Formative assessment (FA) is an effective educational approach for optimising student learning and is considered as a promising avenue for assessment within physical education (PE). Nevertheless, implementing FA is a complex and demanding task for in-service PE teachers who often lack formal training on this topic. To better support PE teachers in implementing FA into their practice, we need better insight into teachers’ experiences while designing and implementing formative strategies. However, knowledge on this topic is limited, especially within PE. Therefore, this study examined the experiences of 15 PE teachers who participated in an 18-month professional development programme. Teachers designed and implemented various formative activities within their PE lessons, while experiences were investigated through logbook entries and focus groups. Findings indicated various positive experiences, such as increased transparency in learning outcomes and success criteria for students as well as increased student involvement, but also revealed complexities, such as shifting teacher roles and insufficient feedback literacy among students. Overall, the findings of this study underscore the importance of a sustained, collaborative, and supported approach to implementing FA.
Background: Motor learning is central to domains such as sports and rehabilitation; however, often terminologies are insufficiently uniform to allow effective sharing of experience or translation of knowledge. A study using a Delphi technique was conducted to ascertain level of agreement between experts from different motor learning domains (i.e., therapists, coaches, researchers) with respect to definitions and descriptions of a fundamental conceptual distinction within motor learning, namely implicit and explicit motor learning. Methods: A Delphi technique was embedded in multiple rounds of a survey designed to collect and aggregate informed opinions of 49 international respondents with expertise related to motor learning. The survey was administered via an online survey program and accompanied by feedback after each round. Consensus was considered to be reached if $70% of the experts agreed on a topic. Results: Consensus was reached with respect to definitions of implicit and explicit motor learning, and seven common primary intervention strategies were identified in the context of implicit and explicit motor learning. Consensus was not reached with respect to whether the strategies promote implicit or explicit forms of learning. Discussion: The definitions and descriptions agreed upon may aid translation and transfer of knowledge between domains in the field of motor learning. Empirical and clinical research is required to confirm the accuracy of the definitions and to explore the feasibility of the strategies that were identified in research, everyday practice and education.
De technische en economische levensduur van auto’s verschilt. Een goed onderhouden auto met dieselmotor uit het bouwjaar 2000 kan technisch perfect functioneren. De economische levensduur van diezelfde auto is echter beperkt bij introductie van strenge milieuzones. Bij de introductie en verplichtstelling van geavanceerde rijtaakondersteunende systemen (ADAS) zien we iets soortgelijks. Hoewel de auto technisch gezien goed functioneert kunnen verouderde software, algorithmes en sensoren leiden tot een beperkte levensduur van de gehele auto. Voorbeelden: - Jeep gehackt: verouderde veiligheidsprotocollen in de software en hardware beperkten de economische levensduur. - Actieve Cruise Control: sensoren/radars van verouderde systemen leiden tot beperkte functionaliteit en gebruikersacceptatie. - Tesla: bij bestaande auto’s worden verouderde sensoren uitgeschakeld waardoor functies uitvallen. In 2019 heeft de EU een verplichting opgelegd aan automobielfabrikanten om 20 nieuwe ADAS in te bouwen in nieuw te ontwikkelen auto’s, ongeacht prijsklasse. De mate waarin deze ADAS de economische levensduur van de auto beperkt is echter nog onvoldoende onderzocht. In deze KIEM wordt dit onderzocht en wordt tevens de parallel getrokken met de mobiele telefonie; beide maken gebruik van moderne sensoren en software. We vergelijken ontwerpeisen van telefoons (levensduur van gemiddeld 2,5 jaar) met de eisen aan moderne ADAS met dezelfde sensoren (levensduur tot 20 jaar). De centrale vraag luidt daarom: Wat is de mogelijke impact van veroudering van ADAS op de economische levensduur van voertuigen en welke lessen kunnen we leren uit de onderliggende ontwerpprincipes van ADAS en Smartphones? De vraag wordt beantwoord door (i) literatuuronderzoek naar de veroudering van ADAS (ii) Interviews met ontwerpers van ADAS, leveranciers van retro-fit systemen en ontwerpers van mobiele telefoons en (iii) vergelijkend rij-onderzoek naar het functioneren van ADAS in auto’s van verschillende leeftijd en prijsklassen.
Various companies in diagnostic testing struggle with the same “valley of death” challenge. In order to further develop their sensing application, they rely on the technological readiness of easy and reproducible read-out systems. Photonic chips can be very sensitive sensors and can be made application-specific when coated with a properly chosen bio-functionalized layer. Here the challenge lies in the optical coupling of the active components (light source and detector) to the (disposable) photonic sensor chip. For the technology to be commercially viable, the price of the disposable photonic sensor chip should be as low as possible. The coupling of light from the source to the photonic sensor chip and back to the detectors requires a positioning accuracy of less than 1 micrometer, which is a tremendous challenge. In this research proposal, we want to investigate which of the six degrees of freedom (three translational and three rotational) are the most crucial when aligning photonic sensor chips with the external active components. Knowing these degrees of freedom and their respective range we can develop and test an automated alignment tool which can realize photonic sensor chip alignment reproducibly and fully autonomously. The consortium with expertise and contributions in the value chain of photonics interfacing, system and mechanical engineering will investigate a two-step solution. This solution comprises a passive pre-alignment step (a mechanical stop determines the position), followed by an active alignment step (an algorithm moves the source to the optimal position with respect to the chip). The results will be integrated into a demonstrator that performs an automated procedure that aligns a passive photonic chip with a terminal that contains the active components. The demonstrator is successful if adequate optical coupling of the passive photonic chip with the external active components is realized fully automatically, without the need of operator intervention.
Chronische gewrichtsaandoeningen zijn veelvoorkomende aandoeningen waarmee patiënten bij de fysiotherapeut of oefentherapeut komen. Aandoeningen zoals artrose en reuma veroorzaken problemen in het dagelijks functioneren vanwege pijn en verminderde mobiliteit. Genezing is vaak niet mogelijk, maar het bevorderen van zelfmanagement kan verergering voorkomen. Oefentherapeuten en fysiotherapeuten spelen een centrale rol in het ondersteunen van zelfmanagement bij patiënten met gewrichtsaandoeningen. De inzet van online toepassingen, waaronder mobiele applicaties, en online platforms, die gericht zijn op het bevorderen van zelfmanagement (in dit voorstel gedefinieerd als Behavioral Intervention Technologies: BITs) kunnen patiënten met chronische gewrichtsaandoeningen ondersteunen. Echter, voor veel professionals is het onduidelijk hoe BITs kunnen worden ingezet om zelfmanagement te vergroten en hoe dit gecombineerd kan worden met fysieke begeleiding. Daarom onderzoeken we in dit tweejarige project de manier waarop oefen- en fysiotherapeuten coaching op zelfmanagement via BITs kunnen vormgeven. In werkpakket 1 brengen we met een review, observaties en een concept mapping in kaart welke elementen en randvoorwaarden van BITs belangrijk zijn voor het bevorderen van zelfmanagement. Zodra we inzicht hebben in deze elementen en randvoorwaarden wordt in co-creatie met stakeholders toegewerkt naar beroepsrollen en beroepscompetenties die voorwaardelijk zijn voor het gebruik van BITs. Met de input van deze onderzoeksactiviteiten ontwikkelen we samen met de doelgroep de AmSOS methodiek die professionals helpt bij het gebruik van BITs om zelfmanagement te bevorderen bij patiënten met chronische gewrichtsaandoeningen (WP2). Om te bepalen in hoeverre de methodiek bruikbaar is in de praktijk wordt in WP3 een haalbaarheidsstudie opgezet waarbij 25 eerstelijnsfysio- en/of oefentherapiepraktijken de AmSOS methodiek gaan gebruiken in de behandeling van patiënten met chronische gewrichtsaandoeningen. Omdat gewrichtsaandoeningen een substantieel onderdeel zijn van de curricula, maar tegelijkertijd weinig aandacht wordt besteed aan technologie en zelfmanagement, ontwikkelen we in WP4 een onderwijsmodule voor scholing van studenten en praktiserende oefen- en fysiotherapeuten.