lijn heeft een analytisch chemisch deel (gericht op de samenstelling van vingersporen in relatie tot eigenschappen van de bron) en een chemisch fysisch deel (gericht op de wijze waarop de sporen zijn geplaatst). 2) Ontwikkeling en toetsing van methoden waarmee professionals de opsporingstechnieken optimaal kunnen inzetten en de resultaten ervan optimaal kunnen gebruiken in het proces van opsporing, vervolging en bewijsvoering. Dit gebeurt aan de hand van analyse van dossiers, analyse van lab- en plaats-delictobservaties, interviews met rechercheurs, experimentele toetsing van aanbevelingen via virtuele plaatsen delict (3D-panoscans), vignettestudies waarin rechercheurs zich buigen over beschrijvingen van zaken, literatuuronderzoek, expertmeetings en experimenten met studenten en professionals. Beoogde resultaten Het consortium beoogt hiermee een strategie te ontwikkelen waarmee opsporingsprofessionals vingersporen optimaal kunnen benutten, doordat: 1) de politie aandacht krijgt voor de kansen die deze sporen bieden; 2) forensische instituten methoden ontwikkelen waarmee men deze sporen kan analyseren en helder over de resultaten kan rapporteren; 3) ketenpartners van de tactische recherche, het openbaar ministerie en de zittende magistratuur begrijpen hoe zij rapportages over deze sporen moeten interpreteren en hoe ze de informatie kunnen gebruiken bij het beslissen over vervolgstappen in het onderzoek. Docenten, onderzoekers en studenten van de deelnemende onderwijsinstellingen participeren in het onderzoeksprogramma. De betrokken docenten integreren de verworven kennis in het reguliere onderwijs. In samenwerking met opleidingsinstituten in het forensische veld worden gerichte (nascholings)workshops, seminars en trainingen ontwikkeld voor professionals. Verder vindt er kennisverspreiding plaats via publicaties in (inter)nationale wetenschappelijke tijdschriften en vakbladen, en door lezingen tijdens themadagen en congressen.