ABSTRACT It is unknown whether heterogeneity in effects of self-management interventions in patients with chronic obstructive pulmonary disease (COPD) can be explained by differences in programme characteristics. This study aimed to identify which characteristics of COPD self-management interventions are most effective. Systematic search in electronic databases identified randomised trials on self-management interventions conducted between 1985 and 2013. Individual patient data were requested for meta-analysis by generalised mixed effects models. 14 randomised trials were included (67% of eligible), representing 3282 patients (75% of eligible). Univariable analyses showed favourable effects on some outcomes for more planned contacts and longer duration of interventions, interventions with peer contact, without log keeping, without problem solving, and without support allocation. After adjusting for other programme characteristics in multivariable analyses, only the effects of duration on all-cause hospitalisation remained. Each month increase in intervention duration reduced risk of all-cause hospitalisation (time to event hazard ratios 0.98, 95% CI 0.97–0.99; risk ratio (RR) after 6 months follow-up 0.96, 95% CI 0.92–0.99; RR after 12 months follow-up 0.98, 95% CI 0.96–1.00). Our results showed that longer duration of self-management interventions conferred a reduction in allcause hospitalisations in COPD patients. Other characteristics are not consistently associated with differential effects of self-management interventions across clinically relevant outcomes.
Worldwide, Chronic Obstructive Pulmonary Disease (COPD) is one of the most common chronic diseases and currently the fourth leading cause of mortality. The natural course of this progressive disease is interrupted by periods of symptom deterioration called exacerbations. Exacerbations accelerate the decline in lung function, negatively affect the quality of life, and lead to increased mortality and high socio-economic costs. Self-management is widely recognized to be important to reduce this negative impact on both patients and society. Patients are nowadays expected to have an active role and to take responsibility in decisions affecting their chronic disease. Thus far, patients with COPD do not always respond to self-management interventions. There is a need for more comprehensive, dynamic and individualized strategies to improve exacerbation-related selfmanagement behavior. The use of mobile health (mHealth) has potential to engage patients in managing their own health, to provide tailored support in developing self-management skills over time and to change health behaviors. The aim of this thesis was twofold. In part one, we aimed to generate a better understanding of self-management behavior of patients with COPD and explore whether the use of mHealth is promising to enhance exacerbation-related selfmanagement. In part two, we aimed to develop an evidence-driven, attractive and usable mHealth intervention to enhance exacerbation-related self-management in patients with COPD. This resulted in the Copilot app, a mobile app for patients with COPD that targets early detection of exacerbations and performing prompt actions. In part two, we described the development of the Copilot app in detail. During the development, proof for the Copilot app was collected by stepwise scientific underpinning of the working mechanism and usability of the app. Finally, the feasibility of the Copilot app in the daily practice of health care providers was evaluated.
Background: COPD self-management is a complex behavior influenced by many factors. Despite scientific evidence that better disease outcomes can be achieved by enhancing self-management, many COPD patients do not respond to self-management interventions. To move toward more effective self-management interventions, knowledge of characteristics associated with activation for self-management is needed. The purpose of this study was to identify key patient and disease characteristics of activation for self-management. Methods: An explorative cross-sectional study was conducted in primary and secondary care in patients with COPD. Data were collected through questionnaires and chart reviews. The main outcome was activation for self-management, measured with the 13-item Patient Activation Measure (PAM). Independent variables were sociodemographic variables, self-reported health status, depression, anxiety, illness perception, social support, disease severity, and comorbidities. Results: A total of 290 participants (age: 67.2±10.3; forced expiratory volume in 1 second predicted: 63.6±19.2) were eligible for analysis. While poor activation for self-management (PAM-1) was observed in 23% of the participants, only 15% was activated for self-management (PAM-4). Multiple linear regression analysis revealed six explanatory determinants of activation for self-management (P,0.2): anxiety (β: -0.35; -0.6 to -0.1), illness perception (β: -0.2; -0.3 to -0.1), body mass index (BMI) (β: -0.4; -0.7 to -0.2), age (β: -0.1; -0.3 to -0.01), Global Initiative for Chronic Obstructive Lung Disease stage (2 vs 1 β: -3.2; -5.8 to -0.5; 3 vs 1 β: -3.4; -7.1 to 0.3), and comorbidities (β: 0.8; -0.2 to 1.8), explaining 17% of the variance. Conclusion: This study showed that only a minority of COPD patients is activated for self-management. Although only a limited part of the variance could be explained, anxiety, illness perception, BMI, age, disease severity, and comorbidities were identified as key determinants of activation for self-management. This knowledge enables health care professionals to identify patients at risk of inadequate self-management, which is essential to move toward targeting and tailoring of self-management interventions. Future studies are needed to understand the complex causal mechanisms toward change in self-management
Aanleiding De wereld van de zorgprofessional verandert in hoog tempo door de opkomst van technologie. Technologieën kunnen de traditionele behandelmethoden ondersteunen. Het probleem is echter dat een goed overzicht van de mogelijkheden ontbreekt. Een groep fysio- en ergotherapeuten wil graag gebruik gaan maken van draagbare technologie om beweegactiviteiten bij cliënten te meten (activiteitenmeters). Er is een gevarieerd aanbod aan betaalbare activiteitenmeters op de markt dat buiten de zorg al veelvuldig wordt gebruikt. De zorgprofessionals willen weten welke meter(s) zij het beste kunnen kiezen en op basis van welke criteria. Doelstelling Het RAAK-project wil de eisen die zorgprofessionals en cliënten stellen aan draagbare technologie voor het meten van beweegactiviteiten in kaart brengen. Het onderzoek geeft antwoord op de vraag hoe fysio- en ergotherapeuten de activiteitenmeters in de zorg kunnen toepassen. Onderzoekers beoordelen de hanteerbaarheid, toepasbaarheid en betrouwbaarheid van activiteitenmeters. Een aantal geselecteerde activiteitenmeters wordt in de praktijk getest bij cliënten met een chronische aandoening. De opgedane kennis wordt gebruikt om criteria op te stellen en een keuzehulp te maken voor zowel zorgprofessionals als cliënten. Beoogde resultaten Zorgverleners en cliënten zijn na afloop van het project in staat om een gefundeerde keuze te maken voor een activiteitenmeter en weten hoe zij deze kunnen toepassen. Het project heeft daarvoor concrete middelen opgeleverd: een keuzehulp om activiteitenmeters te selecteren (afhankelijk van het gebruikersdoel) en een methodiek voor het adviseren van draagbare technologie. De opgestelde criteria geven richting aan de ontwikkeling van nieuwe activiteitenmeters. De opgedane kennis wordt gedeeld met het onderwijs en werkveld. Op de bestaande websites www.meetinstrumentenzorg.nl en www.qsinstitute.org zal de keuzehulp te vinden zijn.
De chronische longziekte COPD (Chronic Obstructive Pulmonary Disease) kenmerkt zich door een toename van kortademigheid, hoesten en slijmvorming en is een veelvoorkomende ziekte in Nederland. Momenteel zijn er therapieën beschikbaar, waaronder het voorschrijven van een lage onderhoudsdosis Azitromycine, die ervoor zorgt dat het aantal longaanvallen drastisch daalt. De samenstelling van de microbiële populatie (het microbioom) in deze patiëntenpopulatie speelt een belangrijke rol in het ziekteverloop. Microvida analyseert COPD-patiëntmonsters voor het Amphia met behulp van klassieke kweektechnieken en wil nu haar dienstverlening graag uitbreiden. Nieuwe innovatieve ‘next-generation sequencing’ (NGS) maakt het mogelijk om het volledige microbioom van deze patiëntenpopulatie snel en gedetailleerd in kaart te brengen zonder kweek vooraf. Binnen dit project gaan we met een driehoek van MKB-, kennis- en praktijkpartners een high-throughput methode opzetten die het mogelijk maakt het microbioom in sputum snel en gebruiksvriendelijk te analyseren binnen deze patiëntenpopulatie. In het Amphia ziekenhuis loopt momenteel een klinische trial die het veilig afbouwen van het antibioticum Azitromycine onderzoekt en waarbij sputum samples verzameld worden. Met deze samples wordt in dit project een methode opgezet voor het isoleren van zuiver genetisch materiaal alvorens deze samples met behulp van NGS-technieken geanalyseerd worden. Als laatste stap zal een gebruikersinterface ontwikkeld worden die het mogelijk maakt om de verkregen data gebruiksvriendelijk te interpreteren en de resultaten te beoordelen. Alles met uiteindelijke doel meer kennis te vergaren over de samenstelling van het microbioom in relatie tot ziekte en gezondheid van de COPD-patiënt.
Longaandoeningen, zoals COPD, veroorzaken problemen in het dagelijks functioneren door een afgenomen uithoudingsvermogen, benauwdheid en (bewegings-) angst. Tijdens longrevalidatie vormen inspanningstraining en het leren omgaan met dagelijkse fysieke beperkingen (zoals benauwdheid bij inspanning) de hoeksteen van de behandeling. Het is voor patiënten moeilijk om een actieve leefstijl te behouden. Na deelname aan revalidatie gaan trainingseffecten verloren door een verminderd aanbod van trainingsprikkels (reversibiliteit). Daarnaast wordt, een jaar na de revalidatie, maar liefst 20% van de patiënten opnieuw opgenomen in het ziekenhuis met een longaanval (exacerbatie). Door de verschuiving van (dure) derdelijns naar eerstelijns zorg, hebben meer patiënten toegang tot de zorg die ze nodig hebben. Hierdoor kan verergering van klachten voorkomen worden. Naast fysieke inspanning is het voor oefen- en fysiotherapeuten belangrijk om patiënten een duurzame actieve leefstijl aan te leren en het zelfmanagement van patiënten te vergroten. Een blended beweeginterventie, om het zelfmanagement (omtrent beweging, benauwdheid en beweginsgangst) van COPD patiënten te stimuleren, zowel in de praktijk als in de thuissituatie middels een eHealth toepassing, biedt mogelijk uitkomst. Echter, missen therapeuten kennis en handvatten om blended care toe te passen in de praktijk. Het doel van dit project is om samen met fysiotherapeuten en oefentherapeuten een blended care programma in te richten voor patiënten met COPD. In werkpakket 1 inventariseren we de behoeften en belemmerende factoren van een blended beweeginterventie bij therapeuten en patiënten. Op basis van deze bevindingen worden de belangrijkste elementen van de interventie geselecteerd en wordt, in co-creatie met eindgebruikers de eerste versie van de interventie ontwikkeld (WP2). Om te bepalen wat de toegevoegde waarde van de interventie is, worden de voorlopige effectiviteit en haalbaarheid onderzocht waarbij 25 eerstelijns therapeuten de blended interventie gaan gebruiken (WP3). In WP4 worden scholingsmodules ontwikkeld voor studenten en therapeuten om kennis over zelfmanagement en technologie bij COPD te vergroten.