Eye movement desensitization and reprocessing (EMDR) therapy is an evidence-based treatment for posttraumatic stress disorder (PTSD). Preliminary findings suggest the application of an adapted, addiction-focused EMDR procedure, AF-EMDR therapy, may also be helpful in treating addictions, such as gambling disorder (GD). In this study eight participants with GD received AF-EMDR therapy, using modules from Markus and Hornsveld’s Palette of EMDR Interventions in Addiction (PEIA). A multiple baseline design was used to investigate whether AF-EMDR therapy reduced gambling urge and increasedexperienced self-control. Six weekly AF-EMDR sessions (treatment phase) were preceded by a 3- to 7-week non-treatment baseline phase. During both phases, participants kept a daily diary. Visual inspection as well as an interrupted time series analysis demonstrated mixed findings. Results showed that three participants experienced spontaneous recovery during the baseline period, two did not respond to treatment, and three others showed improvements during the EMDR phase. No adverse effects were noted. In sum, AF-EMDR therapy may have potential in the treatment of gambling addiction. However, more research isneeded regarding the efficacy, contra-indications, focus, and application as well as the optimal dose of AF-EMDR therapy using the PEIA modules.
DOCUMENT
Het ZonMw-programma ‘Ontwikkeling Kwaliteitsstandaarden 2019-2022: Wijkverpleging’ draagt bij aan het ontwikkelen, implementeren en evalueren van kwaliteitsstandaarden voor verpleegkundigen en verzorgenden. Het is belangrijk om te weten voor welke onderwerpen en patiëntproblemen mogelijk een knelpuntanalyse of een kwaliteitsstandaard nodig is, of waar een kwaliteitsstandaard geactualiseerd dient te worden. Om dit helder te krijgen wordt in 2020-2021 de ‘Programmeringsstudie Ontwikkeling Kwaliteitsstandaarden 2019-2022: Wijkverpleging’ uitgevoerd
DOCUMENT
Vanaf 1 januari 2019 treedt er een wijziging in het Besluit verplichte meldcode in werking. Vanaf dat moment is een afwegingskader onderdeel van de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Iedere beroepsgroep beschikt over een specifiek op haar eigen beroepsuitoefening toegesneden afwegingskader ‘op basis waarvan de professionals het risico op en de aard en ernst van het huiselijk geweld of de kindermishandeling wegen en dat hen in staat stelt te beoordelen of sprake is van dusdanig ernstig huiselijk geweld of ernstige kindermishandeling, dan wel een vermoeden daarvan, dat een melding bij Veilig Thuis is aangewezen’. Het hanteren van een afwegingskader is verplicht in de stappen 4 en 5 van de Meldcode. Een andere belangrijke verandering is dat in stap 5 de professional naast melden bij Veilig Thuis tegelijkertijd zelf hulp kan (blijven) bieden of organiseren, al dan niet in samenwerking met Veilig Thuis. Het eerdere onderscheid tussen óf hulpverlenen óf melden vervalt dus als na toepassing van het afwegingskader de conclusie is dat melden bij Veilig Thuis is aangewezen. Het afwegingskader wordt onderdeel van de professionele standaarden van de beroepsgroep, waaronder ook de beroepscode valt.
DOCUMENT
Van Jeugdzorg naar oplossingen beschrijft de mogelijkheden om door samenwerking met jeugdzorg en onderwijs het product te verbeteren en tevens de waarde van de sportvereniging te verhogen voor alle belanghebbenden. Sport is een plezierige belevenis door Physieke Prestaties met Partners. Daarnaast bevat sport een groot scala van additionele producten waarmee de persoonlijke ontwikkeling van kinderen kunnen worden verbeterd, alsmede de socialisatie en nog veel maatschappelijke bijproducten. Door de verbetering van deze additionele waardes ontstaat vanzelf een beter hoofdproduct. Onderwijs en Jeugdzorg kunnen hier een belangrijke bijdrage in leveren. Anderzijds kan de sportvereniging een belangrijke tegenprestatie leveren ten gunste van de ontwikkeling en het geluk van kinderen. Hierdoor krijgt de subsidie een draagvlak waarmee verenigingen beoordeeld kunnen worden. Synergie is hierbij het sleutelwoord, door samenwerking ontstaan nieuwe processen of leiden ze tot kostenreductie. De productiviteit en dus de meerwaarde van verenigingen kan toenemen door deze verhoogde effectiviteit en efficiency. Organisatorisch zal er ruimte moeten worden gemaakt voor de pedagogisch- en zorg-coördinator. Met een beter informatiesysteem krijgt jeugd een meer centrale positie die sturend kan worden voor de ontwikkeling. Per regio of zorggebied kan een intensieve samenwerking worden gestimuleerd van zelfsturende teams met doelstellingen op projectbasis. Vanuit het onderwijs en de jeugdzorg kan de participatie bij jeugdverenigingen worden gestimuleerd. Verenigingen krijgen nu veel, volle en vaste leden/ vrijwilligers die vaker komen waarmee de positionering duidelijker wordt.
MULTIFILE
De instructievaardigheid van de leraar, zowel bij de klassikale aanpak als in de een-op-een-benadering is belangrijk. In hun review-studie laten Slavin e.a. overtuigend zien dat trainingen aan leraren om de instructievaardigheid te verbeteren direct effect hebben op de leesresultaten van hun leerlingen. Een opvallende uitkomst is dat Slavin e.a. weinig positieve effecten zien van ondersteunde computerprogramma’s voor zwakke lezers. Een goede instructie van de leraar voor de zwakke lezer is volgens Slavin e.a. veel effectiever dan het oefenen op de computer.
DOCUMENT
Dit is de eerste onderzoeksrapportage van het onderzoek naar daderanalyse van woninginbrekers. In deze rapportage worden de resultaten gepresenteerd van een eerste verkenning naar de mogelijkheden te komen tot een categorisering van verdachten van woninginbraak. Dit project is uitgevoerd in opdracht van de Gemeente Utrecht. Met dit onderzoek wordt een eerste stap gezet in het maken van een informatiegestuurde analyse over plegers (verdachten) van woninginbraak.
DOCUMENT
Elk jaar verlaten veertigduizend kinderen de reguliere basisschool met een leesachterstand van twee jaar of meer. In het speciaal basisonderwijs bereikt de gemiddelde leerling een leesniveau tussen groep vier en vijf van het basisonderwijs. Eenmaal opgedane leesachterstand blijkt zeer moeilijk in te lopen te zijn. Remediëren is in die situatie uiterst gecompliceerd en weinig succesvol. Slechts een kwart van de leerlingen die in groep 5 tot de zwakke lezers behoort, slaagt erin deze achterstand in te halen (Grossen, 1997). Het gevolg is, dat ons land 250.000 volwassen functioneel analfabeten kent (Inspectie van het Onderwijs, 2003).
DOCUMENT
Elk jaar verlaten veertigduizend kinderen de reguliere basisschool met een leesachterstand van twee jaar of meer. In het speciaal basisonderwijs bereikt de gemiddelde leerling een leesniveau tussen groep vier en vijf van het basisonderwijs. Eenmaal opgedane leesachterstand blijkt zeer moeilijk in te lopen te zijn. Remediëren is in die situatie uiterst gecompliceerd en weinig succesvol. Slechts een kwart van de leerlingen die in groep 5 tot de zwakke lezers behoort, slaagt erin deze achterstand in te halen (Grossen, 1997). Het gevolg is, dat ons land 250.000 volwassen functioneel analfabeten kent (Inspectie van het Onderwijs, 2003).
DOCUMENT
In deze notitie wordt de curriculumanalyse waarover Kees Freriks, directeur van de Theo Thijssen Academie en Kees van der Wolf, lector van het Lectoraat Gedragsproblemen in de Onderwijspraktijk hebben gesproken nader uitgewerkt. Zij zijn overeengekomen dat de kenniskring het curriculum van de Theo Thijssen Academie gaat analyseren. Dit krijgt gestalte vanuit een Critical Friend-rol. Onderzocht wordt op welke wijze speciale zorg voor kinderen met leer- en gedragsmoeilijkheden in het curriculum is opgenomen en op welke wijze dit mogelijk kan worden verbeterd. De analyse van wat er aangeboden wordt op het gebied van speciale zorg voor kinderen met leer- en gedragsmoeilijkheden gaat uit van de nota De Inhoudelijke Pit waarin de kern van de onderwijsinhoud en de pedagogische basis voor het werken op de Theo Thijssen Academie wordt beschreven.
DOCUMENT
Inmiddels is gemeenzaam bekend dat de onderwijskansen van kinderen toenemen als ouders en school een partnerschap ontwikkelen. Maar hoe leraren dat partnerschap tot stand kunnen brengen, daarover is veel minder bekend. Over die vraag gaat dit symposium. In de eerste deelpresentatie wordt aan de hand van een grootschalig empirisch onderzoek getoond dat vooral de verwachtingen en opvattingen van ouders de taalprestaties van jonge kinderen beïnvloeden. Vervolgens wordt ingegaan op de leerkrachtcompetenties die volgens de onderzoeksliteratuur nodig zijn voor succesvolle samenwerking met ouders. In de derde deelpresentatie wordt ingegaan op de kenmerken van de oudercomponent van Success for all (Rovert Slavin cs) en hoe die component zou kunnen worden vertaald voor en geïmplementeerd in de Nederlandse situatie.
DOCUMENT