Hoofdstuk 9 in Moresprudentie in de praktijk. Hoe kun je studenten leren betere morele beslissingen te nemen en daarnaar te handelen? En hoe beoordeel je dit? Kun je met toetsen wel bepalen of studenten een ethische ontwikkeling hebben doorgemaakt? In dit hoofdstuk bespreekt Raymond Kloppenburg deze vragen vanuit een onderwijskundig perspectief. Aan de hand van het model van ethisch actorschap legt hij uit welke aspecten hierbij van belang zijn.
Deze systematische literatuurreview heeft als doel een zo compleet mogelijkoverzicht te geven van wat er op dit moment bekend is over condities die deduurzaamheid van innovaties in basis- en voortgezet onderwijs stimuleren.Om een zo compleet mogelijk overzicht te kunnen bieden, zijn internationalewetenschappelijke publicaties en Nederlandstalige beleids- en vakpublicatiesmeegenomen in deze review.Deze review heeft drie doelgroepen: docenten en (in)formele leiders,beleidsmakers en onderzoekers. Voor de eerste groep biedt het rapportpraktische aanbevelingen die bruikbaar zijn op de onderwijswerkvloer als hetgaat om duurzaam onderwijs te innoveren. Aan de laatste twee groepen biedtdeze review inzicht (1) hoe (gespreid) leiderschap samenhangt met anderecondities, (2) hoe deze positief invloed uitoefenen op duurzame implementatievan onderwijsinnovaties en (3) het belang van een systemisch perspectiefhierop. Daarnaast biedt de review inzicht in de onderzoeksbeperkingen in ditveld en laat het zien wat nog niet bekend is.
Leraren in het voortgezet onderwijs die formatief handelen geven informatie over hoe het beoogde doel te bereiken. Leraren die summatief toetsen geven een geïnformeerd oordeel over prestaties. Formatief handelen heeft een motiverende werking, terwijl summatief toetsen niet per se schadelijk is voor de motivatie van leerlingen. Op basis van de resultaten uit het proefschrift van Krijgsman (2021) adviseren we formatief handelen en summatief toetsen te combineren, zodat beide functies elkaar versterken (synergie) zonder eenzijdig de nadruk op een van beiden te leggen (balans). Tot op heden blijft deze synergie en balans uit. Factoren in het gehele onderwijs-ecosysteem beïnvloeden dit. Scholen hebben bijvoorbeeld een grote mate van autonomie op het gebied van toetsing. Tegelijk ontbreekt er een eenduidig landelijk kader voor toetsbeleid en is er behoefte aan professionele ontwikkeling voor schoolleiders, teamleiders en leraren op het gebied van toetsdeskundigheid. Daarnaast worden de behoeften van leerlingen rondom toetsing veelal niet geïnventariseerd bij de ontwikkeling van toetsvisie en -beleid. We pleiten voor een samenwerking tussen leerlingen, leraren, teamleiders, schoolleiders, regionale of nationale leiders, beleidsmakers en wetenschappers, om vanuit een systemisch perspectief dit complexe vraagstuk aan te pakken.
Het oog van de meester refereert aan de perceptuele bekwaamheid of vaardigheid waarover docenten in het bewegingsonderwijs beschikken om nauwkeurig te observeren hoe leerlingen bewegingsactiviteiten uitvoeren. Een nauwkeurige observatie is een cruciale voorwaarde voor het geven van adequate leerhulp en betrouwbare cijfers. Het is een onmisbare schakel in het realiseren van kwalitatief hoogwaardig bewegingsonderwijs. Er zijn echter gerede twijfels over de mate van perceptuele bekwaamheid van docenten in het bewegingsonderwijs. Binnen de opleidingen wordt de vaardigheid niet doelbewust geoefend; de gedachte is veeleer dat naast kennis, ervaring in de beroepspraktijk het oog van de meester zal cultiveren. Het schaarse onderzoek suggereert dat de perceptuele bekwaamheid van docenten niet of nauwelijks verbetert nadat de opleiding is afgerond. De docenten geven dan ook aan behoefte te hebben hun perceptuele bekwaamheid verder te ontwikkelen. In dit project werkt het Windesheimlectoraat Bewegen, School en Sport samen met lectoraten aan de Haagse Hogeschool en de Hogeschool van Amsterdam, met bewegingswetenschappers en onderwijskundigen van de Vrije Universiteit en de Erasmus Universiteit en met groepen docenten en opleiders aan de centrale onderzoeksvraag: ‘In welke mate wordt de perceptuele bekwaamheid van docenten in het bewegingsonderwijs bepaald door ervaring, en in hoeverre, en op welke wijze, kan doelbewust oefenen de perceptuele bekwaamheid bevorderen’? Het project beoogt nieuwe inzichten te verwerven over de mate en aard van perceptuele bekwaamheid van docenten in het bewegingsonderwijs en over methoden van doelbewust oefenen die het voor studenten en docenten mogelijk maakt om het gewenste niveau van perceptuele bekwaamheid te bereiken. Deze inzichten worden geïmplementeerd in een nieuw te ontwikkelen digitale leeromgeving voor het oefenen van perceptuele bekwaamheid. De in het consortium vertegenwoordigde opleidingen borgen dat de digitale leeromgeving een plek krijgt in het onderwijs op de hogescholen en tegelijkertijd als nascholingsprogramma toegankelijk is voor docenten bewegingsonderwijs die hun perceptuele bekwaamheid wensen te verbeteren.