Background: The diagnosis of sarcopenia is essential for early treatment of sarcopenia in older adults, for which assessment of appendicular lean mass (ALM) is needed. Multi-frequency bio-electrical impedance analysis (MF-BIA) may be a valid assessment tool to assess ALM in older adults, but the evidences are limited. Therefore, we validated the BIA to diagnose low ALM in older adults.Methods: ALM was assessed by a standing-posture 8 electrode MF-BIA (Tanita MC-780) in 202 community-dwelling older adults (age ≥ 55 years), and compared with dual-energy X-ray absorptiometry (DXA) (Hologic Inc., Marlborough, MA, United States; DXA). The validity for assessing the absolute values of ALM was evaluated by: (1) bias (mean difference), (2) percentage of accurate predictions (within 5% of DXA values), (3) the mean absolute error (MAE), and (4) limits of agreement (Bland-Altman analysis). The lowest quintile of ALM by DXA was used as proxy for low ALM (< 22.8 kg for men, < 16.1 kg for women). Sensitivity and specificity of diagnosing low ALM by BIA were assessed.Results: The mean age of the subjects was 72.1 ± 6.4 years, with a BMI of 25.4 ± 3.6 kg/m2, and 71% were women. BIA slightly underestimated ALM compared to DXA with a mean bias of -0.6 ± 1.2 kg. The percentage of accurate predictions was 54% with a MAE of 1.1 kg, and limits of agreement were -3.0 to + 1.8 kg. The sensitivity for ALM was 80%, indicating that 80% of subjects who were diagnosed as low ALM according to DXA were also diagnosed low ALM by BIA. The specificity was 90%, indicating that 90% of subjects who were diagnosed as normal ALM by DXA were also diagnosed as normal ALM by the BIA.Conclusion: This comparison showed a poor validity of MF-BIA to assess the absolute values of ALM, but a reasonable sensitivity and specificity to recognize the community-dwelling older adults with the lowest muscle mass.
A school and especially a university must operate efficiently, while also offering innovation space. In meeting these requirements, it can neither leave 100% on lean, nor inspiration (think of the art schools half a century ago). Companies need continuity. Serendipity may facilitate this. However, sometimes they have to be able to exploit new opportunities at lightning speed. In those cases, continuity can be fatal, because it removes agility.
MULTIFILE
Purpose: Continuous improvement initiatives such as Lean in Higher Education (HE) institutes are an emerging topic for research. Under pressure to do more with less, institutes of HE are increasingly adopting the tools and methods of lean to improve their quality practices. Nevertheless, institutes of HE differ significantly from business organizations. The purpose of this study was to examine the critical success factors (CSFs) of continuous improvement in this homogeneous industry. Two other contextual factors, implementation approach and national culture, are examined. Design/methodology/approach: A mixed methods approach, combining Q-methodology, online surveys and interviews, was used to investigate the CSFs of lean implementation in HE. Participants were recruited from an international network of lean practitioners in HE. Using Q-methodology, three perspectives of CSFs in HE were identified. Findings: Lean implementation at institutes of HE is characterized by a bottom-up approach, involving mostly supporting processes. Contrary to business organizations, the role of management in the implementation of Lean in HE is limited and attention should instead be directed to employee empowerment and customer focus. The findings also showed that, at least for institutes of HE, organizational culture is more influential than national culture. Practical implications: When management involvement is limited, a bottom-up implementation of lean is recommended, centered on improving university-wide supporting processes, promoting cross-departmental cooperation and overcoming the silo mentality. This approach requires an emphasis on a specific set of CSFs, namely, employee empowerment, sharing success stories and training. Originality/value: The study findings enrich conceptually based lean implementation frameworks for HE that advocate a top-down implementation approach.
LINK
Een geschatte hoeveelheid van tussen de 35 en 140 miljoen kilo zwerfafval wordt jaarlijks in Nederland op straat of in de natuur aangetroffen. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het voorkomen en opruimen van zwerfafval. Daarom heeft bijvoorbeeld gemeente Breda de ambitie uitgesproken om de stad in 2030 zwerfafval vrij te hebben. Deze ambitieuze doelstelling moet bereikt worden door acties zowel op het vlak van preventie, als het opruimen en het hergebruik. Om deze acties kwantitatief te onderbouwen en te monitoren zijn gegevens over ligging, hoeveelheid en samenstelling van het zwerfafval noodzakelijk. Het is momenteel al mogelijk om zwerfafvaldata te verkrijgen om analyses op te verrichten. Deze data is afkomstig van vrijwilligers die middels apps als Litterati zwerfafval verzamelen en classificeren (labelen). Het toekennen van een label is een tijdrovende klus en levert maar een beperkt beeld van de totale hoeveelheid zwerfafval in een gemeente. Dit classificeren kan geautomatiseerd worden door object detectie algoritmen welke zijn getraind op afbeeldingen van zwerfafval. Om een groter gebied te monitoren zijn camerasystemen ontwikkeld die in staat zijn zwerfafval automatisch te detecteren. Technisch gezien zijn er steeds meer oplossingen om automatisch zwerfafval in kaart te brengen en te classificeren, maar een praktijkgerichte oplossing voor bijvoorbeeld beleidsmakers zonder technische kennis ontbreekt nog. In dit toegepast ontwerponderzoek werken we samen met gemeente Breda, gemeente ‘s-Hertogenbosch, stichting GoClean, Natuur- en milieuvereniging Markkant, stichting Nederland Schoon, de Antea Group en betrokken MKB-ers aan het antwoord op de onderzoeksvraag “Hoe kan zwerfafval in de openbare ruimte automatisch gedetecteerd en geclassificeerd worden vanuit verschillende, onafhankelijke bronnen met een zo beperkt mogelijke tijdsinvestering van de mens in dit proces.” De technische componenten die hiervoor nodig zijn worden samengevoegd in een gebruiksvriendelijk dataplatform. Op basis van de uitkomsten kunnen gemeenten (en andere publieke partijen) in Nederland datagedreven interventies ontwikkelen om zwerfafval tegen te gaan.
In de schoonmaakbranche is de werkdruk hoog . Hierdoor worden gebouwen dagelijks niet goed genoeg schoongemaakt. Er heerst krapte op de arbeidsmarkt. Schoonmaakwerk is vooral handmatig werk en is ook zwaar werk. De schoonmaakbranche is dringend op zoek naar technologische oplossingen die het werk in de toekomst kunnen verlichten. Eén van die technologische oplossingen is de introductie van schoonmaakrobots , die op dit moment mondjesmaat op de markt worden gebracht. Schoonmaakorganisaties weten nog niet goed hoe deze robots efficiënt in te zetten, het vergt nog veel tijd om ze te kunnen gebruiken en schoonmaakmedewerkers zijn terughoudend om ermee te werken. Het project Assisted Cleaning Robots (ACR) richt zich op de volgende onderzoeksvraag: “hoe integreer je robottechnologie in het werkproces in de schoonmaakbranche, zodat een robot enerzijds zo optimaal mogelijk het werkproces ondersteunt, en anderzijds zo optimaal mogelijk met de mens samenwerkt.” Wat hierin optimaal is en hoe dit gemeten kan worden, is onderdeel van het onderzoek en is afhankelijk van de technologische mogelijkheden, de mensen die er mee werken, en de werkomgeving. In dit project werken Fontys Hogeschool Engineering, Fontys Hogeschool Techniek & Logistiek en de Haagse Hogeschool samen met schoonmaakorganisaties CSU en Hectas en andere bedrijven (toeleveranciers van schoonmaakrobots als ontwikkelaars), nationaal samenwerkingsverband Holland Robotics en brancheorganisatie Schoonmakend Nederland. Dit project kent een looptijd van twee jaar en gaat van start op 1 november 2021. In dit project worden nieuwe schoonmaakprocessen gedefinieerd en wordt op basis van deze processen technologie ontwikkeld (waar doorgaans eerst een nieuw product wordt ontwikkeld en daarna pas gekeken naar hoe dit product in te zetten). In dit project staat de mens die met de technologie in het proces moet gaan werken centraal. De technologie en het proces worden gevalideerd middels praktijktests met de betrokken schoonmaakorganisaties, op representatieve locaties. Hieruit worden lessen getrokken voor verbeteringen.
The textile and clothing sector belongs to the world’s biggest economic activities. Producing textiles is highly energy-, water- and chemical-intensive and consequently the textile industry has a strong impact on environment and is regarded as the second greatest polluter of clean water. The European textile industry has taken significant steps taken in developing sustainable manufacturing processes and materials for example in water treatment and the development of biobased and recycled fibres. However, the large amount of harmful and toxic chemicals necessary, especially the synthetic colourants, i.e. the pigments and dyes used to colour the textile fibres and fabrics remains a serious concern. The limited range of alternative natural colourants that is available often fail the desired intensity and light stability and also are not provided at the affordable cost . The industrial partners and the branch organisations Modint and Contactgroep Textiel are actively searching for sustainable alternatives and have approached Avans to assist in the development of the colourants which led to the project Beauti-Fully Biobased Fibres project proposal. The objective of the Beauti-Fully Biobased Fibres project is to develop sustainable, renewable colourants with improved light fastness and colour intensity for colouration of (biobased) man-made textile fibres Avans University of Applied Science, Zuyd University of Applied Sciences, Wageningen University & Research, Maastricht University and representatives from the textile industry will actively collaborate in the project. Specific approaches have been identified which build on knowledge developed by the knowledge partners in earlier projects. These will now be used for designing sustainable, renewable colourants with the improved quality aspects of light fastness and intensity as required in the textile industry. The selected approaches include refining natural extracts, encapsulation and novel chemical modification of nano-particle surfaces with chromophores.