full text beschikbaar met HU account Hoofdstuk 23 in Justitiele Interventies. In hoofdstuk 4 zijn drie kenmerken van het werk van de Jeugdreclassering belicht: het gedwongen kader waarbinnen moet worden gewerkt, de hantering van het delict als rode draad en het gebruik van het delictscenario. Een voortdurend terugkerend onderwerp was het vraagstuk van het motiveren van jongeren in een gedwongen kader. In dit hoofdstuk wordt verder ingegaan op dit vraagstuk in het kader van maatregelen van jeugdreclassering. We beginnen met een eerste relevant aspect, dat in de literatuur wordt aangeduid als reactance, ofwel weerstand tegen het gedwongen kader, tegen het verlies van vrijheid. Vervolgens wordt verder ingegaan op het ‘transtheoretisch model’ van Prochaska en DiClemente en de recente discussie daarover, en er wordt aandacht besteed aan enkele aspecten van het begrip motivatie specifiek in het kader van de jeugdreclassering. We wijzen ten slotte op het belang van het perspectief van de levensloop voor een adequate aanpak van het motivatievraagstuk.
MULTIFILE
De onderzoeksvraag die in dit onderzoek gesteld is, was: “Welke invloed heeft het CORI-model op de motivatie en leeropbrengsten bij begrijpend lezen van leerlingen in de groepen 5 tot en met 8 van de basisschool?”
MULTIFILE
In Zwolle werken studenten en ouderen in co-creatie samen met andere partijen aan het ontwikkelen en implementeren van authentieke leeftijdsvriendelijke diensten. Daartoe heeft de opleiding Toegepaste Gerontologie van Hogeschool Windesheim samen met ouderen een living lab ontwikkeld. Het Living Lab Toegepaste Gerontologie blijkt ook de intrinsieke motivatie van studenten te stimuleren.
DOCUMENT
In het kader van dit RAAK-onderzoek is een literatuurstudie gedaan naar de rol van motivatie bij financiële educatie. De centrale vraag voor het onderzoek was: In hoeverre dragen de interventies in de budgetcursus Grip op de Knip van MEEAZ bij aan vergroten van de motivatie v an de deelnemers en het verminderen van uitval uit deze training en een verbetering van de duurzame toepassing van hetgeen in de training geleerd wordt? In dit rapport worden de uitkomsten van het onderzoek beschreven en de succesfactoren als het gaat om het vergroten van de motivatie voor de budgettraining van MEEAZ gepresenteerd.
DOCUMENT
Methode : Op basis van gedragsveranderingstheoriëen is een smartphone app ontwikkeld. De app motiveert de gebruiker om te bewegen (wandelen, hardlopen) door het ondersteunen bij het stellen van doelen [1], het aanbieden van locatie specifieke instructionele-(beweeginstructies in video) en motivationele-feedback (motivatie berichten) [2] en het gezond belonen van inzet [3]. De app is getest in ons living lab: het Oosterpark in Amsterdam. Het park is uitgerust met Bluetooth beacons (zendertjes die elke seconde een signaal versturen) waarmee de app de locatie van de gebruiker bepaalt. Tien gemiddeldactieve gebruikers hebben gedurende tien weken deelgenomen. Na afloop zijn interviews afgenomen om inzicht te verkrijgen in de werkzame elementen van de app en nieuwe behoeften betreffende beweeg apps te inventariseren.Resultaten : Naar aanleiding van de interviews worden verbeterpunten aan op design, functionaliteiten en terminologie doorgevoerd. We verwachten dat dit leidt tot afname van de waargenomen problemen en een toegenomen tevredenheid bij de gebruikers.Discussie en conclusie : Deze studie laat het belang zien van het testen op gebruiksvriendelijkheid van een app die motiveert tot bewegen in een living lab. We verwachten dat de studie resulteert in een app met een hogere gebruiksvriendelijkheid met als gevolg een toename in het gebruik van de app en het beweeggedrag van de deelnemers.Make it count : De positieve effecten van bewegen zijn bekend en toch voldoen veel mensen niet aan de richtlijnen voor gezond bewegen. Het gebruik van de BAMBEA app met zijn locatie specifieke feedback (dmv beacons), theoretische basis en focus op de beginnende sporter biedt perspectieven voor stimulering van het beweeggedrag van deze groep.
DOCUMENT
Hoofdstuk 29 in Werken in gedwongen kader. 29.1 Inleiding 29.2 Oude en nieuwe uitgangspunten van motiveren 29.3 Motiveren in een gedwongen kader 29.4 Soorten motivatie: extern, extrinsiek, intern of intrinsiek? 29.5 Niet gemotiveerd? 29.6 Strategieën om te motiveren
LINK
Hoe kan technologie mensen met een verstandelijke beperking motiveren om meer te bewegen in het dagelijks leven? Het onderzoeksprogramma TIME2Play van het lectoraat Technologie voor Inclusief Bewegen en Sport van de Haagse Hogeschool bundelt initiatieven die dat op een speelse en uitdagende manier doen, van beweeg-digiboards tot apps.
DOCUMENT
Lichaamsbeweging is een van de speerpunten van de behandeling van overgewicht. Ondanks bewezen gunstige effecten van lichaamsbeweging op het behoud van gewichtsverlies, co-morbiditeiten, en kwaliteit van leven, is er voor mensen met overgewicht toch vaak een hoge drempel om meer te gaan bewegen. Het gezondheidsattitude model (Health Belief Model) biedt een mogelijke verklaring hiervoor. Het stelt dat het overgaan tot gezondheidsgedrag wordt bepaald door de dreiging die uitgaat van de aandoening, perceptie van de gezondheidsvoordelen bij wijziging van het gedrag, mogelijke barrières voor gedragsverandering en motiverende factoren. Zelfeffectiviteit is een extra component die vooral bij complexere gedragsveranderingen belangrijk is. Doel van deze studie was om inzicht te krijgen in de psychische factoren die mensen met overgewicht motiveren of belemmeren om te gaan deelnemen aan een sportprogramma, nog voordat er sprake is van co-morbiditeiten. De onderzoekshypothese was dat de volgende factoren bijdragen aan het nemen van de stap om te gaan sporten: het beschouwen van overgewicht als een ernstige aandoening, het inzien van de gezondheidsvoordelen van sporten, het in geringe mate hebben van barrières om te gaan sporten, het ervaren van meer lichamelijke klachten en een relatief slechte gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven, realistische positieve cognities over obesitas en een intern gerichte beheersingsoriëntatie. Methode: Potentiële deelnemers voor de sportgroep met overgewicht of obesitas werden geworven bij fitnesscentra. Niet-sporters werden geworven via de website van de Nederlandse Obesitas Vereniging, kledingwinkels voor grote confectiematen, huisartsen en via de kennissenkring. Inclusiecriteria voor beide groepen waren: BMI > 25, leeftijd tussen 18 en 65 jaar en geen co-morbiditeiten waarvoor medische behandeling werd gegeven. Specifieke vragenlijsten werden gebruikt voor het meten van de ervaren ernst van het lijden (PRISM-R2), met beweging samenhangende cognities en emoties (TAMPA), obesitas-specifieke kwaliteit van leven (IWQOL-lite), algemene cognities over overgewicht (OCL) en interne en externe beheersingsoriëntatie (MHLC-obesitas). Resultaten: Beide groepen bestonden uit 58 deelnemers. Er waren veel meer vrouwen in de sportgroep dan in de niet sportgroep: 79% in de sportgroep tegenover 32% in de niet sportgroep. De gemiddelde BMI (34.6 in de sportgroep en 32.8 in de niet-sport groep) en het opleidingsniveau (86% van de sporters versus 90% van de niet-sporters had minimaal middelbare school) waren vergelijkbaar. Sporters en niet-sporters hadden even lang en intensief en met even vaak teleurstellende resultaten diëten gevolgd. De vaders van de niet-sporters hadden vaker overgewicht (gehad) dat minstens even ernstig was als dat van de deelnemer zelf: 6% van de vaders in de sportgroep versus 15% in de niet-sportgroep. De subjectief ingeschatte ernst van het lijden door overgewicht was net niet significant hoger voor sporters dan voor niet-sporters (PRISM-R2: p = 0.053). Wat betreft barrières om te gaan sporten (TAMPA) was er geen verschil in schaamte en de inschatting van de eigen sportieve competenties, maar had de sportgroep significant minder vrees voor letsel bij het sporten (p < 0.001) en zag de sportgroep vaker de gezondheidsvoordelen van sporten dan de niet-sportgroep (p = 0.02). Er werden geen verschillen gevonden in gerapporteerde lichamelijke klachten. Van kwaliteit van leven aspecten (IWQOL-lite) was het gevoel van eigenwaarde lager in de sportgroep (p = 0.046), voor de overige schalen werd geen verschil gevonden. Voor wat betreft cognities over overgewicht (OCL) beschouwden niet-sporters hun overgewicht vaker als een probleem met somatische oorzaak (p = 0.01), met een slechte prognose (p < 0.001) en een toestand waarvan het een kwestie van geluk of toeval is of men dik is of blijft (MHLC, p=0.001). De significant verschillende psychische factoren, gevonden in de vergelijking van de groepen, werden samen met BMI, leeftijd, geslacht en mate van overgewicht van de vader, in een logistisch regressiemodel gebracht. De resultaten lieten zien dat het onafhankelijke predictoren van deelname aan een sportgroep waren. Conclusie: De op grond van het gezondheidsattitude model geformuleerde hypotheses werden grotendeels bevestigd. Mensen die gaan sporten ervaren hun overgewicht als een groter gezondheidsprobleem, en dus als een grotere dreiging. Ook zien zij meer voordelen voor hun gezondheid van lichaamsbeweging. De belangrijkste ervaren barrière voor de niet sporters blijkt angst voor letsel te zijn. Fysieke klachten bij mensen die nog geen grote gezondheidsproblemen ervaren, is geen belangrijke motiverende factor. Een lager gevoel van eigenwaarde is dit mogelijk wel. Cognities over overgewicht beïnvloeden de mate waarin men zich effectief voelt om gedrag te veranderen. Pessimistische cognities over prognose, en het geloof dat overgewicht vooral somatisch bepaald wordt, blijken inderdaad een rol te spelen bij het al dan niet nemen van de stap om te gaan sporten. Dit wordt versterkt door een meer extern gerichte beheersingsoriëntatie. Zowel in individuele contacten als in voorlichtingscampagnes waarbij mensen met overgewicht worden gestimuleerd om meer te gaan bewegen, is het belangrijk deze factoren te herkennen, bespreekbaar te maken en te behandelen zodat de instroom in sportgroepen wordt bevorderd.
DOCUMENT
In deze presentatie wordt gekeken naar de relatie tussen het gebruik van mobiele applicaties en fysieke activiteit en gezonde leefstijl. Dit is gedaan op basis van een vragenlijst onder deelnemers aan een hardloopevenement, de Dam tot Damloop. Er werden aparte analyses gedaan voor 8km lopers en 16 km lopers. Een positieve relatie werd gevonden tussen app gebruik en meer bewegen en zich gezonder voelen. App gebruik was ook positief gerelateerd aan beter voelen over zichzelf, je voelen als een atleet, anderen motiveren om te gaan hardlopen en afvallen. Voor de 16 km lopers was app gebruik gerelateerd aan gezonder eten, zich meer energieker voelen en een hogere kans om het sportgedrag vol te houden. De resultaten van dit onderzoek laten zien dat app gebruik mogelijk een ondersteunende rol kunnen hebben in de voorbereiding op een hardloopevenemen, aangezien het gezondheid en fysieke activiteit stimuleert.
DOCUMENT
In deze presentatie wordt gekeken naar de relatie tussen het gebruik van mobiele applicaties en fysieke activiteit en gezonde leefstijl. Dit is gedaan op basis van een vragenlijst onder deelnemers aan een hardloopevenement, de Dam tot Damloop. Er werden aparte analyses gedaan voor 8km lopers en 16 km lopers. Een positieve relatie werd gevonden tussen app gebruik en meer bewegen en zich gezonder voelen. App gebruik was ook positief gerelateerd aan beter voelen over zichzelf, je voelen als een atleet, anderen motiveren om te gaan hardlopen en afvallen. Voor de 16 km lopers was app gebruik gerelateerd aan gezonder eten, zich meer energieker voelen en een hogere kans om het sportgedrag vol te houden. De resultaten van dit onderzoek laten zien dat app gebruik mogelijk een ondersteunende rol kunnen hebben in de voorbereiding op een hardloopevenemen, aangezien het gezondheid en fysieke activiteit stimuleert.
DOCUMENT