In de afgelopen jaren hebben technologische ontwikkelingen de aard van dienstverlening ingrijpend veranderd (Huang & Rust, 2018). Technologie wordt steeds vaker ingezet om menselijke servicemedewerkers te vervangen of te ondersteunen (Larivière et al., 2017; Wirtz et al., 2018). Dit stelt dienstverleners in staat om meer klanten te bedienen met minder werknemers, waardoor de operationele efficiëntie toeneemt (Beatson et al., 2007). Deze operationele efficiëntie leidt weer tot lagere kosten en een groter concurrentievermogen. Ook voor klanten kan de inzet van technologie voordelen hebben, zoals betere toegankelijkheid en consistentie, tijd- en kostenbesparing en (de perceptie van) meer controle over het serviceproces (Curran & Meuter, 2005). Mede vanwege deze beoogde voordelen is de inzet van technologie in service-interacties de afgelopen twee decennia exponentieel gegroeid. De inzet van zogenaamde conversational agents is een van de belangrijkste manieren waarop dienstverleners technologie kunnen inzetten om menselijke servicemedewerkers te ondersteunen of vervangen (Gartner, 2021). Conversational agents zijn geautomatiseerde gesprekspartners die menselijk communicatief gedrag nabootsen (Laranjo et al., 2018; Schuetzler et al., 2018). Er bestaan grofweg drie soorten conversational agents: chatbots, avatars, en robots. Chatbots zijn applicaties die geen virtuele of fysieke belichaming hebben en voornamelijk communiceren via gesproken of geschreven verbale communicatie (Araujo, 2018;Dale, 2016). Avatars hebben een virtuele belichaming, waardoor ze ook non-verbale signalen kunnen gebruiken om te communiceren, zoals glimlachen en knikken (Cassell, 2000). Robots, ten slotte, hebben een fysieke belichaming, waardoor ze ook fysiek contact kunnen hebben met gebruikers (Fink, 2012). Conversational agents onderscheiden zich door hun vermogen om menselijk gedrag te vertonen in service-interacties, maar op de vraag ‘hoe menselijk is wenselijk?’ bestaat nog geen eenduidig antwoord. Conversational agents als sociale actoren Om succesvol te zijn als dienstverlener, is kwalitatief hoogwaardige interactie tussen servicemedewerkers en klanten van cruciaal belang (Palmatier et al., 2006). Dit komt omdat klanten hun percepties van een servicemedewerker (bijv. vriendelijkheid, bekwaamheid) ontlenen aan diens uiterlijk en verbale en non verbale gedrag (Nickson et al., 2005; Specht et al., 2007; Sundaram & Webster, 2000). Deze klantpercepties beïnvloeden belangrijke aspecten van de relatie tussen klanten en dienstverleners, zoals vertrouwen en betrokkenheid, die op hun beurt intentie tot gebruik, mond-tot-mondreclame, loyaliteit en samenwerking beïnvloeden (Hennig-Thurau, 2004; Palmatier et al., 2006).Er is groeiend bewijs dat de uiterlijke kenmerken en communicatieve gedragingen (hierna: menselijke communicatieve gedragingen) die percepties van klanten positief beïnvloeden, ook effectief zijn wanneer ze worden toegepast door conversational agents (B.R. Duffy, 2003; Holtgraves et al., 2007). Het zogenaamde ‘Computers Als Sociale Actoren’ (CASA paradigma vertrekt vanuit de aanname dat mensen de neiging hebben om onbewust sociale regels en gedragingen toe te passen in interacties met computers, ondanks het feit dat ze weten dat deze computers levenloos zijn (Nass et al., 1994). Dit kan verder worden verklaard door het fenomeen antropomorfisme (Epley et al., 2007; Novak & Hoffman, 2019). Antropomorfisme houdt in dat de aanwezigheid van mensachtige kenmerken of gedragingen in niet-menselijke agenten, onbewust cognitieve schema's voor menselijke interactie activeert (Aggarwal & McGill, 2007; M.K. Lee et al., 2010). Door computers te antropomorfiseren komen mensen tegemoet aan hun eigen behoefte aan sociale verbinding en begrip van de sociale omgeving (Epley et al., 2007; Waytz et al., 2010). Dit heeft echter ook tot gevolg dat mensen cognitieve schema’s voor sociale perceptie toepassen op conversational agents.
DOCUMENT
Our study introduces an open general-purpose platform for the embodiment of conversational AI systems. Conversational User-interface Based Embodiment (CUBE) is designed to streamline the integration of embodied solutions into text-based dialog managers, providing flexibility for customization depending on the specific use case and application. CUBE is responsible for naturally interacting with users by listening, observing, and responding to them. A detailed account of the design and implementation of the solution is provided, as well as a thorough examination of how it can be integrated by developers and AI dialogue manager integrators. Through interviews with developers, insight was gained into the advantages of such systems. Additionally, key areas that require further research were identified in the current challenges in achieving natural interaction between the user and the embodiments. CUBE bridges some of the gaps by providing controls to further develop natural non-verbal communication.
LINK
Beyond the potential of new layers of urban infrastructure - sensor-laden networks, big data, artificial intelligence - to optimize cities functionally, lay promising opportunities to also use these technologies for new forms of social interactions. In an ongoing smart city development project, we explore the potential of distributed conversational speech interfaces in the social context of local urban communities. LinkedIn: https://www.linkedin.com/in/atjylha/ https://www.linkedin.com/in/josvanleeuwen/
DOCUMENT
Abusive online behaviors occur at a large scale on all social media, and have dire consequences for their victims. Although the problem is largely acknowledged, technological solutions remain limited to detecting and hiding abusive comments. More can be done to address abusers themselves. We propose to investigate the potential of conversational technologies to dialogue with abusers. In this problem description paper, we outline directions for studying the effectiveness dialogue strategies, e.g., to educate or deter abusers, or keep them busy with chatbots thus limiting the time they spend perpetuating abuses.
MULTIFILE
Post-partum hemorrhaging is a medical emergency that occurs during childbirth and, in extreme cases, can be life-threatening. It is the number one cause of maternal mortality worldwide. High-quality training of medical staff can contribute to early diagnosis and work towards preventing escalation towards more serious cases. Healthcare education uses manikin-based simulators to train obstetricians for various childbirth scenarios before training on real patients. However, these medical simulators lack certain key features portraying important symptoms and are incapable of communicating with the trainees. The authors present a digital embodiment agent that can improve the current state of the art by providing a specification of the requirements as well as an extensive design and development approach. This digital embodiment allows educators to respond and role-play as the patient in real time and can easily be integrated with existing training procedures. This research was performed in collaboration with medical experts, making a new contribution to medical training by bringing digital humans and the representation of affective interfaces to the field of healthcare.
DOCUMENT
Speech interactions are often associated with virtual assistants and smart home devices, designed primarily for private contexts. A less developed domain is speech interfaces in public contexts. In a smart city development project, we explored the potential of distributed conversational speech interfaces in lampposts. Deploying a research-through-design method, we created a lo-fi prototype of the speech interface that test subjects could interact with during experiments in a lab setting. Our first exploratory prototype consisted of a loudspeaker that acted as the interface and preconceived dialogues designed to investigate the boundaries of desirable and acceptable experiences regarding issues such as privacy. Experiencing the interaction with this rudimentary prototype helped people envision potential use cases and reflect on privacy issues: the dialogues revealed subjective limits of what kind of (personal) information people were willing to share with the lamppost. They also elicited thoughts on possible consequences in the social context of citizens. LinkedIn: https://www.linkedin.com/in/atjylha/ https://www.linkedin.com/in/josvanleeuwen/
DOCUMENT
DOCUMENT
At the age of a failing economic system and undeniable evidence of the effects humankind has had over the planet, it is necessary to look for alternatives to the way we live locally. This article explores the use of designing narratives and metanarratives to co-create imaginaries serving as the needed alternatives. This research starts by considering the historical factors to understand how industrialisation and the loss of traditional practices created a culture of disconnection from Nature in the Girona area, but also looks at why people start now reconnecting with it. The analysis is the foundation for speculative design practices to co-create a new local narrative of connection and regeneration. The project adopted the Integrative Worldviews Framework and used paradoxes to create possible future worldviews based on historical factors and literature. Citizens participated in conversational future-visioning workshops to develop and evaluate their local imagery of the previously created worldviews. This conversation-based exercise evidenced the potential of paradoxes in destructive futures to create imaginaries of regeneration. These imaginaries merge and form future stories. From the future narratives, the practice created cultural artefacts embodying a new culture of connection based on storytelling, traditional jobs, and a mythological understanding of Nature. Finally, as observed at the end of the project, these artefacts allow citizens to adopt them as their culture and expand their current worldview.
DOCUMENT
Video was used in a variety of formats during a third year elective Inholland course ‘Levensbeschouwing’ at the Faculty Onderwijs en Innovatie (education and innovation) in Amstelveen. From April to June (2017), 30 part-time and full-time students on the Tweedegraads Leraren Opleiding chose to follow the course for the ten week study period. Students used a variety of video formats to support and enhance their learning process. This research evaluates how the didactic embedding of video supported the teaching and learning on the course. The objective of the research was to gain insight into the ways in which video supports the learning and teaching process in the course and into the perceived practicality and effectiveness of this video support. The research examined how video was integrated into the course structure, how students and lecturers perceived the practicality of the use of video, and whether they considered it effective. The conversational framework of Laurillard (2002), was used as a framework in which to examine the interaction between students and teachers at the conceptual and application level. An overview was made of the different forms of videos used during the course (both teacher and student generated), how they were viewed and the value of them to the students. A survey was collected on the last day of the course in which students could share feedback on the ways in which video had contributed to their learning process. At the end of the course, a group interview was held with six student representatives (one from each group) and with the lecturers on the course to collect additional qualitative feedback on how video contributed to the learning process.
DOCUMENT
In ons dagelijkse leven hebben we veel met technologie te maken, vaak met interactieve, informatie-gerichte technologie: als consument doen we online boodschappen – zeker in deze pandemische tijd; als reiziger in het openbaar vervoer plannen en betalen we onze reis met interactieve technologie – nu weliswaar even wat minder; als weggebruiker navigeren we op basis van technologie; en ons energieverbruik in huis wordt ‘smart’ gemeten en geadministreerd. Als burger staan we steeds vaker middels technologie in contact met overheden. Denk aan alle online communicatie met de overheid, zo als de belastingdienst en gemeenten die middels apps, websites en de ‘Berichtenbox’ van ‘MijnOverheid’ met burgers communiceren. En er wordt over burgers en ons gedrag al heel wat data verzameld, door gemeenten, de politie, door bijvoorbeeld de zorgsector. En ook in de publieke ruimte wordt data verzameld – met smart city technologie, zoals camera’s en sensoren – met als doel om de stad veiliger, efficiënter en leefbaarder te maken. Al die ‘big data’ maakt het mogelijk om inzichten te genereren – al dan niet met kunstmatige intelligentie – en besluiten te nemen. We gebruiken technologie ook om als burger zelf actie te ondernemen. Bij de overheid kunnen we met apps melden wat er op straat verbeterd of onderhouden moet worden. Met onze buren zitten we in een WhatsApp groep of NextDoor, om bij te dragen aan de leefbaarheid en veiligheid van de buurt. We kunnen met smart home tools of citizen science kits de luchtkwaliteit meten, binnenshuis, maar ook buitenshuis. We tekenen petities, doen mee aan peilingen en enquêtes. En social networking sites (SNS) worden intensief gebruikt, voor sociale en professionele relaties, maar ook om maatschappelijk actief te zijn, voor het organiseren van het samenleven in een buurt. We weten inmiddels dat social media ook een effectief kanaal zijn om de democratie te beïnvloeden. Burgers komen dus in aanraking met veel verschillende technologieën, met verschillende doelstellingen, resultaten en bijeffecten, en waaraan mensen in allerlei functies en rollen deelnemen. Wat centraal staat in het vakgebied Civic Technology is dat de technologie in dienst staat van het burgerschap.
DOCUMENT