De vraag wat effectief reclasseringswerk is staat al enkele jaren hoog op de agenda. Tot nu toe gaat het dan vooral over effectieve methoden, interventies of instrumenten. Daar is veel onderzoek naar gedaan, en dat onderzoek wordt waar mogelijk toegepast in het Nederlandse reclasseringsbeleid. Dergelijk onderzoek is bijvoorbeeld leidend bij de ontwikkeling van gedragsinterventies, diagnostiek/risicotaxatie en toezicht. Of iets effectief is wordt bij deze onderzoeken meestal afgeleid van de invloed op recidive. Maar hoe bruikbaar is dit soort onderzoek voor een reclasseringswerker? Zijn onderzoeken over grote groepen toepasbaar in het dagelijkse werk met individuele cliënten? En kun je op individueel niveau iets met recidive als effectmaat? Onderzoek naar effectiviteit op basis van grote groepen delinquenten is ook voor de individuele reclasseringswerker relevant. Het helpt je bijvoorbeeld als werker om keuzes te maken tussen interventies voor een cliënt. Zo veel mogelijk zet je methoden, interventies en instrumenten in die bewezen effectief zijn, als deze aansluiten bij de individuele problematiek en veranderdoelen van een cliënt. Maar heb je er ook iets aan als je wilt weten of je zelf effectief bent? Stel je jezelf als reclasseringswerker die vraag wel eens? En hoe kun je daar een antwoord op vinden? Op dergelijke vragen wordt in dit hoofdstuk ingegaan. Daarbij is gebruik gemaakt van de ideeën die naar voren zijn gebracht in de workshop Professionele effectiviteit
Mijn deelname aan het rollenspel is ingegeven door enthousiasme. Ik wilde uitdragen dat wij als professionals zelf ons vak op de kaart kunnen zetten en onze verantwoordelijkheid nemen. Op de kaart zetten is belangrijk maar minstens even belangrijk is „in je kaart‟ laten kijken”. “Het voelt soms kwetsbaar, je kunt fouten maken, er kan om je gelachen worden. Maar je eigen gedrag laten zien en bespreken vind ik bij professionaliteit horen”. Aldus spreken twee van de vijf reclasseringswerkers die de professionele moed toonden om kenmerkende situaties van het reclasseringswerk te laten zien voor een zaal met 235 collega‟s. Vanwaar het idee om de professionele expertise te behandelen aan de hand van een dergelijk rollenspel? Professionaliteit kan niet worden getoond in een lezing waarin professionele kennis wordt overgedragen. Hoewel zo‟n lezing een belangrijke voedingsbron is en het opnemen van nieuwe kennis onlosmakelijk bij professionaliteit hoort. De bespreking van casuïstiek, inclusief kritische reflectie op het eigen handelen en explicitering van de gehanteerde methoden, is al een duidelijker vorm waarin de professional kan tonen hoe hij denkt en werkt. Maar professionele expertise wordt pas zichtbaar bij „de professional at work‟ in de praktijk. In het gedrag dat hij of zij vertoont tijdens het werken met cliënten en ketenpartners. In dat gedrag komen verschillende bronnen van kennis samen.
Bij het domein „Inrichten‟ gaat het om de manier waarop de beroepsgroep is georganiseerd en ingebed. Hoe staat het met de professionele cohesie? Hoe zijn de beroepsgenoten ingebed in de organisatie? Hoe stemmen ze hun handelen af op hun samenwerkingspartners? Dit hoofdstuk richt zich op de professionele cohesie. De centrale vraag hierbij is: wat zou de beroepsgroep van reclasseringswerkers met elkaar kunnen delen? Op welke wijze is de professionele cohesie te vergroten? Daaraan vooraf gaat een andere vraag: Is het reclasseringswerk een beroep?
Eén van de taken van verpleegkundigen is om de kwaliteit van hun werk te monitoren via richtlijnen en protocollen. Maar in mensgerichte beroepen doen zich voortdurend omstandigheden voor waarin regels geen antwoord geven op individuele situaties en behoeften van zorgvragers. Daar waar regelgeving en protocollen haperen als instrument voor het professionele handelen, zal de professional een beroep doen op andere bronnen van inspiratie. Die bronnen zijn, naast cognitieve kaders, de normen en waarden die gevormd worden in de opvoeding, de cultuur en religie, de opleiding en de sociale context van het beroep. De diverse bronnen worden, meestal in overleg met anderen, gewogen om tot wijze besluitvorming te komen. Het verwerven en gebruiken van bronnen voor wijze besluitvorming wordt in de literatuur aangeduid als een stap in de ontwikkeling tot ‘expert’ professional. Deze ontwikkeling zou vooral ná de opleiding plaatsvinden door het opdoen van ervaringen in de beroepspraktijk. De laatste jaren is in de literatuur hernieuwde belangstelling voor deze ‘vaardigheid van wijze besluitvorming’ van professionals. Deze belangstelling lijkt een reactie op de protocollair aangestuurde beroepspraktijk en de onmogelijkheid om alle professionele handelen daarin te vatten. Data uit onderwijskundige bronnen tonen aan dat studenten al in de opleiding starten met het ontwikkelen van deze vaardigheid. Doel van het onderzoek is om meer kennis te verzamelen over deze vaardigheid van wijze besluitvorming van de hbo-verpleegkundige en hoe zij bronnen van inspiratie inzetten in hun professionele handelen. Het onderzoek beoogt 1) literatuurstudie naar het ontwikkelen van de vaardigheid van wijze besluitvorming en de rol daarin van bronnen van inspiratie, 2) kwalitatief onderzoek onder laatstejaars studenten en novice hbo-verpleegkundigen naar welke bronnen zij ontwikkelen en inzetten in de vaardigheid van wijze besluitvorming, en 3) actieonderzoek naar het gebruik van de bronnen in het handelen in de verpleegkundige praktijk en het handelingsrepertoire uit te breiden.
Het project Leren van spel laat zien dat er sterke aanwijzingen zijn dat het stimuleren van spel in een rijke speelleeromgeving leidt tot een hoge mate van betrokkenheid. Betrokkenheid is een signaal voor leren en ontwikkeling. Die ontwikkeling lijkt zich te voltrekken op diverse ontwikkelingsgebieden (zelfsturing, taal en rekenen, kennis van de wereld). Echter, de rol van professionals beperkt zich nog voornamelijk tot het voorbereiden van rijke speelleersituaties. Veel professionals laten nog kansen liggen als het gaat om het begeleiden, verdiepen en verrijken van spel, waardoor de ontwikkeling nog sterker wordt. Daarom zouden professionals en toekomstige professionals meer geschoold moeten worden in het begeleiden, verdiepen en verrijken van spel binnen een rijke speelleersitiuatie. Het RAAK-project toont aan dat de materiele kenmerken van een rijke speelleersituatie van invloed zijn op de betrokkenheid van kinderen bij het spel en op de kwaliteit en duur van het spel. Er zijn materialen in te zetten die we contextuele materialen noemen. Een echte bouwvakkersoverall en een helm maken dat een kind zich bouwvakker voelt en in die rol blijft. Er zijn ook materialen die spelondersteunend zijn en waar mee gespeeld wordt. Nog niet altijd worden de mogelijkheden van het inzetten van materialen optimaal benut. Zo blijkt uit de casebeschrijvingen in het project dat authentieke echte materialen vaker leidt tot rijker spel. Daarom zou het wenselijk zijn om de deskundigheid van professionals te versterken waar het gaat om het benutten van de mogelijkheden voor het inrichten van de ruimte en het gebruik van materialen. Uit de CLASS-resultaten blijkt dat de interactiekwaliteit van de deelnemende professionals wisselend is. Met name op het domein Klassenmanagement is de standaardafwijking groot. Dat betekent dat sommige professionals veel tijd kwijt zijn met orde houden en toezicht houden. Dit heeft invloed op de relatie tussen de professional en de kinderen. Kinderen ervaren vaak onveiligheid in slecht georganiseerde groepen. Kinderen kunnen pas vrij uit spelen als ze zich veilig voelen. Bovendien is er daardoor minder gelegenheid om te werken aan versterking van de educatieve interactiekwaliteit. Door te werken aan een voorspelbaar en veilig klimaat in de groep, bijvoorbeeld met behulp van PBS (Positive Behavior Support) komt er meer tijd en rust in de groep, waardoor de professional meer kansen kan grijpen om het spel te verdiepen en te verrijken en zo de educatieve interactiekwaliteit kan versterken. Bovendien zullen de kinderen zich veiliger voelen en zal de relatie met de professional verbeteren, waardoor hun spel zich (verder) kan ontwikkelen. Het gezamenlijk inrichten van een rijke speelleersituatie met stimulerende materialen voor bijvoorbeeld de woordenschatontwikkeling geeft professionals de gelegenheid om met elkaar te kijken naar mogelijkheden in het begeleiden, verdiepen en verrijken van het spel. Tevens geeft dit professionals de kans om de eigen educatieve interactiekwaliteit te analyseren en de educatieve interactiekwaliteit te versterken.
De rechtspraak stelt in haar missie dat ‘drempels die een effectieve toegang tot de rechter belemmeren’ onwenselijk zijn en de rechtspraak ‘informatie in begrijpelijke taal’ verstrekt. Inderdaad wordt rechtspraakbreed al langer ingezet op uitspraken begrijpelijker maken via initiatieven/projecten als PROMIS, WIEB, Klaretaal-bokaal en de Professionele Standaard-Schrijven. Met begrijpelijke uitspraken kunnen de waarborgen van een rechtsstaat (rechtszekerheid, rechtsgelijkheid, rechtsbescherming en de dienende overheid) immers worden verwezenlijkt. Probleem is echter dat uitspraken voor niet-juridisch geschoolde lezers vaak nog onbegrijpelijk zijn. Omdat procesdeelnemers uit alle lagen van de bevolking komen, moeten uitspraken juist voor een breed publiek begrijpelijk zijn. Dus ook voor de ruim 2,5 miljoen mensen in Nederland die laaggeletterd zijn, voor wie de tekstvisualiteit extra belangrijk is. Voor een structurele verandering en maatschappelijk effectieve rechtspraak is het nodig dat de huidige modelteksten worden omgebouwd naar templates die uitspraken opleveren die begrijpelijk zijn voor een brede/diverse doelgroep. Ook moeten uitspraken – met het oog op de recente en toekomstige digitale innovaties binnen de rechtspraak – gedigitaliseerd en digitaal toegankelijk zijn. Daarnaast dienen ze positief gewaardeerd te worden door procesdeelnemers, als het gaat om procedurele rechtvaardigheid. Dit alles vergt een fundamenteel andere kijk op de huidige modelteksten en een aanpassing van die modelteksten naar op begrijpelijkheid ingerichte en visueel vormgegeven templates van een rechterlijke uitspraak. Een grotere maatschappelijke impact is echter alleen mogelijk, als de aangepaste templates aantoonbaar een begrijpelijkere en positief gewaardeerde uitspraak opleveren voor een breed en divers publiek. We onderzoeken daarom hoe de kwaliteitsdimensies stijl, structuur, inhoud en visuele vormgeving bijdragen aan de begrijpelijkheid en waardering van een rechterlijke uitspraak (in print of gedigitaliseerd) voor niet-juridisch geschoolde lezers (waaronder laaggeletterden). Daarnaast maken we deze kennis toepasbaar door op begrijpelijkheid ingerichte en visueel vormgegeven templates van een rechterlijke uitspraak te ontwikkelen die rechters/gerechtsjuristen tijdens een pilot gaan toepassen in de praktijk.