Rond 2015 werd middels practoraten een start gemaakt met het realiseren van een duurzame verbinding tussen praktijkonderzoek en onderwijsverbetering in het mbo. Een practoraat is een expertiseplatform binnen een mbo-instelling waar praktijk(gericht) onderzoek wordt uitgevoerd. Doel is het bijdragen aan onderwijsvernieuwing en verspreiden van kennis. Voor het bereiken van dit doel wordt van practoraten verwacht dat ze kennisbenutting van practoraatsopbrengsten in scholen stimuleren. De praktijkvraag was hoe practoraten aan deze verwachting kunnen voldoen. In voorliggend onderzoek is een model dat kennisbenutting als dynamische interactie adresseert gehanteerd om het proces van kennisbenutting in de context van practoraten te begrijpen en te bevorderen. Het onderzoek richt zich op de vraag welke strategieën practoren hanteren om kennisbenutting bij docenten(teams) te stimuleren, en welke strategieën docenten(teams) hanteren om kennis te benutten. Het onderzoeksdesign wordt gekenmerkt door het verbinden van activiteiten en praktische inzichten van practoraten in mbo-instellingen met onderzoeksactiviteiten en wetenschappelijke inzichten. Er zijn diverse kwalitatieve en kwantitatieve methoden van dataverzameling ingezet. We concluderen dat het model van kennisbenutting als een dynamische interactie zowel passend is voor de wijze waarop practoren kennisbenutting willen stimuleren en als wijze waarop docenten(teams) opbrengsten van practoraten benutten.
DOCUMENT
Deze bijlage is onderdeel van het project en het eindrapport Benutting van kennis uit onderzoek bevorderen in het onderwijs: hoe doe je dat? Een onderzoek naar kennisbenutting in de context van practoraten.
DOCUMENT
Als onderzoekende onderwijsprofessionals in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) wil je met praktijkgericht onderzoek bijdragen aan onderwijsverbetering. Maar hoewel het belang van kennisbenutting breed wordt gedragen, blijkt het in de praktijk niet vanzelfsprekend dat onderzoeksresultaten hun weg vinden naar de onderwijspraktijk. Hoe zorg je ervoor dat kennis uit onderzoek ook daadwerkelijk wordt benut door docententeams? Doelgroep Bouwstenen voor een professionele dialoog over kennisbenutting zijn bedoeld voor onderzoekende onderwijsprofessionals die de benutting van kennis in hun eigen organisatie, of daarbuiten, willen stimuleren. Het gaat daarbij om kennisproducten (zoals opgedane inzichten, ontwikkelde producten en diensten of gefundeerde kennis) waarvan je wilt dat collega’s daarmee aan de slag gaan. Er wordt rekening gehouden met een facilitator die de dialoog voorbereidt en begeleidt. Voor het betrekken van meerdere perspectieven kunnen ook kennisgebruikers worden betrokken. Doel De professionele dialoog over kennisbenutting wordt gevoerd met een groep onderzoekende onderwijsprofessionals die een gedeelde praktijk hebben. Maak de bouwstenen voor een professionele dialoog over kennisbenutting passend voor jouw/jullie situatie. De professionele dialoog kan twee functies hebben: • Kritische functie is gericht op het evalueren van kennisbenutting met als leidende vraag: Heeft de bestaande kennisbenuttingspraktijk geleid tot de gewenste impact? • Constructieve functie is gericht op het maken van een kennisbenuttingsplan met als leidende vraag: Welke kennisbenuttingsstrategieën zouden we moeten/willen inzetten om de gewenste impact te bereiken? De professionele dialoog kan twee richtingen hebben: • Specifieke focus is gericht op een enkel kennisproduct • Algemene focus is gericht op een arrangement aan kennisproducten (bv. in een onderzoeksprogramma of project)
DOCUMENT
Rond 2015 werd met het nieuwe fenomeen practoraten een start gemaakt met het realiseren van een duurzame verbinding tussen praktijkonderzoek en onderwijsverbetering in het mbo. Echter, de manier waarop de opbrengsten van practoraten invloed konden hebben op de (verbetering van de) onderwijspraktijk was (en is) voor veel practoraten een lastig vraagstuk. Het probleem van het benutten van opbrengsten uit onderzoek door derden wordt in de literatuur geconceptualiseerd als een kennisbenuttingsprobleem. In voorliggend onderzoek gebruiken we het model van Castelijns en Vermeulen om het proces van kennisbenutting in de context van practoraten te begrijpen en te bevorderen. Een consortium van hbo- en mbo-instellingen deed onderzoek naar de vraag: Welke kennisbenuttingsstrategieën hanteren practoren om kennisbenutting bij docenten(teams) te stimuleren en welke kennisbenuttingsstrategieën hanteren docenten(teams) om kennis te benutten? De aanpak in het onderzoeksproject werd gekenmerkt door het verbinden van activiteiten en praktische inzichten van practoraten in mbo-instellingen met onderzoeksactiviteiten en wetenschappelijke inzichten. In antwoord op de onderzoeksvraag concluderen we dat de strategieën Beïnvloeden en overtuigen van docenten(teams) om kennis te benutten, Ontwikkelen van toepassingen en procedures voor implementatie van kennis in de onderwijspraktijk en In samenwerking met docenten(teams) nieuwe kennis co-creëren en transformeren die door practoren worden gehanteerd, gespiegeld worden door docenten(teams). Hiermee is het aannemelijk dat de opbrengsten van de kennisbenuttingsstrategieën van practoraten en docententeams variëren van informatie tot kennis, en wijsheid.
DOCUMENT
Het onderwerp doorwerking van kennis is een speerpunt binnen de Nationale Politie: de vraag is dan hoe (wetenschappelijk) onderzoek en politiepraktijk met elkaar verbonden worden. Steeds meer wordt onderkend dat het belangrijk is dat wetenschappelijke onderzoeken ook daadwerkelijk doordringen in de (politie)praktijk.De afgelopen jaren zijn in opdracht van de portefeuillehouder Gebiedsgebonden Politie (GGP) enkele tientallen onderzoeken uitgevoerd binnen de GGP. Daarnaast zijn in opdracht van het Programma Politie en Wetenschap onderzoeken uitgevoerd naar diverse aspecten van de GGP. Te denken valt aan onderzoek naar digitale wijkagenten, opgetekende lessen tijdens de coronacrisis én de kennis over ondermijning bij wijkagenten.Dergelijke onderzoeken leveren stuk voor stuk waardevolle inzichten op.Het is evenwel de vraag of de onderzoeken aansluiten bij de (kennis)behoefte in de basisteams (BT’s) en of de onderzoeksresultaten binnen de GGP doorwerken. Dat wil zeggen dat onderzoek bekend is, relevant wordt gevonden, benut wordt en tot eventuele veranderingen leidt.Dit onderzoek legt de focus op doorwerking van onderzoeksresultaten bij de GGP in de basisteams (BT’s).
MULTIFILE
Kennis uit onderzoek is van cruciaal belang om het onderwijs te verbeteren en te innoveren. Dit vraagt om een nauwe verbinding tussen onderwijsonderzoek en de dagelijkse onderwijspraktijk. De roep om een meer lerende cultuur in het onderwijs en de ambitie om onderwijsonderzoek meer te benutten voor het verbeteren van de onderwijspraktijk is niet nieuw: in het onderwijswerkveld zijn steeds meer scholen bezig met kennisbenutting, en het vraagstuk staat al langere tijd op de politieke agenda. Tegelijkertijd blijkt uit verschillende studies dat dit nog geen vanzelfsprekendheid is en dat het versterken van een kennisinfrastructuur een bijzonder complexe opgave is. In opdracht van de onderwijsraad heeft het lectoraat Public Governance een internationale vergelijking uitgevoerd naar de kennisinfrastructuur in andere – met Nederland vergelijkbare – landen. Deze ‘best practices’ zijn beschreven vanuit de vraag: wat kan Nederland van deze andere landen leren?
DOCUMENT
Alle hbo-docenten hebben onderzoekend vermogen nodig om in het toekomstbestendig hoger onderwijs te werken en hier aan bij te dragen. Hbo-docenten begeven zich in een dynamische omgeving. Docenten hebben steeds meer rollen, verantwoordelijkheden en taken (Ommering & Koeslag-Kreunen, 2023). Daarnaast verandert het beroepenveld waartoe ze opleiden door (technologische of maatschappelijke) ontwikkelingen. Ook de Corona pandemie of de komst van ChatGPT heeft invloed op het werk van docenten. Hoe ga je hiermee om als docent en/of docententeam? Een belangrijk startpunt is om te herkennen waar handelingskennis ontbreekt, vervolgens deze handelingskennis met een passende grondigheid te verwerven en dit bruikbaar te maken voor de eigen onderwijspraktijk. De zojuist beschreven stappen omvatten het inzetten van het ‘onderzoekend vermogen’. Maar in de weerbarstige dagelijkse praktijk en de wisselende rollen van docenten blijkt dit vaak nog lastig vorm te geven. Als leden van een groter consortium zetten wij ons daarom in voor het expliciteren van de meerwaarde van ‘onderzoekend vermogen’ binnen de context van de hbo-lespraktijk en gaan wij op zoek naar manieren om docenten(-teams) te ondersteunen in het aanboren en (meer) inzetten van dit vermogen.
DOCUMENT
Er is steeds meer aandacht voor onderzoek en practoraten in het mbo (Werkagenda mbo, 2023-2027). Geïnspireerd en gestuurd door ontwikkelingen binnen het onderwijs, het werkveld en de maatschappij, kiezen steeds meer mbo-scholen ervoor zelf onderzoek te doen en zich te ontwikkelen als kennisinstelling en onderzoekspartner. Schoolbesturen voelen zich steeds meer eigenaar van de onderzoeksagenda op thema’s die voor het mbo relevant zijn (zie NRO Kennisagenda voor het Onderwijs, 2022). Scholen willen het brede palet van activiteiten, producten en kennis uit onderzoek benutten ten dienste van professionele ontwikkeling en schoolontwikkeling alsmede innovatie van het onderwijs en beroepspraktijk.
DOCUMENT
Het rapport is deel B van het 5e tussenadvies van de wetenschappelijke Curriculumcommissie. Het rapport richt zich op de verdeling van verantwoordelijkheden van partijen in het onderwijs bij het verbeteren van de organisatie rond curriculumonderhoud in het funderend onderwijs (basisonderwijs en voortgezet onderwijs).
DOCUMENT
Het kwalificatieprofiel van Masteropleidingen Leren en Innoveren (MLI’s) onderscheidt de rollen van innovator, expert in leren en onderzoeker (Rozendaal, Van Sandick, & De Jong, 2019). MLI-alumni verbinden met genoemde rollen als ‘boundary crossers’ (Akkerman & Bakker, 2012) de werelden van onderzoek en onderwijs(innovatie). Van den Berg (2016) noemt dergelijke grensoverschrijdende werkpraktijken ‘grenspraktijken’. Ze betoogt op basis van literatuuronderzoek dat samenwerken aan praktijkvraagstukken specifieke onderzoekende en discipline-overstijgende kwaliteiten vereist. Na een paar jaar ervaring met deze opleiding wilde Aeres Hogeschool Wageningen (AHW) weten hoe dit profiel in de werkpraktijk van MLI-alumni uitpakt. Onderzoek hiernaar biedt de opleiding feedback, is informatief voor verwante opleidingen én draagt bij aan doorontwikkeling van het toegepaste theoretisch kader (Van den Berg, 2016). Via interviews zijn de grenspraktijken van zeven MLI-alumni van AHW in het mbo in kaart gebracht. Wat kenmerkt de onderwijsvraagstukken waar zij aan werken, hoe vullen zij hun rollen in? Het blijkt dat de geïnterviewde alumni werken aan onderwijsvraagstukken van wisselende complexiteit. Allen beschikken over een onderzoekende houding, zijn sterk gericht op het toepassen van kennis uit onderzoek, en werken interactief samen. Een van hen doet praktijkgericht onderzoek. De geïnterviewden geven aan dat ze zich geïsoleerd voelen en in hun onderzoekende rol worden geremd door een zwakke onderzoekscultuur op de scholen. Gezien deze en andere onderzoeksinzichten is het van belang dat de MLI’s de studenten tijdens de opleiding goed voorbereiden om hun interne en externe netwerk actief te onderhouden. Ook Rozendaal et al. (2019) bepleiten dat MLI-alumni zich binnen en buiten de eigen organisatie nadrukkelijker positioneren als gesprekspartner.
DOCUMENT