In higher education, students often misunderstand teachers’ written feedback. This is worrisome, since written feedback is the main form of feedback in higher education. Organising feedback conversations, in which feedback request forms and verbal feedback are used, is a promising intervention to prevent misunderstanding of written feedback. In this study a 2 × 2 factorial experiment (N = 128) was conducted to examine the effects of a feedback request form (with vs. without) and feedback mode (written vs. verbal feedback). Results showed that verbal feedback had a significantly higher impact on students’ feedback perception than written feedback; it did not improve students’ self-efficacy, or motivation. Feedback request forms did not improve students’ perceptions, self-efficacy, or motivation. Based on these results, we can conclude that students have positive feedback perceptions when teachers communicate their feedback verbally and more research is needed to investigate the use of feedback request forms.
During the last decade, the relationship between university and non-university higher education institutions has changed. As a contribution to the knowledge economy, non-university higher education institutions are expected to educate their students in research activities. Previously, teaching was the main responsibility of lecturers in non-university higher education, while research hardly played a role. This paper is about the belief of lecturers in non-university higher education in their own research ability (research self-efficacy). In a survey study conducted among Dutch lecturers (N = 790), the research self-efficacy has been measured. A structural equation model shows the effects of personal aspects, mastery experience and organisational context on the research self-efficacy of lecturers. Research self-efficacy is also modelled in relation to lecturers’ need to work on professional development in research skills. Results show that research self-efficacy is mostly affected by aspects of mastery experience, in which the context is similar to the given task. Implications are discussed.
Researchers working in educational settings are increasingly paying attention to the role students' thoughts and beliefs play in the learning process. Self-efficacy, a key element of social cognitive theory, appears to be an important variable because it affects students' motivation and learning. This article investigates empirical literature about the role of students' self-efficacy in education by focusing on the following research question: which are the factors shown to affect the self-efficacy of students within higher educational settings? The results of a review reveal that educational programmes have the possibility to enhance students' self-efficacy, and that educational programmes based on social cognitive theory proved to be particularly succesful on this score. Several factors appeared to influence students' self-efficacy and provided evidence for the potency of the main sources of self-efficacy. Directions for future research are indicated.
Het belang van het opdoen van waardevolle burgerschapservaringen voor jongeren wordt breed gedragen. Burgerschap van jongeren is een maatschappelijk speerpunt, wat zich het meest zichtbaar vertaalt naar aandacht voor burgerschap binnen het formele onderwijs. Maar burgerschapservaringen kunnen zowel op school als buiten school worden opgedaan. In Nederland tekent zich een burgerschapskansenkloof af, waarbij kinderen en jongeren uit wijken met bewoners met een gemiddeld lage sociaaleconomische status minder mogelijkheden ervaren om hun burgerschap te (be)oefenen dan leeftijdgenoten uit wijken met bewoners met een gemiddeld hoge sociaaleconomische status. Beleidsmakers en buurtprofessionals erkennen het belang van jeugdparticipatie, als een waardevolle burgerschapservaring, maar geven aan beperkt zicht te hebben op concrete methoden om dat vorm te geven. Ook geven zij aan jongeren selectief te bereiken, waarbij vooral jongeren uit wijken met bewoners met een gemiddeld hoge sociaaleconomische status profiteren van het aanbod. In dit project richten we ons dus op jonge burgers (10-14 jaar) uit wijken met bewoners met een gemiddeld lagere sociaaleconomische status en onderzoeken we de impact van het ontwerpprogramma ‘Ontwerpen voor de buurt’. Dit programma is ontwikkeld door Stichting TerraNova – Democratisch Design. De deelnemers worden in dit programma opgeleid tot social designers en worden gestimuleerd om hun eigen dromen voor de buurt om te zetten in concrete plannen die zij voorleggen aan beleidsmakers. In het onderzoek volgen we drie trajecten van het programma op verschillende plekken in Nederland. We richten ons daarbij in het bijzonder op de impact die de trajecten hebben op het vertrouwen van de deelnemers in hun vermogens als burgers, hun civic self-efficacy. Daarnaast onderzoeken we in de lokale context de behoeften van buurtprofessionals bij het ontwikkelen en ondersteunen van jeugdparticipatie. Zo biedt dit project belangrijke inzichten om waardevolle burgerschapservaringen voor jonge burgers in hun buurt mogelijk te maken.
Social enterprises (SEs) can play an important role in addressing societal problems. SEs are businesses whose primary objective is to generate social impact (e.g. well-being, social wealth and cohesion, and ecology) through a market-based model. SEs achieve this through a hybrid business model, trading-off financial and social value creation objectives. SEs typically face higher costs, for example because of ethical sourcing principles and/or production processes centering around the needs of workers who are vulnerable or hard-to-employ. This results in SEs’ struggling to scale-up due to their relatively costly operating model. Traditional management techniques are not always appropriate, as they do not take into account the tensions between financial and social value creation objectives of SEs. Our project examines how continuous improvement, and in particular the philosophy and tools of Lean can be harnessed to improve SEs competitiveness. Lean organizations share many values with SEs, such as respect for people, suggesting a good fit between the values and principles of Lean and those of SEs. The consortium for this project is a cooperation between the research groups Improving Business and New Marketing of the Center of Expertise Well-Being Economy and New Entrepreneurship and the minor Continuous Improvement of AVANS Hogeschool, and the SME companies Elliz in Company and Ons Label. The project consists of two phases, an exploratory phase during which the question “in what ways can the philosophy and tools of Lean be used by Social Enterprises?” will be addressed. Interviews and focus groups will be conducted with multiple SEs (not only partners). Participant observation will be conducted by the students of the minor Continuous Improvement at the partner SEs. During the second phase, the implementation of the identified principles and tools will be operationalized through a roadmap. Action research will be conducted in cooperation with the partner SEs.
Onderwijs in een grote stad als Amsterdam brengt een aantal specifieke aandachtspunten met zich mee. De meest uitdagende momenten voor docenten zijn voorziene of onvoorziene situaties waarbij controversiële onderwerpen aan de orde komen zoals Zwarte Piet of terrorisme. Scholen hebben de belangrijke maar ingewikkelde opdracht om dit soort onderwerpen op een verantwoorde manier te behandelen in de les en daarmee een bijdrage te leveren aan het burgerschap van hun leerlingen. Met name docenten in het voortgezet onderwijs en mbo die werken met een diverse leerlingpopulatie weten vaak niet goed hoe zij deze thema’s op een gestructureerde en effectieve manier kunnen behandelen en hoe zij om moeten gaan met extreme standpunten en heftige reacties van leerlingen. Er is nog weinig kennis over hoe docenten het beste om kunnen gaan met controversiële onderwerpen in de klas en hoe zij daar het beste bij ondersteund kunnen worden. Dit project heeft als doel pedagogisch-didactische strategieën te ontwikkelen die docenten kunnen inzetten om controversiële onderwerpen op een gestructureerde wijze in de les te behandelen en daarnaast concreet materiaal te ontwikkelen dat docenten kunnen gebruiken bij het lesgeven over deze onderwerpen. Docenten, lerarenopleiders en onderzoekers gaan gezamenlijk strategieën en materialen ontwikkelen, uitvoeren, evalueren en aanpassen. Vervolgens wordt de effectiviteit van de ontwikkelde strategieën en materialen wetenschappelijk onderzocht tijdens een intervisietraject waarin docenten onder begeleiding gaan werken met de ontworpen strategieën en materialen. Het onderzoek levert wetenschappelijke geëvalueerde pedagogisch-didactische strategieën en ondersteunende materialen op die docenten beter in staat moeten stellen om controversiële onderwerpen in de klas te behandelen en lerarenopleiders kunnen helpen hun studenten op deze zaken voor te bereiden.