Dit rapport bevat de bevindingen van een onderzoek, in opdracht van de gemeente Coevorden, naar de vraag welke toekomstperspectieven Oekraïense bewoners hebben op hun verblijf in de opvang van de gemeente Coevorden, en naar de vraag – ten behoeve van het ontwikkelen van beleid – hoe, en in welke mate, deze bewoners zich van elkaar onderscheiden. Voor het onderzoek zijn interviews gehouden met 14 Oekraïense bewoners en is een vragenlijst afgenomen onder 57 Oekraïense bewoners. Uit de bevindingen blijkt het volgende. Een ruime meerderheid van de bewoners heeft werk (ongeveer 71%) in en rondom de gemeente Coevorden. Dit zijn vrijwel allemaal laagbetaalde en laaggeschoolde banen, met een gemiddeld aantal van 32 werkuren per week. Veruit de meeste families (met een of meerdere werkende familieleden) hebben een inkomen (inclusief andere inkomsten dan salaris, zoals Kinderbijslag) dat beneden het inkomstenniveau ligt dat geldt voor vergelijkbare Nederlandse gezinnen met een inkomen op het wettelijk minimumloon. Een grote meerderheid (minstens 70%) van de Oekraïense bewoners zou, als het mogelijk is, de komende vijf jaar in Nederland en ook in de gemeente Coevorden willen blijven. Deze bewoners waarderen de kwaliteit van de omgeving (natuur), de stad (kleinschaligheid) en de beschikbaarheid van voorzieningen. Het hebben van kinderen is van invloed op de afweging om in de gemeente Coevorden te blijven. Een grote meerderheid (72% of meer) is het eens over het belang van zekerheid over hun verblijfsstatus, Nederlands leren, eigen huisvesting, en kennis opdoen van de Nederlandse samenleving en cultuur. Daarna volgen: meer inkomen, goede en gezonde werkomstandigheden, informatie over rechtshulp en de Engels taal leren. Daarnaast zien we een omslag van de behoefte om Engels te leren naar het leren van Nederlands voor een beter toekomstperspectief. Van al deze behoeften is zekerheid over de verblijfsstatus zonder meer de belangrijkste behoefte: Oekraïense bewoners zien een langdurig verblijfsrecht als de belangrijkste voorwaarde om te werken aan integratie en een toekomst in Nederland. Oekraïense bewoners zijn het meest vaardig in het vinden van werk. Dat lijkt zich te beperken tot het vinden van werk aan de onderkant van de Nederlandse arbeidsmarkt. De contacten met Nederlanders lijken heel beperkt te zijn. Hoewel iedereen aangeeft met vragen bij de managers van de opvanglocatie terecht te kunnen, wordt hier veel minder gebruik van gemaakt dan in de beginperiode. De gemeente blijft niettemin de belangrijkste bron van informatie voor Oekraïense bewoners. Behalve op medewerkers, vaak de locatiemanager, leunt men op mede-Oekraïners voor informatie. In meer algemene zin hebben Oekraïners onvoldoende grip op hoe onze samenleving, de cultuur en mores, in elkaar steekt. Ten behoeve van het ontwikkelen van beleid hebben we onderzocht in hoeverre de Oekraïense bewoners in subgroepen kunnen worden ingedeeld. Het meest zinvolle onderscheid dat we vonden, is tussen “Blijvers”, Oekraïners die langdurig in Coevorden zouden willen blijven, en “Twijfelende Werkers”, Oekraïners die twijfelen over verblijf in Coevorden en gemiddeld vaker bereid zijn om naar een andere gemeente te verhuizen voor een betere baan en/ of eigen huisvesting. Omdat een betere baan en eigen huisvesting moeilijk te vinden zijn, achten we het waarschijnlijk dat ook deze laatste groep voorlopig in Coevorden blijft. Voor het opstellen van toekomstgericht beleid stellen we daarom voor om op dit moment geen onderscheid te maken tussen groepen Oekraïense bewoners bij het opstellen van toekomstgericht beleid. In plaats daarvan stellen we voor de behoeften die uit het onderzoek naar voren kwamen, als een alternatief uitgangspunt te nemen. Dit uitgangspunt heeft wel zijn beperkingen. Hoewel sommige behoeften evident toekomstgericht zijn, zoals de behoefte aan zekerheid over de verblijfsstatus en het leren van Nederlands, vermoeden we dat onze bevindingen niet alle behoeften voldoende laten zien, dat nog niet alle behoeften goed aansluiten bij de Nederlandse context en dat Oekraïners ook niet altijd in staat zullen zijn om op eigen krachten hun behoeften te realiseren. Als aanvulling op de behoeften die uit onze bevindingen bleken, stellen we daarom voor om ook te putten uit inzichten van wat eerder onderzoek over nieuwkomers in Nederland heeft laten zien. Die laten zien dat nieuwkomers het meest gebaat zijn bij inzet op actieve integratie. Dit wreekt zich bij Oekraïense ontheemden. In de omzetting van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming naar nationale regelgeving heeft de Nederlandse overheid gekozen, anders dan veel landen in de Europese Unie, voor de zwakst mogelijke verblijfsstatus voor ontheemden (W-document) en voor het achterwege laten van een plicht of recht op een inburgeringstraject. Gemeentelijk beleid kan alsnog voorzien in vormen van actieve integratie. We eindigen het rapport met enkele concrete aanbevelingen daartoe.
DOCUMENT
Quirine Eijkman, Esther van Eijk en Majda Lamkaddem (lectoraat Toegang tot het Recht, Hogeschool Utrecht) gaan in op de hindernisbaan, die alleen het krijgen van juridische hulp al is om te begrijpen of het probleem juridisch van aard is en daarop actie te ondernemen. Ze concluderen dat ‘laagdrempelige kosteloze (rechts)hulp, lokale structurele samenwerking tussen het sociale en juridische domein, én differentiatie in het aanbod, zoals ondersteuning in verschillende talen en bij (digitale) vaardigheden, fysieke bereikbaarheid, en specialistische kennis’ nodig is om – in het bijzonder kwetsbare – mensen daadwerkelijk toegang tot haar of zijn recht te bieden. Dit artikel is onderdeel van de periodiek Rechtstreeks, het recht als struikelblok.
DOCUMENT
In opdracht van het Nationaal Programma Nieuwland & Oost (NPNO) heeft Hogeschool Inholland de woon-, werk- en leefsituatie van Poolse en Bulgaarse arbeidsmigranten in Schiedam-Oost onderzocht. Schiedam-Oost maakt als wijk onderdeel uit van een Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. Dit programma heeft als doel de leefbaarheid en veiligheid in kwetsbare wijken structureel te verbeteren. Er werden zevenentwintig interviews afgenomen, veertien met Poolse en dertien met Bulgaarse wijkbewoners. Deelnemers aan het onderzoek waren achttien jaar of ouder, hadden kinderen en woonden minimaal een jaar in Schiedam-Oost. De interviews werden afgenomen in het Pools, Bulgaars of Turks en vonden thuis of op een andere locatie in de wijk plaats. De interviews bestonden uit een deel met (voornamelijk gesloten) vragen over o.a. gezinssamenstelling, aantal jaar in Nederland, opleidingsniveau en een deel open vragen over de dagelijkse routine, leefomgeving, bestaanszekerheid, gezondheid en welzijn, onderwijs, sociaal netwerk en contact met de gemeente en andere instanties. Een uitgebreide samenvatting van de onderzoeksresultaten is opgenomen in het onderzoeksrapport. Daarnaast is de samenvatting beschikbaar in het Pools, Bulgaars en Engels.
MULTIFILE
.
DOCUMENT
De CSRD is een nieuwe EU-richtlijn die gaat over het rapporteren over duurzaamheid. Vandaag gaan we dieper in op wat de richtlijn inhoudt. Het doel is niet alleen om informatie te geven over het onderwerp maar ook om praktische inzichten te delen hoe de richtlijn toegepast kan worden in de bedrijfsvoering.
Disclaimer:
De afstudeeropdracht wordt uitgevoerd door een vierdejaarsstudent in het kader van zijn/haar afstuderen bij het Instituut voor Rechtenstudies. De student levert een juridisch beroepsproduct op en doet daartoe onderzoek. De student wordt tijdens de uitvoering van zijn/haar afstudeeropdracht begeleid door een afstudeercoach. De inspanningen van de student en de afstudeercoach zijn erop gericht om een zo goed mogelijk beroepsproduct op te leveren. Dit moet opgevat worden als een product van een (vierdejaars)student en niet van een juridische professional. Mocht ondanks de geleverde inspanningen de informatie of de inhoud van het beroepsproduct onvolledig en/of onjuist zijn, dan kunnen de Hanzehogeschool Groningen, het Instituut voor Rechtenstudies, individuele medewerkers en de student daarvoor geen aansprakelijkheid aanvaarden.
VIDEO
Kunstmatige intelligentie, en in het bijzonder grote taalmodellen (Large Language Models – LLM’s), doen hun intrede in het forensisch domein. De inzet van modellen als ChatGPT of BelkaGPT, zeker in combinatie met retrieval-augmented generation (RAG), biedt mogelijkheden om in zeer grote databestanden sneller patronen te herkennen, verbanden te leggen en irrelevante informatie te filteren. In dit redactioneel reflecteren de auteurs op de LLM discussie in de Verenigde Staten, plaatsen ze deze in de context van het Nederlandse bewijsstelsel en verkennen ze hoe forensisch onderzoekers verantwoord gebruik kunnen maken van LLM’s als ‘copiloot’.
LINK
.
DOCUMENT
De digitale wereld ontwikkelt zich in een razendsnel tempo. Overheden, bedrijven en burgers
worden dagelijks geconfronteerd met nieuwe technologieën, digitale processen en de
regelgeving die daarmee gepaard gaat. Hoewel digitale regels vaak op nationaal, en meestal
zelfs op Europees niveau worden opgesteld, is hun impact voelbaar tot in de haarvaten van
de regio. Hoe gaat het midden- en kleinbedrijf (hierna: mkb) om met digitale verplichtingen en
digitale veiligheid? Waar wringt het in de uitvoering? En welke innovatieve oplossingen worden
er door studenten op lokaal niveau ontwikkeld om recht te doen aan zowel de letter van de wet
als de praktijk van het mkb?
Door inzichten uit de regio te bundelen, willen we laten zien dat digitale transitie niet alleen
een technische of juridische uitdaging is, maar vooral ook een kwestie van samenwerking,
aanpassingsvermogen en regionaal maatwerk. De ervaringen die u in dit boek leest, bieden
geen pasklare antwoorden, maar wel inspiratie en richting. Er is een selectie gemaakt uit een
aantal recente afstudeeronderzoeken en bijbehorende beroepsproducten van studenten (of
inmiddels alumni) van de Hanze in Groningen. Deze afstudeeronderzoeken richting zich op de
volgende onderwerpen: de NIS2-richtlijn en de Cyber Resilience Act.
DOCUMENT
Attack surfaces are increasing as products are increasingly more connected. This has been acknowledged by the European Commission in their Europe: fit for the digital age strategy and in recent legislative proposals. Most importantly, the proposed Cyber Resilience Act (CRA) sets minimum cybersecurity requirements for products with digital elements. These requirements range from effective and regular tests to the dissemination of free security updates in case of a cybersecurity breach. This should ensure a base level of cybersecurity throughout the product’s lifetime. Unfortunately, there is a catch: not all products with digital elements fall within the scope of the proposed CRA. For instance, vehicles are not subject to the proposed Act. The exclusion of this category of products with digital elements seems to be based on the premise that ‘the sectoral rules achieve the same level of protection as the one provided for by this Regulation’ (recital 14). This contribution is challenging this premise, as it explores the level of cybersecurity as laid down in the proposed CRA and compares it to the level of cybersecurity ensured by the sectoral rules in vehicle regulation. Could this mean that your smartphone is going to be more cybersecure than your car?
MULTIFILE
Twee woorden lopen als een rode draad door deze rede: afbakenen en samenwerken. Deze
twee begrippen lijken op het eerste gezicht misschien weinig met elkaar te maken te hebben.
Afbakenen suggereert namelijk grenzen stellen, terwijl samenwerken juist op verbinding zoeken
duidt. Maar voor de jurist van vandaag en die van de toekomst vormen ze een onafscheidelijk
duo.
DOCUMENT