Installing photovoltaic panels (PV) on household rooftops can significantly contribute to mitigating anthropogenic climate change. The mitigation potential will be much higher when households would use PVs in a sustainable way, that is, if they match their electricity demand to their PVs electricity production, as to avoid using electricity from the grid. Whilst some have argued that owning PVs motivate households to use their PV in a sustainable way, others have argued that owning a PV does not result in load shifting, or that PV owners may even use more energy when their PV production is low. This paper addresses this critical issue, by examining to what extent PV owners are likely to shift their electricity demand to reduce the use of electricity from the grid. Extending previous studies, we analyse actual high frequency electricity use from the grid using smart meter data of households with and without PVs. Specifically, we employ generalized additive models to examine whether hourly net electricity use (i.e., the difference between electricity consumed from the grid and supplied back to the grid) of households with PVs is not only lower during times when PV production is high, but also when PV production low, compared to households without PVs. Results indicate that during times when PV production is high, net electricity use of households with PV is negative, suggesting they sent back excess electricity to the power grid. However, we found no difference in net electricity use during times when PV production is low. This suggests that installing PV does not promote sustainable PV use, and that the mitigation potential of PV installment can be enhanced by encouraging sustainable PV use
LINK
A large council building in Leicester, its central HQ called City Hall, aims to link on site renewable energy (PV) generation to electric vehicles (EVs) used by the Council staff. Leicester City Hall based staff are utilising four EVs for their work and charging these, when possible, from local renewable energy (PV) generation. This study presents the analysis of the use of four such EVs and their charging profiles that take place at the City Hall.
Grootschalige toepassing van zonnecellen (photovoltaic cells, PV) in de gebouwde omgeving is gelimiteerd, mede omdat dakoppervlakken niet volledig benut kunnen worden ten gevolge van de ligging en de aanwezigheid van verstorende elementen als schoorstenen, dakkapellen, daklichten, etc. Het wegennet in Nederland biedt aanknopingspunten voor integratie van PV waarmee nog meer zonlicht omgezet kan worden in elektriciteit. Een terugkerend element in de infrastructuur is de geleiderail (vangrail); alleen al in Nederland staat er 7400 km geleiderail, met een potentie van 700 MWp aan geïntegreerde PV. Op die manier wordt dubbel ruimtegebruik gerealiseerd. In dit project is dunne film PV toegepast op geleiderails langs de provinciale weg in een modulaire ‘E-cover’. De opgewekte stroom is geleverd aan het elektriciteitsnet. De verwachting is dat in de toekomst steeds meer infrastructuur voor verkeersmanagement toegepast wordt in het kader van de transitie naar “smart highways”. Dit zal een drijfveer zijn voor toepassing van het modulaire E-cover concept voor de smart highway, met lokale energieopwekking.
LINK
De alliantie tussen professionals en cliënten in de jeugdzorg is een krachtige algemeen werkzame factor in de hulp aan kinderen en ouders met opvoedproblemen. De alliantie tussen professionals en cliënten bestaat uit de persoonlijke klik, overeenstemming over de doelen waaraan gewerkt wordt en de wijze waarop er samengewerkt wordt aan die doelen. Een positieve alliantie in een vroeg stadium van het hulpverleningstraject is een betrouwbare voorspeller van een positieve uitkomst. Het vroegtijdig zicht krijgen op de kwaliteit van de alliantie geeft de mogelijkheid om breuken en deuken in beeld te brengen en vroegtijdig bespreekbaar te maken en te herstellen. Het ritueel om de alliantie bespreekbaar te maken wordt in de praktijk nog weinig gestalte gegeven. Het vergt van professionals een scherp observatievermogen, goede reflectievaardigheden en de nodige creativiteit om het ritueel in het primair proces te passen. Met de te ontwikkelen experimentele leerlijn waar deze aanvraag op ingaat willen werkveldpartners inzetten op het aanleren van deze vaardigheden.
Kinderen met een autismespectrumstoornis (ASS) komen te vaak in de problemen in het onderwijs, waarbij een deel van de kinderen zelfs uit het onderwijs valt. Dit heeft mogelijkerwijs te maken met twee duidelijke knelpunten van het beleid van passend onderwijs. Ten eerste is passend onderwijs nog te veel een bestuurlijk construct en nauwelijks op het handelingsniveau van professionals gericht. Ten tweede vormen de grenzen van onderwijs en de jeugdhulpverlening nog te veel een belemmering om met vereende kracht leerlingen op maat te ondersteunen. Het op maat ondersteunen vraagt om een versteviging van vaardigheden van leerkrachten en jeugdhulpverleners om het welbevinden en leergedrag van ASS-leerlingen te stimuleren. Daarbij kunnen professionals elkaars expertise beter benutten om op deze manier samen in de klas op een talentgerichte wijze het welbevinden en leergedrag van leerlingen met ASS te ondersteunen. Het doel van deze aanvraag is het ontwikkelen van een bruikbaar prototype van een professionaliseringsaanbod voor leerkrachten en jeugdhulpverleners dat de vaardigheden die deze professionals in de klas nodig hebben versterkt, zodat leerlingen met ASS op een passende wijze ondersteund worden in hun leergedrag en welbevinden. Het consortium –bestaande uit leerkrachten uit het (speciaal) primair onderwijs, jeugdhulpverleners, gedragsdeskundigen – managers en onderzoekers, brengt via een ontwerponderzoek de behoeftes en benodigde vaardigheden in kaart en ontwikkelt ontwerpprincipes en een concept professionaliseringsaanbod. Dit concept is de basis van een professionaliseringsaanbod waarmee een bredere groep leerkrachten en jeugdhulpverleners tools krijgt om leerlingen met ASS effectief te ondersteunen. Het doel van deze aanvraag is in lijn met het landelijk beleid rondom passend onderwijs en de nationale wetenschapsagenda bij het thema ‘Jeugd in ontwikkeling, opvoeding en onderwijs’. Verbetering van het handelen van leerkrachten en jeugdhulpverleners in een integrale aanpak zorgt voor betere schoolresultaten, minder schooluitval en een betere communicatie tussen leerkrachten en hulpverleners en draagt bij aan een inclusieve maatschappij.
Samenvatting Mensen met een beperking (psychiatrisch, verstandelijk, lichamelijk) wonen tegenwoordig vaker zelfstandig en doen voor hun ondersteuning daarom vaker een beroep op mensen in de buurt waar zij wonen. Dit betekent voor de professionele hulpverleners dat zij een steeds grotere taak krijgen in het versterken van het sociale netwerk van mensen met een beperking, en het (op deze wijze) bevorderen van inclusie in de buurt. In hun werk merken zorg- en welzijnsprofessionals op dat, soms relatief spontaan ingezette of kleine initiatieven succesvol kunnen zijn, maar soms ook niet. De professionals hebben wel ideeën over wat goed werkt en wat niet, maar dit is niet op één centrale plek vastgelegd, en daarbij soms onduidelijk en afhankelijk van de context. Zij vragen zich af hoe ze de informatie die ze elk hebben kunnen bundelen en tot meer inzicht kunnen komen in wat werkt, in welke situatie en in welke context. In het project wordt samengewerkt door de Hogeschool van Amsterdam (AKMI / Lectoraat Community Care), de Sociaal Werkopleidingen van de HvA, de Afdeling onderwijs, jeugd en zorg van de Gemeente Amsterdam, GGD Amsterdam, Cliëntenbelang Amsterdam, Centrum voor Cliëntervaringen (i.s.m. VuMcAmsterdam), De Regenbooggroep, Cordaan en Stichting Prisma. In dit onderzoek zullen drie verschillende buurtgerichte interventies worden getoetst aan de hand van de ‘what works’ principes (wwp). De interventies gericht op het bevorderen van de sociale inclusie van mensen met beperkingen in de buurt worden geëvalueerd door cliënten/ ervaringsdeskundigen, zorg- en welzijnsprofessionals en buurtbewoners. Voor dit onderzoek is gekozen voor ‘realis evaluation’, waarin niet het effect op zich wordt onderzocht, maar de werkzame elementen van een interventie. Belangrijke opbrengsten van het project zijn: 1) het determineren en beschrijven van werkzame elementen die leidend kunnen zijn voor het bedenken en/of beoordelen van initiatieven om de netwerken van mensen met een beperking in de buurt te versterken; 2) op basis daarvan een handreiking bieden voor professionals.