Op 22 mei 2007 is ir. Ger Brinks bij Saxion in Enschede geïnstalleerd als lector Smart Functional Materials. Als lector richt Ger Brinks zich op de ontwikkeling en vermarkting van hoogwaardig textiel. Zijn lectoraat richt zich ook op onderzoek naar de voorwaarden voor innovaties in functionele materialen. Daarbij werkt het lectoraat intensief samen met vooraanstaande kennisinstellingen. Dit boekje bevat de tekst van de lectorale rede van Ger Brinks. Bedrijven in de textielsector bevinden zich vaak in een spagaat: enerzijds staan ze voor de uitdaging om zich (verder) te richten op hoogwaardige technologie en designs, anderzijds moeten ze kostenbewust opereren, wat vaak leidt tot uitbesteding en inkoop van textiel in ontwikkelingslanden. Textielbedrijven kunnen zich onderscheiden door kennis, innovatie en creativiteit toe te passen in de ontwikkeling van hun producten. Het leggen van de verbinding tussen creativiteit, techniek en businessmodellen is de kern van succesvol en onderscheidend ondernemen, waarbij functionaliteit hét sleutelbegrip is. Deze driehoek is de kern van het onderwijs waarbij textiel niet alleen spannend is, maar ook maakbaar moet zijn en vermarktbaar onder economisch rendabele condities met minimale milieu-impact. Het lectoraat speelt in op de erkenning van het belang van kennis en creativiteit van deze branche voor de Nederlandse economie en het grote belang van materiaaltechnologie.
MULTIFILE
Er is veel gaande op de hogescholen. Bij de opleiding technische natuurkunde wordt onderzoek doen belangrijker en het onderwijs wordt daarop aangepast. Wat is de achtergrond van de hbo-bachelorcurricula en wat zijn de recente ontwikkelingen?
MULTIFILE
Uit het artikel: "Met een focus op specifieke topsectoren lijkt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat een goede mix van generiek en specifiek innovatiebeleid te hebben. De uitgaven van het departement zijn evenwel niet in lijn met deze beleidsvisie en zijn merendeels op generiek beleid gericht."
LINK
De verwerking van biomassa is vaak gericht op de omzetting in energie, wat een relatief laagwaardige vorm van benutting is. De biomaterialen, die we uit biomassa kunnen maken, zijn veel meer waard en de besparing op fossiele energie is groter. Gelet op de economisch en circulaire waarde van biomassa wordt een goede verwerking en behandeling van natte biomassa steeds belangrijker. De verwerking van deze stromen stelt echter bijzondere eisen aan de te gebruiken materialen en technieken voor ontwatering. Voor ontwatering van biomassa worden verschillende technieken gebruikt, bijvoorbeeld flocculeren, persen of centrifugeren. Bij alle deze ontwateringsprocessen worden doorgaans hulpstoffen, flocculanten, toegevoegd. Voorbeelden hiervan zijn anorganische elektrolyten, zoals aluminium- of ijzerzouten en/of organische poly-elektrolyten, waarvan de meest gebruikte is polyacrylamide. Het bouwblok van polyacrylamide, acrylamide, is in 2010 op de lijst van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) gezet in het kader van de REACH-regelgeving. De potentiele milieu- en gezondheidsproblemen zijn een beperking voor sommige toepassingen, zoals gebruik van biomassa als grondverbeteraar of diervoeding. Polyacrylamide is moeilijk biologisch afbreekbaar. Bovendien kan het product nog resthoeveelheden bevatten van het monomeer acrylamide dat toxisch en mutageen is. Biobased kationische polymeren, zoals kationische zetmeel, geproduceerd door Glycanex en tannines zoals geleverd door Melspring kunnen een veilig en milieuvriendelijk alternatief bieden. Verder onderzoek naar deze biobased alternatieven is voor Glycanex en Melspring essentieel om duidelijk te krijgen voor welke biomassa stromen deze alternatieven het meest geschikt zijn. De geschiktheid wordt duidelijk door bepaling van de optimale formulering en deze te vergelijken met de dosering en kosten van de gebruikelijke alternatieven. Deze inzichten helpen om de doeltreffendheid van deze oplossingen te kunnen bewijzen en waar nodig, de bioflocculanten verder te ontwikkelen. Een duidelijk en onafhankelijk bewijs van de goede werking helpt de toepassing van deze alternatieven te stimuleren. Het doel van het BIOFLOC project is het in kaart brengen van de mogelijkheden en beperkingen van biobased flocculanten als alternatief voor de huidige synthetische, petrochemie gebaseerd flocculanten, zoals polyacrylamide. Op basis van de reeds door de partners uitgevoerde voorstudies en literatuuronderzoek zal een selectie van biobased flocculanten met verschillende typen biomassa’s getest worden op de ontwateringefficiëntie.
Biomassa afkomstig van stedelijk groenbeheer is grondstof voor biocascadering van benutbare biomassa componenten. Planten bevatten waardevolle inhoudstoffen die als grondstof kunnen dienen voor onder andere farmaceutica, cosmetica, voeding, veevoer, chemie, biomaterialen en bio-energie. Stedelijk groen draagt bij aan kwaliteit van leven voor burgers en biodiversiteit in de stad. Introductie van kwalitatief hoogwaardig stedelijk groen met multifunctionele eigenschappen ten aanzien van stedelijk klimaatsverbetering is op dit moment niet haalbaar vanwege de hoge kosten van aanleg en onderhoud. Het op meerdere manieren benutten van stedelijk snoeimateriaal en het circulair maken van de mineralen kringloop moet het mogelijk maken kosteneffectieve hoogwaardige beplantingen in de stedelijke ruimte te realiseren. Het groenbeheers bedrijf Ecorridors BV en het farmaciebedrijf Syncom BV beogen gezamenlijk een circulaire supply chain te ontwikkelen voor het aanvoeren, extraheren en benutten van plantinhoudstoffen uit biomassa snoeimateriaal voor farmaceutische, cosmetische en biocompostering toepassingen. Het doel van dit Kiem-Vang project is het aantonen van proof-of-principle en het ontwikkelen van een business case voor het circulair ontwerp van aanplanten en onderhouden van multifunctionele beplanting en groenvoorzieningen waarbij snoeiresten volgens een bio-cascaderings benadering gebruikt worden voor isoleren van hoogwaardige grondstoffen, het ontwikkelen van toepassingen hiermee voor o.a anti-tumor medicijnen en cosmetica en vervolgens restverwerking tot compost en/of bioenergie.
De bouw- en vastgoedmarkt is na de crisis noodgedwongen meer vraaggestuurd geworden. Architecten, bouwbedrijven en projectontwikkelaars zijn daarom op zoek naar hoogwaardige oplossingen voor de realisatie van duurzame gebouwen. Toeleverende mkb-bedrijven zien een toenemende behoefte aan biobased materialen met lagere milieuimpact en extra functionaliteit, waaronder smart functions. Maar zij weten niet goed hoe ze dit moeten realiseren. Voor deze bedrijven is de ontwikkeling van duurzame producten met meer toegevoegde waarde niet vrijblijvend. Door de toenemende concurrentie vanuit lage loonlanden rondom bulkproducten en de toenemende regelgeving is een dergelijke ontwikkeling noodzakelijk voor hun voortbestaan. Een groep van bedrijven is via TNO in aanraking gekomen met polypyrrol, een biopolymeer met een aantal voor bouwproducten zeer interessante eigenschappen. Door biobased dragermaterialen met milieuvriendelijke polypyrrol te behandelen ontstaan materialen met meerdere functies. Doelstelling: Toeleverende mkb-bedrijven willen graag exploreren hoe zij met polypyrrol meer functies in duurzame biomaterialen kunnen introduceren en daarmee nieuwe (smart) biobased materials & products kunnen leveren aan architecten, bouwbedrijven en projectontwikkelaars. Architecten en projectontwikkelaars willen deze materialen en producten graag toepassen. Betrokken mkb-bedrijven: toeleverende bedrijven (producenten en handelaren van additieven, grondstoffen en halffabrikaten) en toepassende bedrijven (architecten, adviseurs, bouwbedrijven, projectontwikkelaars). Resultaat van dit project: een overzicht van mogelijkheden voor het toevoegen van (smart) functions aan met polypyrrol behandelde biobased materialen (hout, bamboe en biocomposieten). Relevante functies worden verder verkend op hun potentie voor de bouw, zoals bijvoorbeeld de potentie van het licht elektrisch geleidend vermogen voor vochtsensoring en stralingsabsorptie. Een deel van de functies wordt doorontwikkeld zodat zij gereed zijn voor toepassing in bouwproducten (denk aan UV bescherming, schimmelwering, brandwerendheid). Deze worden getest in proefopstellingen en een pilotgebouw. Mogelijke (technologische) drempels voor de toepassing worden zo veel mogelijk opgelost. Daarnaast worden nieuwe ketens van bedrijven gevormd om de nieuwe materialen en producten te realiseren.